Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5725

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2005
Datum publicatie
07-11-2005
Zaaknummer
03/01680
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Heeft het onder 2.2 vermelde verlengen van de pluimveestallen geleid tot een levering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet?

II. Zo neen, komt dan, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 17 mei 2001, nr. C-322/99 en C-323/99, inzake Fischer en Brandenstein, onder meer gepubliceerd in V-N 2001/32.21, de aftrek van de aan belanghebbende ter zake van deze verlenging in rekening gebrachte omzetbelasting toch voor herziening in aanmerking?

III. Zo neen, kan belanghebbende aan noot 2 bij paragraaf 1 van de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 27 november 2002, nr. CPP 2002/2258M, onder meer gepubliceerd in NTFR 2002/1880, het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de aftrek van de ter zake van de verlenging van de pluimveestallen aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting voor herziening in aanmerking komt?

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/37.16 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/01680

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de vennootschap onder firma X V.o.f. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals het Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen ZZ van die dienst, de tot 1 januari 2003 ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar over het tijdvak 14 april 2000 tot en met 31 december 2000 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, aanslagnummer 000.000.000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde naheffingsaanslag is met dagtekening 31 januari 2003 opgelegd tot een bedrag van € 1.779,=. Na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur die aanslag bij uitspraak van 31 mei 2003 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 232,=. De Inspecteur heeft het beroep bij verweerschrift bestreden.

1.2. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 10 juni 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer drs. B FB, als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer mr. J. en mevrouw mr. V, allen verbonden aan het kantoor te Q van A Accountants-Belastingadviseurs-Juristen, alsmede, namens de Inspecteur, de heer T., verbonden aan het vorengenoemde onderdeel van de rijksbelastingdienst.

Belanghebbende heeft tijdens deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Bij deze pleitnota heeft belanghebbende, met toestemming van de Inspecteur, een kopie overgelegd van een bouwtekening van na te melden verlenging van na te melden pluimveestallen.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen tijdens het onderzoek ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Belanghebbende houdt zich hoofdzakelijk bezig met het opfokken van slachtkuikens. Daarnaast teelt zij op bescheiden schaal asperges. Zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Tot 14 april 2000 was op belanghebbende de zogeheten landbouwregeling van artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet van toepassing. Met ingang van deze datum heeft zij er voor geopteerd om op normale wijze in de heffing van omzetbelasting te worden betrokken.

2.2. Tot 1998 dreef belanghebbende haar pluimveehouderij in drie, op betrekkelijk korte afstand evenwijdig aan elkaar gelegen pluimveestallen, elk met een breedte van 14 meter en een lengte van 65 meter. In 1998 heeft zij deze stallen met 16,30 meter laten verlengen. De daken van deze verlengingen verschillen wat kleur betreft van de reeds bestaande daken. In de (verlengde) stallen bestaat geen (af)scheiding tussen het oude en het nieuwe gedeelte. De totale bouwkosten, met inbegrip van de kosten van de bouwaanvragen, van deze verlengingen bedroegen, exclusief omzetbelasting, fl. 312.012,=. Belanghebbende heeft deze kosten op haar balans geactiveerd. Zij schrijft niet afzonderlijk op deze kosten af, doch zij schrijft met een zogeheten mengpercentage van 6% af op de totale bouwkosten van de verlengde stallen.

Als gevolg van het verlengen van de stallen kan belanghebbende de slachtkuikens met een gemiddeld hoger gewicht leveren.

2.3. Overeenkomstig de door belanghebbende bij haar desbetreffende aangiften gedane verzoeken heeft de Inspecteur belanghebbende over het tijdvak 14 april 2000 tot en met 30 juni 2000, alsmede over het vierde kwartaal 2000, teruggaaf van omzetbelasting verleend ten bedrage van onderscheidenlijk € 2.743,= en € 8.410,=. Over het derde kwartaal 2000 heeft belanghebbende op aangifte een bedrag van € 1.249,= aan omzetbelasting voldaan.

