Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU8058

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
C0401106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het eindvonnis van 14 april 2004 heeft de rechtbank geconcludeerd dat [appellant] zich als bestuurder/ vereffenaar niet heeft bekommerd omtrent de mogelijke aanspraak van [geïntimeerde] op de BV respectievelijk betaling van die aanspraak met inachtneming van het daaraan verbonden wettelijke voorrecht ingevolge art. 3: 288 sub e BW, dat derhalve van betalingsonwil sprake is en [appellant] dusdoende onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank baseerde zich daarbij op de door haar in rov. 2.9 van het eindvonnis opgesomde, als vaststaand aangenomen, niet door tegenbewijs ontzenuwde omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23a
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2006, 176
JOR 2006/118 met annotatie van H.M.L. Dings
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. FR

rolnr. C0401106/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 22 november 2005,

gewezen in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 12 juli 2004,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. P.J.J.A. Hendriks,

op het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 5 januari 2001, 2 juli 2003 en 14 april 2004 tussen principaal appellant - [appellant] - als gedaagde en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 21492/HA ZA 98-276)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen alsmede naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 10 december 1999.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van twee producties zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis van 14 april 2004 en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde].

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van drie producties de grieven bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd, haar eis vermeerderd en geconcludeerd kort gezegd, het eindvonnis te bevestigen, haar vordering, voorzover vermeerderd, toe te wijzen en het tussenvonis van 5 januari 2001 te vernietigen, voorzover daarin op een tweetal onderdelen is afgeweken van de redeneringen van [geïntimeerde].

[appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

in principaal appel:

De zeven grieven van [appellante] strekken ten betoge dat de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte grotendeels heeft toegewezen.

in incidenteel appel:

De twee grieven van [geïntimeerde] strekken ten betoge dat de rechtbank in het tussenvonnis van 5 januari 2001 op een tweetal onderdelen ten onrechte niet de redeneringen van [geïntimeerde] heeft gevolgd.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. Het gaat in dit geding om het volgende.

a. [appellant] was in het verleden bestuurder van [bedrijf [appellant]], handelend onder de naam [naam bedrijf appellant], verder de BV. Aandeelhouders van de BV waren [appellant] en zijn echtgenote [echtgenote appellant].

De bedrijfsactiviteit van de BV bestond hoofdzakelijk uit carrosseriewerkzaamheden aan auto's (plaatwerkerij en spuiterij), terwijl daarnaast ook reparaties en onderhoud van auto's plaatsvonden, zulks deels in opdracht van het hierna te noemen eenmansbedrijf van [appellant] en anderzijds in opdracht van derden. De bedrijfsactiviteiten werden uitgeoefend in een aan [appellant] in eigendom toebehorend pand op het adres [adres].

In dat pand dreef [appellant] privé tevens een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak appellant]. De bedrijfsactiviteit van [eenmanszaak appellant] bestond uit groothandel in gebruikte en nieuwe auto's (prod. B bij cvr in de kantongerechtsprocedure, overgelegd bij cve).

b. Op 12 februari 1996 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van de BV besloten de bedrijfsactiviteiten van de BV te beëindigen (prod. 2 cva). Op 28 augustus 1996 heeft de BV besloten tot ontbinding van de BV. De datum van 28 augustus 1996 leidt het hof af uit de op die datum gesloten overeenkomst die is overgelegd als prod. 7 cva.

c. [appellant] is vervolgens opgetreden als vereffenaar van de BV conform het bepaalde in art. 2:23 ev. BW. Hij werd daarbij bijgestaan door twee deskundigen, te weten W. Verlegh, accountant/belastingadviseur te Eindhoven en Mr. F.H. van Alst, advocaat te Someren.

d. De bedrijfsactiviteiten van de BV zijn met ingang van 1 september 1996 gestaakt. De Rabobank heeft op 10 januari 1997 de rekening van de BV geblokkeerd voor alle betalingen (prod. 2 nadere conclusie d.d. 10 maart 2000) en bij brief d.d. 12 mei 1998 de financiering van de BV - voorzover nog nodig - opgezegd (prod. 2 nadere conclusie d.d. 10 maart 2000).

