Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU8812

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
20-007384-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sprake van een "inrichting" als bedoeld in artikel 8.1 Wet milieubeheer?

Artikel 1.1 Wet milieubeheer luidt - voorzover van belang - als volgt:>br>

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Bij de milieucontrole op 18 september 2003 zijn bij verdachte onder meer 11 koelkasten en/of diepvriezers, 86 wasmachines, 4 televisies en een aantal accu's en motoren aangetroffen.

Onder deze omstandigheden is naar 's hofs oordeel vast komen te staan dat verdachte de aangetroffen goederen in een omvang aanwezig heeft gehad alsof hij deze bedrijfsmatig voorhanden had.

Het hof concludeert op grond van het vorenstaande dat er sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 8.1 Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming 13
Wet milieubeheer 8.1
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-007384-05

Uitspraak : 23 december 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 november 2004 in de strafzaak met parketnummer

01-075643-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1942],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroep vonnis zal worden vernietigd en dat het hof te dien aanzien verdachte opnieuw zal veroordelen tot een geldboete van € 2000,--, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot oplegging van de bijkomende straf van stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 16 tot en met 18 september 2003 te Vinkel, gemeente Maasdonk, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor de opslag van ondermeer (afgedankte) koelkasten, diepvriezers, wasmachines, televisies, accu's en/of motoren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in werking heeft gehad.

2.

hij in of omstreeks het tijdvak van 16 tot en met 18 september 2003, te Vinkel in de gemeente Nuland, op het perceel [adres], op onbeschermde bodem een hoeveelheid koelkasten, diepvriezers, wasmachines, accu's, motoren en/of olievaten heeft opgeslagen en/of een brandstof-voorzieningsinstallatie aanwezig heeft gehad, zijnde die materialen (afval)stoffen waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de

bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - en toen al dan niet opzettelijk niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de bodem te saneren en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is door deze verbeteringen niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in het tijdvak van 16 tot en met 18 september 2003 te Vinkel, gemeente Maasdonk, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor de opslag van (afgedankte) koelkasten, diepvriezers, wasmachines, televisies, accu's en motoren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in werking heeft gehad.

2.

hij in het tijdvak van 16 tot en met 18 september 2003, te Vinkel, op het perceel [adres], op onbeschermde bodem een hoeveelheid koelkasten, diepvriezers, accu's, motoren en olievaten heeft opgeslagen en een brandstof-voorzieningsinstallatie aanwezig heeft gehad, zijnde die materialen (afval)stoffen waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - terwijl hij, verdachte, wist dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - en toen opzettelijk niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is van de zijde van de verdediging aangevoerd dat de aanwezigheid van de in de tenlastelegging beschreven goederen een hobbymatig karakter met zich meedraagt en dat er dusdoende geen sprake is van een "inrichting" als bedoeld in artikel 8.1 Wet milieubeheer, althans zo wordt het verweer van de verdediging verstaan.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Artikel 1.1 Wet milieubeheer luidt - voorzover van belang - als volgt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er op 16 en 18 september 2003 milieucontroles hebben plaatsgevonden op het [adres] te [woonplaats]l, zijnde het perceel van verdachte. Bij de milieucontrole op 18 september 2003 zijn de onder

1 ten laste gelegde goederen aangetroffen bij verdachte. Het betrof hier onder meer 11 koelkasten en/of diepvriezers, 86 wasmachines, 4 televisies en een aantal accu's en motoren.

Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat verdachte in opdracht van derden - al dan niet tegen betaling - dergelijke goederen heeft opgeknapt.

Onder deze omstandigheden, in het bijzonder gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen wit-/ en bruingoed, is naar 's hofs oordeel vast komen te staan dat verdachte de aangetroffen goederen in een omvang aanwezig heeft gehad alsof hij deze bedrijfsmatig voorhanden had.

Het hof concludeert op grond van het vorenstaande dat er sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 8.1 Wet milieubeheer. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet milieubeheer, juncto de artikelen 1a, aanhef en onder 1 en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, van de wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, juncto de artikelen 1a, aanhef en onder 1 en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, van de wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof ziet - gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep - aanleiding om een groot gedeelte van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen. Het hof verbindt aan dit voorwaardelijk op te leggen gedeelte van de straf de bijzondere voorwaarde dat verdachte alle in de inrichting opgeslagen en aanwezige (afgedankte) koelkasten, diepvriezers, wasmachines, televisies, accu's en motoren afvoert of doet afvoeren door deze naar een erkende inzamelaar van wit- en bruingoed te brengen of te doen brengen, ter definitieve ontmanteling van de inrichting.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 13 van de Wet bodembescherming, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

1

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeer, opzettelijk begaan.

2

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 185 (honderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 8.000,00 (achtduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 (honderdzestig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte alle in de inrichting opgeslagen en aanwezige (afgedankte) koelkasten, diepvriezers, wasmachines, televisies, accu's en motoren afvoert of doet afvoeren door deze naar een erkende inzamelaar van wit- en bruingoed te brengen of te doen brengen, ter definitieve ontmanteling van de inrichting.

Aldus gewezen door

mr. Van de Loo, voorzitter,

mr. Harmsen en mr. De Lange, vice-president en raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. Van Ham, griffier,

en op 23 december 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

- 6 - 20-007384-05