Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU7675

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2005
Datum publicatie
08-12-2005
Zaaknummer
R200501079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het in hoger beroep bestreden vonnis is het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellante afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest.

Ter zitting van het hof heeft appellante erkend dat zij tijdens het huwelijk wist dat haar voormalig echtgenoot geen inkomsten uit reguliere werkzaamheden genoot, maar dat hij zich bezig hield met criminele activiteiten. Ondanks deze wetenschap heeft appellante tijdens het huwelijk wekelijks een bedrag aan leefgeld van haar voormalig echtgenoot ontvangen en geaccepteerd en heeft zij op verzoek van haar voormalig echtgenoot diverse malen stukken ondertekend ten behoeve van door hem te ontplooien of ontplooide activiteiten. Desgevraagd heeft appellante erkend dat zij reeds ten tijde van het huwelijk wist dat bepaalde transacties onder haar naam aangegaan moesten worden, omdat deze transacties -in verband met zijn criminele activiteiten- niet op naam van haar voormalig echtgenoot konden worden afgesloten. Het hof acht het daarom hoogst onwaarschijnlijk dat appellante niet heeft vermoed dat op haar naam schulden werden aangegaan ten behoeve van de criminele activiteiten van haar voormalig echtgenoot. Indien en voor zover appellante werkelijk niet op de hoogte was van de gang van zaken, vormt dat geen verontschuldiging, nu appellante met de ondertekening van de stukken geacht werd op de hoogte te zijn van de inhoud daarvan en zij met het ondertekenen de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de stukken heeft aanvaard. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat appellante ten aanzien van het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw is geweest.

Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WG

29 november 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200501079

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[Naam appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [X.],

procureur: mr. G.S. Ong Sien Gwan.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 3 oktober 2005, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 11 oktober 2005, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2005. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [X.], bijgestaan door mr. S.A.R.C.W. Munsters.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de productie, overgelegd bij het beroepschrift;

- de stukken van de eerste aanleg, afkomstig van de griffie van de rechtbank Breda;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 september 2005.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de verklaring ex art. 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 27 juni 2005 E. 184.314,22, waaronder een aanzienlijke schuld aan de belastingdienst en schulden aan de Finatabank en aan de Rabobank. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat de schuldensituatie onzeker is en [X.] daarnaast een negatieve aflossingscapaciteit heeft.

Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.

4.1.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van art. 288 lid 2 sub b Fw overwogen, dat aannemelijk is dat [X.] ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest.

4.1.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

[X.] is getrouwd geweest met een crimineel en zij wist dat. [X.] heeft stukken ondertekend zonder te weten waarvoor zij tekende. De schulden die hierdoor zijn ontstaan zijn niet te goeder trouw ontstaan.

4.2. [X.] heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat het bestreden vonnis op basis van onjuiste gegevens tot stand is gekomen en dat het vonnis gebrekkig is gemotiveerd, nu uit het vonnis niet valt af te leiden dat de rechtbank in de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling rekening heeft gehouden met alle relevante omstandigheden van [X.].

Ter zitting van het hof heeft [X.] in dat verband onder meer naar voren gebracht dat zij eerst na de echtscheiding van de heer Janssen in 2003 tot de ontdekking is gekomen dat er sprake was van een schuldenlast op haar naam ten bedrage van circa E. 180.000,- en dat haar voormalig echtgenoot deze schulden waarschijnlijk heeft veroorzaakt. [X.] heeft voorts aangevoerd dat het feit dat de schulden op haar naam zijn gesteld voortvloeit uit het feit dat zij tijdens het huwelijk op verzoek van haar voormalig echtgenoot een aantal stukken heeft ondertekend, terwijl zij daarnaast op huwelijkse voorwaarden met haar voormalig echtgenoot was gehuwd.

4.3. Het hof is van oordeel dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd op grond van het volgende.

4.3.1. Ter zitting heeft [X.] erkend dat zij tijdens het huwelijk wist dat haar voormalig echtgenoot geen inkomsten uit reguliere werkzaamheden genoot, maar dat hij zich bezig hield met criminele activiteiten. Ondanks deze wetenschap heeft [X.] tijdens het huwelijk wekelijks een bedrag aan leefgeld van haar voormalig echtgenoot ontvangen en geaccepteerd en heeft zij op verzoek van haar voormalig echtgenoot diverse malen stukken ondertekend ten behoeve van door hem te ontplooien of ontplooide activiteiten. Desgevraagd heeft [X.] erkend dat zij reeds ten tijde van het huwelijk wist dat bepaalde transacties onder haar naam aangegaan moesten worden, omdat deze transacties -in verband met zijn criminele activiteiten- niet op naam van haar voormalig echtgenoot konden worden afgesloten. Het hof acht het daarom hoogst onwaarschijnlijk dat [X.] niet heeft vermoed dat op haar naam schulden werden aangegaan ten behoeve van de criminele activiteiten van haar voormalig echtgenoot. Indien en voor zover [X.] werkelijk niet op de hoogte was van de gang van zaken, vormt dat geen verontschuldiging, nu [X.] met de ondertekening van de stukken geacht werd op de hoogte te zijn van de inhoud daarvan en zij met het ondertekenen de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de stukken heeft aanvaard. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat [X.] ten aanzien van het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw is geweest.

Voorts heeft [X.] verklaard dat zij na de echtscheiding in 2003 heeft vernomen dat er onroerend goed op haar naam stond, dat zij zich vervolgens tot de gebruiker van dat pand heeft gewend met het verzoek de huur van dat pand voortaan aan haar te betalen en dat zij tot aan de openbare verkoop van dat pand circa E. 1.000,- per maand heeft ontvangen. Dit bedrag heeft [X.] volgens haar eigen verklaring aangewend ter bestrijding van de kosten van haar levensonderhoud en dat van haar kinderen. Het hof leidt uit deze verklaringen van [X.] af dat zij in de periode dat zij op de hoogte was het feit dat er een onroerende zaak op haar naam stond, heeft nagelaten te voldoen aan de op dat pand rustende financiƫle verplichtingen, op grond waarvan het hof van oordeel is dat [X.] ten aanzien van het onbetaald laten van deze hypotheekschuld niet te goeder trouw is geweest.

Tenslotte is gebleken dat [X.], die thans 37 jaar is en twee kinderen van 11 jaar en 18 jaar heeft, zich na het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 1 april 2003 geen enkele inspanning heeft getroost om inkomsten uit arbeid te verwerven, teneinde een begin te maken met de aflossing van de schulden. [X.] heeft zich de belangen van de schuldeisers derhalve onvoldoende aangetrokken, terwijl zij niet heeft gesteld, noch is gebleken dat zij niet in staat zou zijn betaalde werkzaamheden te verrichten.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Lamers, Van Soest-Van Dijkhuizen en Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 november 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.