Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU9201

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
02/04959
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Vormt de onroerende zaak keuzevermogen waardoor deze tot belanghebbendes ondernemingsvermogen kan worden gerekend?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is belanghebbende gehouden aan de bij de minnelijke waardering bepaalde waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak van ƒ 660.000,=?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/04959

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 358.186,= zonder toepassing van het bijzonder tarief, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 358.186,= met toepassing van het bijzonder tarief van 45% over een bedrag van ƒ 289.019,=.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 mei 2004 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden de heer A en de heer B, beiden verbonden aan C te Q, en de heer D, als taxateur verbonden aan E B.V., (hierna: de heer D) alsmede de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.6. Met toestemming van partijen heeft het hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is geboren op 21 september 1964 en is gehuwd. Hij kocht op 1 juli 1988 van zijn ouders de woning a-straat 1 te Y met een bijbehorend perceel grond en een aantal garages.

2.2. Per 1 januari 1993 startte belanghebbende een eenmanszaak onder de naam "F", die zich bezighield met het ontwerpen, bouwen en restaureren van molens (hierna: de onderneming). Per 1 oktober 1999 is de onderneming ingebracht in een besloten vennootschap.

De in 2.1 bedoelde onroerende zaken werden tot het privé-vermogen gerekend.

2.3. Tot het vermogen van de onderneming behoort onder meer een vrijstaande werkplaats, in 1993 gebouwd op de in 2.1 bedoelde grond (hierna: de werkplaats a-straat).

2.4. Op 14 februari 1997 verwierf belanghebbende van G, geboren 19 mei 1930, te Y een nog in aanbouw zijnde stellingmolen met ondergrond en bouwland (in totaal 27 a 39 ca), gelegen aan b-straat 1 te R (gemeente Y), (hierna: de onroerende zaak) voor een bij in 1996 met de Inspecteur overeengekomen minnelijke waardering tot stand gekomen bedrag van ƒ 25.000,=.

2.5. De onroerende zaak werd in belanghebbendes jaarstukken geactiveerd voor de koopprijs van ƒ 25.000,=, vermeerderd met de aanschaffings- en verbouwingskosten van ongeveer ƒ 348.000,=.

2.6. Met betrekking tot de werkplaats a-straat en de onroerende zaak heeft belanghebbende investeringsaftrek genoten over de aanschaffings- en verbouwingskosten, en zijn kosten en afschrijvingen ten laste van belanghebbendes winst gebracht.

2.7. Op verzoek van belanghebbende is in oktober 2001 door dezelfde taxateurs die in 1996 bij de taxatie waren betrokken een minnelijke waardering uitgevoerd van de werkplaats a-straat en de onroerende zaak naar de toestand en waarde per 1 oktober 1999 in verband met belanghebbendes voornemen zijn eenmanszaak in te brengen in een besloten vennootschap.

2.8. De taxateurs bepaalden de waarde in het economisch verkeer per 1 oktober 1999 van de onroerende zaak (molen met bijgebouw, ondergrond en overige, niet bebouwde grond) op ƒ 660.000,= en van de werkplaats a-straat (met ondergrond) op ƒ 70.000,=.

2.9. Op 11 november 2002 maakte belanghebbende bezwaar tegen de aanslag vanwege het feit dat abusievelijk niet het bijzonder tarief van 45% was toegepast op een stakingswinst van ƒ 289.019,=.

2.10. Bij uitspraak op bezwaar van 26 november 2002 heeft de Inspecteur de aanslag overeenkomstig het ingediende bezwaarschrift verminderd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Vormt de onroerende zaak keuzevermogen waardoor deze tot belanghebbendes ondernemingsvermogen kan worden gerekend?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is belanghebbende gehouden aan de bij de minnelijke waardering bepaalde waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak van ƒ 660.000,=?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De taxateurs hebben een grote inschattingsfout gemaakt door uit te gaan van ƒ 500,= per kubieke meter inhoud. Dat is een onredelijk hoog bedrag.

De Inspecteur

Belanghebbende heeft een aantal molens en is restaurateur van molens. Ik bestrijd dat er sprake is van een hobbysfeer.

De taxateurs hebben rekening gehouden met de beperkte gebruiksmogelijkheden van de molen in de waarde van de grond. De taxateurs hebben niet gedwaald en evenmin is er sprake van een ander wilsgebrek.