d. Bij arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 20 november 1998 is de BV op verzoek van [geïntimeerde] failliet verklaard met benoeming van Mr. W.J. Sleegers tot curator (prod. 7 en 8 nadere conclusie d.d. 10-3-2000).

e. [geïntimeerde] was in 1996 bij de BV in dienst als bedrijfsleider/administrateur sedert 1 februari 1980 (prod. A cvr).

f. Bij beschikking d.d. 15 mei 1996 van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening Zuidoost Brabant heeft de BV toestemming gekregen de dienstbetrekking met [geïntimeerde] op te zeggen wegens bedrijfsbeëindiging (prod. 1 cva). De BV heeft vervolgens de dienstbetrekking met [geïntimeerde] opgezegd tegen 2 september 1996.

g. Bij vonnis d.d. 27 juni 1997 van de kantonrechter te Helmond is de BV op vordering van [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van F 51.691,50 bruto, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, op de grond dat het ontslag van [geïntimeerde] kennelijk onredelijk was (prod. 4 cva).

Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

h. De BV heeft aan dit vonnis niet voldaan en biedt ook geen verhaal.

i.Bij dagvaarding van 15 januari 1998 heeft [geïntimeerde] [appellant] gedagvaard en van hem persoonlijk betaling gevorderd van het bedrag van F 51.691,50, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten zoals genoemd in voormeld vonnis van de kantonrechter, alsmede buitengerechtelijke kosten.

j. Bij tussenvonnis d.d. 10 december 1999 heeft de rechtbank [appellant] in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen en bescheiden over te leggen.

k. Bij tussenvonnis d.d. 5 januari 2001 heeft de rechtbank [appellant] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte conclusie van de rechtbank dat er sprake is geweest van betalingsonwil van [appellant] als bestuurder/vereffenaar van de BV om de vordering van [geïntimeerde] te voldoen.

l. [appellant] heeft twee getuigen doen horen, te weten [getuige 1] voornoemd, en zichzelf.

m. Bij tussenvonnis d.d. 2 juli 2003 heeft de rechtbank [appellant] andermaal in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen omtrent door de rechtbank geformuleerde vraagpunten en bescheiden over te leggen.

n. Bij eindvonnis d.d. 14 april 2004 heeft de rechtbank de de gevorderde hoofdsom van E 23.456,58 = F 51.691,50 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 1996 en de gevorderde proceskosten voortvloeiend uit het vonnis van de kantonrechter van 27 juni 1997 van E 1.094,03 = F 2.410,92. De gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank afgewezen.

4.2. In het vonnis van 5 januari 2001 heeft de rechtbank voorshands geoordeeld dat de onderhavige vordering van [geïntimeerde] op de BV onbetaald is gebleven vanwege de betalingsonwil van [appellant] als vereffenaar van de BV (rov. 3.5.) en [appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

In het vonnis d.d. 14 april 2004 heeft de rechtbank het tegenbewijs niet geleverd geacht (rov. 2.10).

4.3. In het eindvonnis van 14 april 2004 heeft de rechtbank geconcludeerd dat [appellant] zich als bestuurder/ vereffenaar niet heeft bekommerd omtrent de mogelijke aanspraak van [geïntimeerde] op de BV respectievelijk betaling van die aanspraak met inachtneming van het daaraan verbonden wettelijke voorrecht ingevolge art. 3: 288 sub e BW, dat derhalve van betalingsonwil sprake is en [appellant] dusdoende onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank baseerde zich daarbij op de door haar in rov. 2.9 van het eindvonnis opgesomde, als vaststaand aangenomen, niet door tegenbewijs ontzenuwde omstandigheden.

