Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU6778

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-11-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
R200500640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof ’s-Hertogenbosch 8 november 2005, hoger beroep bij voorlopige voorzieningen.

Artikel 824 Rv bepaalt dat tegen de op grond van artikel 822 Rv gegeven beschikkingen inzake voorlopige voorzieningen geen hogere voorzieningen open staan, behoudens cassatie in het belang der wet. Blijkens vaste jurisprudentie kan evenwel deze uitsluiting worden doorbroken en wel voorzover erover wordt geklaagd dat de rechter met zijn beslissing buiten het toepassinggebied van het betreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Nu de vrouw stelt dat de rechtbank artikel 826 Rv onjuist dan wel ten onrechte heeft toegepast, is zij ontvankelijk in haar beroep.

Een voorlopige voorziening kan krachtens het bepaalde in artikel 821 lid 1 Rv worden gevraagd tot het tijdstip waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Op grond van artikel 826 Rv verliest een voorlopige voorziening haar kracht zodra de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, in dit geval 30 maart 2005. De bijzondere bepalingen die overigens in lid 1 van artikel 826 Rv zijn gegeven zijn in dit geval niet van belang. De vrouw heeft de duur van de gevraagde voorlopige voorziening in hoger beroep beperkt tot genoemde datum van 30 maart 2005.

De vrouw heeft de voorlopige voorziening gevraagd vanaf 1 december 2004, derhalve een datum gelegen vóór de inschrijving van de echtscheiding. De rechtbank heeft de vrouw derhalve ten onrechte met een beroep op artikel 826 Rv niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SB

8 november 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500640

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Ven,

t e g e n

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.E. Lenglet.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 18 mei 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 juni 2005, heeft de vrouw verzocht:

- voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man tot voorziening in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van E. 5.000,00, zijnde vier maanden E. 1.250,00, aan de vrouw voldoet binnen tien dagen na betekening van de in dezen te wijzen beschikking, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot de dag van betaling;

- te bepalen dat de kosten van de procedure geheel voor rekening van de man komen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 1 juli 2005, heeft de man verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen en de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2005. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en verweerschrift.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op [huwelijksjaar] met elkaar gehuwd.

De tussen hen gewezen echtscheidingsbeschikking van 8 december 2004 van de rechtbank Roermond is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 30 maart 2005.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot het bepalen van voorlopige voorzieningen. De rechtbank verwijst daarvoor naar artikel 826 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De vrouw kan zich hier niet mee verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

Ontvankelijkheid

4.3. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet ontvankelijk heeft verklaard door het onjuist dan wel ten onrechte toepassen van artikel 826 Rv.

4.4. Het hof oordeelt als volgt.

Artikel 824 Rv bepaalt dat tegen de op grond van artikel 822 Rv gegeven beschikkingen inzake voorlopige voorzieningen geen hogere voorzieningen open staan, behoudens cassatie in het belang der wet. Blijkens vaste jurisprudentie kan evenwel deze uitsluiting worden doorbroken en wel voorzover erover wordt geklaagd dat de rechter met zijn beslissing buiten het toepassinggebied van het betreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Nu de vrouw stelt dat de rechtbank artikel 826 Rv onjuist dan wel ten onrechte heeft toegepast, is zij ontvankelijk in haar beroep.

Een voorlopige voorziening kan krachtens het bepaalde in artikel 821 lid 1 Rv worden gevraagd tot het tijdstip waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Op grond van artikel 826 Rv verliest een voorlopige voorziening haar kracht zodra de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, in dit geval 30 maart 2005. De bijzondere bepalingen die overigens in lid 1 van artikel 826 Rv zijn gegeven zijn in dit geval niet van belang. De vrouw heeft de duur van de gevraagde voorlopige voorziening in hoger beroep beperkt tot genoemde datum van 30 maart 2005.

De vrouw heeft de voorlopige voorziening gevraagd vanaf 1 december 2004, derhalve een datum gelegen vóór de inschrijving van de echtscheiding. De rechtbank heeft de vrouw derhalve ten onrechte met een beroep op artikel 826 Rv niet-ontvankelijk verklaard.

Voorlopige voorzieningen

4.5. Tussen partijen staat vast dat de man vanaf het uit elkaar gaan van partijen medio 2001 tot 1 december 2004 aan de vrouw een bedrag van E. 1.250,00 netto per maand aan partneralimentatie heeft voldaan. De man heeft zonder nadere aankondiging deze betaling stopgezet. Vaststaat dat de vrouw vanaf het moment van stopzetting gepoogd heeft in onderling overleg tot hervatting van de maandelijkse betaling te komen. Gezien het voorgaande acht het hof het redelijk de voorlopige voorzieningen met ingang van 1 december 2004 vast te stellen en niet, zoals de man stelt, vanaf de datum van het verzoekschrift van de vrouw te weten 8 maart 2005.

4.6. Vervolgens is de vraag welke bijdrage in het levensonderhoud de man aan de vrouw dient te voldoen. Ter zitting zijn partijen het eens geworden over de behoefte van de vrouw en hebben zij die behoefte op E. 2.305,00 netto per maand gesteld. Hierin is een bedrag van E. 655,00 aan maandelijkse woonlasten begrepen, die de vrouw in de periode vanaf 1 december 2004 niet had, aangezien de man alle woonlasten van de vrouw voor zijn rekening nam. Daarnaast heeft de vrouw ter zitting gesteld dat zij E. 700,00 netto per maand aan inkomsten uit arbeid ontvangt, zodat zij een aanvullende behoefte heeft van E. 950,00 netto per maand of wel globaal E. 1.430,00 bruto per maand, hetgeen het hof ook redelijk acht.

4.7. Het hof zal de beschikking, waarvan beroep, derhalve vernietigen.

4.8. Het hof zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot de wettelijke rente afwijzen nu de wettelijke rente eerst aan de orde kan komen vanaf het moment dat de vordering definitief is vastgesteld, hetgeen voor het wijzen van de onderhavige beslissing nog niet het geval was.

4.9. De proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man in het kader van voorlopige voorzieningen aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een brutobedrag van E. 5.720,00, zijnde vier maanden van E. 1.430,00 per maand, te voldoen binnen tien dagen na betekening van deze beschikking;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Kranenburg en Hompus en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 november 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.