Abusievelijk is bij de berekening van de stakingswinst onder meer de waarde van de grond niet meegeteld waardoor het belastbaar inkomen per saldo ongeveer ƒ 115.000,= te laag is vastgesteld. De aanslag is dus eerder te laag dan te hoog. Ik beroep mij, voor zoveel nodig, op interne compensatie.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag met € 46.516,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot het eerste geschilpunt

4.1. Belanghebbende is van oordeel dat de onroerende zaak vanaf de verwerving in 1997 primair geheel en subsidiair gedeeltelijk voor de overige, niet bebouwde grond - ongeveer 20 are met een waarde van ƒ 40.000,= - als verplicht privé-vermogen had moeten worden aangemerkt. Hij gebruikt ter onderbouwing van deze stelling en met verwijzing naar de arresten Hoge Raad 2 november 1983, nr. 21 879, BNB 1984/6, en Hoge Raad 21 juni 1995, nr.30 108, BNB 1995/238, een viertal argumenten:

a. in het kadaster is de onroerende zaak op naam van belanghebbende zelf gesteld;

b. belanghebbende heeft altijd de intentie gehad de onroerende zaak privé te houden;

c. belanghebbende wilde van de aanvang af de onroerende zaak gaan verhuren aan zijn onderneming, zoals hij thans doet aan zijn besloten vennootschap;

d. belanghebbende gebruikt de onroerende zaak tevens voor privé-doeleinden.

4.2. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat na het gereedkomen van de stellingmolen en de realisatie van een bijgebouw de onroerende zaak zowel zakelijk als privé werd gebruikt. Het bijgebouw is deels in gebruik als werkplaats (met kraanbaan) en deels als museum. Ook in het taxatierapport van minnelijke waardering wordt de onroerende zaak omschreven als: "De stellingmolen met bijgebouwen en erf, welke bijgebouwen deels als werkplaats en deels als museum in gebruik zijn.". Blijkens de jaarstukken 1999 van de onderneming wordt, ook voor de heffing van omzetbelasting, de maalderijopbrengst tot de omzet van de onderneming gerekend.

Het hof acht om deze redenen de in de pleitnota van belanghebbende - in afwijking van het beroepschrift, zoals in 4.1 is weergegeven - opgenomen stelling dat "Van enig zakelijk gebruik van de onroerende zaken of intentie daartoe in de onderhavige periode niets [is] gebleken.", onaannemelijk.

4.3. Hetgeen belanghebbende stelt, kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de onroerende zaak verplicht tot belanghebbendes privé-vermogen moet worden gerekend, nu vaststaat dat in elk geval een belangrijk gedeelte van de onroerende zaak, namelijk de werkplaats, een functie binnen belanghebbendes onderneming vervulde.

4.4. Aan het in 4.3 gegeven oordeel kunnen belanghebbendes in 4.1 weergegeven argumenten niet afdoen, aangezien het argument onder a bij een eenmanszaak geen aanwijzing kan geven voor het antwoord op de vraag of een zaak verplicht privé-vermogen, verplicht ondernemingsvermogen dan wel keuzevermogen vormt, argument d ertoe leidt dat de onroerende zaak ook binnen de onderneming werd gebruikt en blijkbaar een functie vervulde binnen belanghebbendes onderneming, zoals ook de Inspecteur stelt, en de argumenten onder b en c niet stroken met de in 2.5 en 2.6 vastgestelde feiten. Wat betreft argument c merkt het hof op dat een verhuur in de onderhavige situatie civielrechtelijk onbestaanbaar is en niet gesteld of gebleken is dat uitsluitend het gebruik van de onroerende zaak in de onderneming is ingebracht.

4.5. Gesteld noch gebleken is dat de onroerende zaak verplicht tot het ondernemingsvermogen moet worden gerekend.

4.6. Gelet op het in 4.2 tot en met 4.5 overwogene, kon en mocht belanghebbende de onroerende zaak, ook met betrekking tot de overige, niet-bebouwde grond, tot het keuzevermogen rekenen en heeft dit, gelet op zijn uit de in 2.5 en 2.6 opgenomen feiten blijkende wil de onroerende zaak tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, ook daadwerkelijk gedaan.