4.4. Tegen (een deel van) deze door de rechtbank als vaststaand aangenomen omstandigheden zijn de principale grieven I tot en VI van [appellant] gericht en tegen de daarop door de rechtbank gebaseerde eindconclusie is de principale grief VII van [appellant] gericht.

4.5. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het navolgende voorop.

4.6. [appellant] heeft in de cva punt 3 en 7 in de kantongerechtsprocedure (waarvan de gedingstukken zijn overgelegd bij cve) gesteld dat het batig saldo van de vereffening van de BV voor aftrek van de kosten van de vereffening en de kosten van de raadsman circa F 4.000,- bedraagt en dat de BV niet in staat is de door [geïntimeerde] gepretendeerde vordering te betalen. Het hof begrijpt daaruit dat na aftrek van genoemde kosten er geen batig saldo meer over was en dat dus op 14 maart 1997 (toen voormelde cva werd genomen) voor [appellant] duidelijk was dat de schulden van de BV de baten zouden overtreffen.

4.6.1. Ingevolge art. 2: 23a BW dient de vereffenaar aangifte tot faillietverklaring te doen, indien hem blijkt dat de schulden van de BV de baten vermoedelijk zullen overtreffen. Nu [appellant] dit heeft nagelaten, is hij tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als vereffenaar.

4.7. Bij de beoordeling van de vraag of [appellant] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld dient onderscheid te worden gemaakt tussen twee periodes:

a. De periode waarin [appellant] met de door [geïntimeerde] jegens de BV gepretendeerde vordering terzake van kennelijk onredelijk ontslag bekend was, maar de kantonrechter daarover nog geen uitspraak had gedaan.

Dit betreft de periode van 13 september 1996 (zie eindvonnis rov. 2.8.1.) tot 27 juni 1997.

b. De periode waarin [appellant] bekend was met het vonnis van de kantonrechter waarin een bedrag van F 51.691,50 bruto met rente en proceskosten was toegewezen.

Dit betreft de periode na 27 juni 1997.

4.8. Persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant] voor de schade die [geïntimeerde] lijdt doordat de vordering van [geïntimeerde] op de BV oninbaar is gebleken, kan in de eerste periode worden aangenomen indien [appellant] persoonlijk een ernstig verwijt treft dat hij als vereffenaar er niet voor heeft gezorgd dat in de BV gelden beschikbaar bleven of kwamen ten belope van het bedrag dat op 27 juni 1997 door de kantonrechter aan [geïntimeerde] is toegewezen.

4.8.1. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] in deze periode nog geen opeisbare vordering op de BV had staat daaraan niet in de weg. In de eerste plaats geldt dat, voorzover de vordering van [geïntimeerde] door de kantonrechter op 27 juni 1997 werd toegewezen, deze al opeisbaar was sinds

2 september 1996 toen [geïntimeerde] werd ontslagen. Voorts had [appellant] op grond van de hem als vereffenaar van de BV bekende omstandigheden [appellant] ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat de door [geïntimeerde] gepretendeerde vordering jegens de BV minstens gedeeltelijk werd toegewezen.

[geïntimeerde] was in 1996 ruim 16 jaar in dienst geweest van de BV, was 43 jaar en werkzoekende en voor haar was in verband met het ontslag geen enkele financiële voorziening getroffen. Bovendien werd [appellant] als vereffenaar geadviseerd door een advocaat, mr. F. van Alst.

4.8.2. Ook diende [appellant] ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat, indien de vordering van [geïntimeerde] zou worden toegewezen, de BV die vordering niet zou kunnen voldoen, indien hij als vereffenaar niet zou zorgen dat bij de liquidatie van het vermogen van de BV met die (bevoorrechte) vordering rekening zou worden gehouden.

4.9. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] ernstig nalatig is geweest zijn verplichtingen als vereffenaar van de BV na te komen door de belangen van [geïntimeerde] te verwaarlozen bij het nemen van maatregelen na

1 september 1996 om alle schuldeisers, ook [geïntimeerde] dus, te voldoen (vgl. HR 8 februari 2002, NJ 2002, 196). Nu zulks in de eerste periode het geval was, treft [appellant] ook het ernstige verwijt dat de vordering van [geïntimeerde], nadat deze door de kantonrechter was toegewezen, in de tweede periode niet kon worden voldaan.

4.10. In de periode na 1 september 1996 heeft [appellant] ten behoeve van zijn eenmanszaak gebruik gemaakt van de handelsnaam van de BV, [eenmanszaak appellant], en zich mede als autoschadeherstelbedrijf geafficheerd terwijl dat de (hoofd)bedrijfsactiviteit van de BV was (cva, punt 9F; cvr prod. C1 tot en met C3 en D1 en D2). Doel daarvan was volgens [appellant] "de eenmanszaak voldoende economische activiteiten te laten verrichten, zodat de continuïteit van de eenmanszaak niet in de gevarenzone zou komen"(zie cva pag. 4, punt 9F).

Voorts voerde [appellant] in zijn eenmanszaak ten behoeve van personen die voorheen klant van de BV waren, werkzaamheden uit die voorheen door de BV werden uitgevoerd. Het hof wijst op de prod. C1 tot en met C7 cvr in de kantongerechtsprocedure, waarvan de stukken bij cve zijn overgelegd, en voorts op hetgeen [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld in de nadere conclusie d.d. 22 oktober 2003 punt 12 naar aanleiding van de door [appellant] bij nadere conclusie d.d. 24 september 2003 overgelegde grootboekkaarten, waarop klanten van de eenmanszaak, die vroeger vaste klant waren bij de BV, zijn vermeld met betrekking tot de omzet carrosserie. Voorzover [appellant] het verrichten van dergelijke werkzaamheden in zijn toelichting op grief II ontkent, is zulks in strijd met zijn standpunt in eerste aanleg en met de in eerste aanleg overgelegde producties, zodat het hof aan die betwisting voorbij gaat.

Het hof merkt in dit verband op dat [appellant] in zijn eenmanszaak ook gebruik maakte van dezelfde rekeningcourant als de BV, gelet op het feit dat op bijlage 2.1. van de balans per 31 december 1997 van de eenmanszaak [eenmanszaak appellant](prod. III cvd) Rabobank-rekeningnummer [rekeningnummer] is vermeld onder de kortlopende schulden, terwijl dit het rekeningnummer van de BV is (zie prod. 5 nadere conclusie d.d. 10 maart 2000).

Hieruit concludeert het hof dat [appellant] bij de vereffening van het vermogen van de BV (mede) persoonlijk voordeel nastreefde met het oog op de continuïteit van zijn eigen eenmanszaak. Daarbij kan in het midden blijven of alle vaste klanten (derden) van de BV door de eenmanszaak werden bediend en ook op dit op precies dezelfde voet (dezelfde werkzaamheden) gebeurde als in de BV.

De principale grief II van [appellant] kan dan ook, wat daar verder van zij, geen doel treffen.

4.11. Vanaf 18 september 1996 tot en met 5 november 1996 heeft de BV kasopnamen verricht tot een totaal bedrag van

F 31.500,- (prod. 5 nadere conclusie d.d.

10 maart 2000). Als getuige verklaart [appellant] niet te weten wat er met die gelden is gebeurd, later stelt [appellant] dat met deze kasopnamen "klanten" zijn betaald (conclusie na enq. pag. 2). Onduidelijk is wat [appellant] hiermee bedoelt. Voorzover met ,klanten' crediteuren van de BV zijn bedoeld, gaat het hof ervan uit dat [appellant] crediteuren van de BV betaalde voorzover hij daarbij zelf met het oog op de continuïteit van zijn eenmanszaak belang had, gelet op hetgeen onder 4.10. is overwogen. Evenals onder 4.13. acht het hof dus ook hier het vermoeden gegrond dat [appellant] met die kasopnamen zijn persoonlijk belang bij de continuïteit van zijn eenmanszaak heeft nagestreefd en in overeenstemming daarmee de onderhavige gelden aan "klanten" heeft besteed, zulks ten nadele van de vordering van [geïntimeerde] waaraan een wettelijk voorrecht was verbonden. [appellant] heeft dat vermoeden niet ontzenuwd en daarmee de belangen van [geïntimeerde] als schuldeiser van de BV verwaarloosd. De principale grief I van [appellant] faalt.