Gesteld noch gebleken is een bijzondere omstandigheid die herziening van de etikettering van het keuzevermogen kan rechtvaardigen.

4.7. Het gelijk met betrekking tot het eerste geschilpunt is aan de Inspecteur.

Met betrekking tot het tweede geschilpunt

4.8. Belanghebbende beroept zich subsidiair op dwaling met betrekking tot de overeenkomst van minnelijke waardering op grond waarvan die overeenkomst niet bindend zou zijn. Belanghebbende stelt vervolgens dat, ook op grond van redelijkheid en billijkheid bij uitvoering van de overeenkomst voor het geval die overeenkomst wel bindend zou zijn, van een lagere waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak moet worden uitgegaan in verband met de beperkte bestemmingsmogelijkheden. Belanghebbende baseert zich daarbij op een lager vastgestelde waarde per 1 januari 1999 voor de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) van ƒ 586.000,= en een bij een recente analyse van de minnelijke waardering door de heer D geschatte waarde van ƒ 376.000,= tot ƒ 400.000,=.

De Inspecteur is daartegenover van mening dat de overeenkomst, waarbij de waarde van de onroerende zaak werd vastgesteld op ƒ 660.000,=, partijen nog altijd bindt en dat niet gezegd kan worden dat "de beslissing van de bindend adviseurs door geen enkel redelijk oordelend adviseur gegeven had kunnen zijn" (vergelijk: artikel 7:904 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: het BW).

4.9. Het verzoek tot minnelijke waardering is door belanghebbendes toenmalige gemachtigde gedaan op 28 april 2000, met welk verzoek de Inspecteur op 8 augustus 2001 heeft ingestemd. De taxatie is op 26 september 2001 verricht door de taxateurs in onroerende zaken de heer H, verbonden aan Belastingdienst/Ondernemingen S, (hierna: de heer H) namens de Inspecteur, en de heer I, verbonden aan J B.V. te T, (hierna: de heer I) namens belanghebbende.

De heer I is lid van NVM en treedt, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, vanaf 1988 als taxateur voor belanghebbende op.

4.10. De bewijslast met betrekking tot de aanwezigheid van dwaling rust naar het oordeel van het hof op belanghebbende. De Inspecteur heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat de heer H en de heer I hebben gedwaald met betrekking tot de beperkte bestemmingsmogelijkheden van de onroerende zaak.

Belanghebbende stelt dat er sprake is van zogenoemde wederzijdse dwaling (artikel 6:228, eerste lid en onderdeel c, van het BW) bij de heren H en I. Het onderzoek ter zitting van 19 mei 2004 is geschorst om allereerst belanghebbende in de gelegenheid te stellen de door hem aangewezen taxateur, de heer I, te laten verklaren of hij bij de minnelijke waardering al dan niet heeft gedwaald, en zo ja, op welke gronden, en van welke waarde in het economisch verkeer dan zou moeten worden uitgegaan.

4.11. Bij fax van 21 juli 2004 heeft belanghebbende weliswaar gereageerd, maar niet de in 4.10 bedoelde verklaring van de heer I overgelegd. Belanghebbende is bij brief van 28 oktober 2004 opnieuw in de gelegenheid gesteld deze verklaring aan het hof te verstrekken, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

4.12. Belanghebbende slaagt er, gelet op hetgeen in 4.8 tot en met 4.11 is overwogen, naar het oordeel van het hof niet in aannemelijk te maken dat er een reële grond is de overeenkomst van minnelijke waardering te vernietigen, voorzover zijn beroep is gegrond op dwaling. Het hof acht partijen gebonden aan de overeenkomst (vergelijk: Hoge Raad 19 augustus 1992, nr. 25 625, BNB 1993/222).

4.13. Het hof kan verder niet inzien dat de inhoud of uitvoering van de overeenkomst van minnelijke waardering, namens belanghebbende en de Inspecteur, gesloten tussen twee ter zake deskundige taxateurs in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de voor de Wet WOZ vastgestelde waarde en het tijdsverloop tussen de waardepeildatum voor de Wet WOZ van 1 januari 1999 en het stakingstijdstip 1 oktober 1999.

4.14. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot het tweede geschilpunt eveneens aan de zijde van de Inspecteur. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.W. van der Voort, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en D.G. Barmentlo, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van P.J.A.M. van Sleuwen, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 22 november 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 22 november 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.