4.12. Aan de BV behoorde toe een verfspuitinrichting met toebehoren, waarvan als boekwaarde een bedrag van F 35.421,- per 31 december 1994 is vermeld in het overzicht materiele activa (prod. 1 nadere conclusie d.d. 24 september 2003) en die ultimo 1996 een boekwaarde had van F 31.879,- (nadere concl. d.d. 24 september 2003, pag. 2).

Deze verfspuitinrichting met toebehoren heeft [appellant] ter onrechte met ingang van 1 september 1996 voor F 2.000,- per maand verhuurd aan een ex-werknemer van de BV, [ex-werknemer], als ware het een inrichting van hemzelf (prod. 3 cva). Deze maandbedragen van F 2.000,- heeft [appellant] ten onrechte niet in de vereffening betrokken.

Ook is [appellant] in gebreke gebleven die spuitinrichting tijdig, dat wil zeggen kort na 1 september 1996, te laten taxeren met het oog op een eventuele verkoop alsmede om op die basis te beoordelen of verkoop zinvol was.

Het betoog van [appellant] dat verkoop geen zin had omdat de opbrengst niet opwoog tegen de kosten van herstel van het pand in de oude staat, verwerpt het hof, nu dit onvoldoende is onderbouwd. Voorzover dit betoog is gebaseerd op de nadien op 29 januari 2001 door Bureau von Reth uitgevoerde taxatie (prod. 8 conclusie na enquete d.d. 29 juni 2001), oordeelt het hof dat die taxatie niet maatgevend kan worden geacht nu die taxatie ruim 4,5 jaar later heeft plaatsgevonden, kennelijk naar aanleiding van het tussenvonnis van de rechtbank van 5 januari 2001, en dus uitgaat van een toestand die niet vergelijkbaar is met de toestand in september 1996, toen de spuitinrichting bovendien in bedrijf was. Om diezelfde reden is ook niet maatgevend het standpunt van de curator (prod. 2 mvg), dat eveneens gebaseerd is op de taxatie van Bureau von Reth. Ook hier geldt dat [appellant] niet het vermoeden heeft ontzenuwd dat hij met de verhuur (en het afzien van onmiddelijke taxatie en eventuele verkoop) niet het belang van de BV en de voldoening van haar (bevoorrechte) schuldeisers heeft nagestreefd, maar zijn persoonlijk belang bij de continuïteit van zijn eenmanszaak.

Wat er derhalve ook zij van de principale grief V, deze kan niet tot vernietiging van het eindvonnis leiden.

4.13. [appellant] is in gebreke gebleven te verantwoorden welke pogingen hij heeft ondernomen om de voorraden verf in de maanden september e.v. 1996 te verkopen. Nu [appellant] aangaande die inspanningen geen feiten heeft gesteld, acht het hof de stelling van [appellant] dat die voorraden onverkoopbaar waren, niet voldoende onderbouwd. Ook hier geldt dat [appellant] niet het vermoeden heeft ontzenuwd dat hij met het oog op zijn persoonlijk belang bij de continuïteit van zijn eenmanszaak niet aanstonds tot verkoop van die voorraden ten behoeve van (de crediteuren van) de BV is overgegaan. De principale grief VI faalt dus.

4.14. Aan de BV behoorden toe inventariszaken en gereedschappen, met als boekwaarde per 31 december 1994 de bedragen F 35.307,- en F 7.657,- (prod. 1 nadere conclusie d.d. 24 september 2003) en als boekwaarde ultimo 1996 een bedrag van F 45.731,- (nadere concl. d.d. 24 september 2003, pag. 2). Door [geïntimeerde] is onweersproken gesteld dat [appellant] deze gehele inventaris en gereedschappen tot zich heeft genomen en in gebruik heeft genomen in zijn eenmanszaak. De opbrengst hiervan heeft [appellant] niet in de vereffening betrokken.

De stelling van [appellant] onder grief IV dat een en ander per 1 september 1996 nog maar F 1.000,- waard was acht het hof onvoldoende onderbouwd. Daaraan doet niet af het gegeven dat de curator geen actie heeft ondernomen jegens [appellant]. De curator is pas op 20 november 1998 benoemd en werd toen geconfronteerd met een situatie waarin de bedrijfsbeëindiging van de BV al meer dan twee jaar lang een feit was. Het feit dat de curator geen actie heeft ondernomen staat derhalve niet in de weg aan de conclusie dat [appellant] ook op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. De principale grief IV faalt dus ook.

4.15. Wat betreft de inning van debiteuren van de BV is het hof met de rechtbank van oordeel dat [appellant] in gebreke is gebleven te verantwoorden welke pogingen hij in september en oktober 1996 heeft ondernomen om tot inning van debiteuren te geraken. Op de debiteurenlijst van 22 augustus 1996 (bijlage A bij antwoord op nadere concl. d.d. 7 april 2000) staat een bedrag van F 299.212,69 aan vorderingen, waaronder als verreweg de grootste debiteur [appellant] zelf

(F 197.773,18). [appellant] heeft zijn schuld betaald via de Rabobank (zie verklaring getuige [getuige 1]), maar heeft geen deugdelijke verantwoording gegeven met betrekking tot inning van de rest van de vorderingen. Het feit dat de curator niet meer tot inning van de overige debiteuren is overgegaan - na twee jaar bedrijfsstilstand - neemt niet weg dat [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting als vereffenaar vorderingen zo spoedig mogelijk te innen en over de inbaarheid daarvan verantwoording af te leggen.

Onjuist is de opvatting van [appellant] dat [geïntimeerde] geen zelfstandige schadevordering jegens [appellant] als vereffenaar van de BV zou kunnen instellen omdat de BV failliet is verklaard en daarom de curator daartoe exclusief bevoegd zou zijn. Het tegendeel vloeit juist voort uit de uitspraak van de HR van 21 december 2001, NJ 2005,95. De principale grief III faalt.

4.16. De principale grief VII faalt, nu het hof op bovenstaande gronden concludeert dat [appellant] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van de vereffening van het vermogen van de BV en voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] daardoor haar vordering niet (meer) op de BV kan verhalen.

4.17. Nu de principale grieven geen doel treffen, moeten de vonnissen van 2 juli 2003 en 14 april 2004 worden bekrachtigd.

4.18. Bij beoordeling van de incidentele grieven A en B heeft [geïntimeerde] geen belang, nu haar vordering ook toewijsbaar is wanneer een beoordeling van deze grieven achterwege blijft.

4.19. De door [geïntimeerde] bijwege van eisvermeerdering gevorderde wettelijke rente op de voet van art. 6: 119, lid 2 BW zal het hof toewijzen.

4.20. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [appellant] veroordeeld in de kosten van het principaal appel. In incidenteel appel kan een kostenveroordeling achterwege blijven (HR 10 juni 1988, NJ 1988,30).

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

bekrachtigt de vonnissen van 2 juli 2003 en 14 april 2004, met dien verstande dat de in het dictum van het eindvonnis van 14 april 2004 vermelde wettelijke rente wordt toegewezen op de voet van het bepaalde in art. 6:119 lid 1 en lid 2 BW;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, worden begroot op E 790,- wegens griffierecht en E 1.158,- wegens salaris van de procureur;

verstaat dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij beoordeling van haar incidentele grieven tegen het vonnis van 5 januari 2001;

verstaat dat een kostenveroordeling in incidenteel appel achterwege kan blijven.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-Van Dijken en Huijbers-Koopman en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 november 2005.