2.4. Bij door haar als suppletie-aangifte aangeduid schrijven van 1 maart 2002 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om een aanvullende teruggaaf over de periode 14 april 2000 tot en met 31 december 2000 ten bedrage van € 3.773,=. Bij de berekening van dit bedrag heeft belanghebbende in verband met de omstandigheid dat zij met ingang van 14 april 2000 op normale wijze in de heffing van omzetbelasting wordt betrokken, op grond van de in artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 vervatte herzieningsregeling aanspraak gemaakt op aftrek van een bedrag van in totaal € 2.248,= aan in de jaren 1996 tot en met 1999 aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting, waaronder € 1.779,= ter zake van de onder 2.2 vermelde verlenging van de pluimveestallen aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting.

Bij beschikking van 21 juni 2002 heeft de Inspecteur belanghebbende de verzochte teruggaaf verleend. Hij heeft zich daarbij het recht voorbehouden om op deze teruggaaf terug te komen als de conclusies van collegiaal overleg in zake de mogelijkheid van herziening met betrekking tot de onder 2.2 vermelde verlenging van de pluimveestallen daartoe aanleiding zouden geven.

Nadat de Inspecteur bij brief van 19 augustus 2002 inderdaad op deze teruggaaf was teruggekomen, heeft hij uiteindelijk het standpunt ingenomen dat de aftrek van de ter zake van de onder 2.2 vermelde verlenging van de pluimveestallen aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting niet voor herziening in aanmerking komt. In verband hiermede heeft hij belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur deze aanslag gehandhaafd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Heeft het onder 2.2 vermelde verlengen van de pluimveestallen geleid tot een levering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet?

II. Zo neen, komt dan, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 17 mei 2001, nr. C-322/99 en C-323/99, inzake Fischer en Brandenstein, onder meer gepubliceerd in V-N 2001/32.21, de aftrek van de aan belanghebbende ter zake van deze verlenging in rekening gebrachte omzetbelasting toch voor herziening in aanmerking?

III. Zo neen, kan belanghebbende aan noot 2 bij paragraaf 1 van de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 27 november 2002, nr. CPP 2002/2258M, onder meer gepubliceerd in NTFR 2002/1880, het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de aftrek van de ter zake van de verlenging van de pluimveestallen aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting voor herziening in aanmerking komt?

Belanghebbende is van oordeel dat al deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord, de Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de onder 1.2 vermelde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Niet wordt gesteld dat het verlengen van de pluimveestallen heeft geleid tot de vervaardiging van, van de oude stallen te onderscheiden, (nieuwe) pluimveestallen. Wel wordt alsnog gesteld dat het verlengen van de pluimveestallen heeft geleid tot een levering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet.

Anders dan gesteld in punt 24, midden, van de motivering van het beroepschrift van 11 september 2003 wordt in artikel 20, lid 4, van de Zesde richtlijn aan de lid-staten niet de opdracht gegeven, doch slechts de bevoegdheid verleend, om alle passende maatregelen te nemen om te verzekeren dat de herziening geen ongerechtvaardigde voordelen inhoudt.

Het eveneens in dit punt gedane beroep op artikel 20, lid 6, van de Zesde richtlijn wordt ingetrokken.

Met betrekking tot de proceskosten wordt uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief.

De Inspecteur

Betwist wordt dat het verlengen van de pluimveestallen heeft geleid tot een levering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of het verlengen van de pluimveestallen heeft geleid tot een levering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet.

4.2. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de door het verlengen van die stallen ontstane gedeelten enige zelfstandigheid bezitten of tijdens hun bouw hebben bezeten. De omstandigheden dat de daken van deze gedeelten wat hun kleur betreft (enigszins) verschillen van de reeds bestaande daken en dat de verlenging van de stallen in die zin tot een capaciteitsuitbreiding heeft geleid dat belanghebbende de slachtkuikens met een gemiddeld hoger gewicht ka n leveren, kan daar niet aan afdoen. Gelet op vorenstaand oordeel heeft het verlengen van de stallen -net zo min als tot een (op)levering als bedoeld in onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel h, van artikel 3, eerste lid, van de Wet- niet tot een levering als bedoeld in onderdeel f van dat lid geleid. Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 1991, BNB 1992/44.

De in de omschrijving van het geschil onder I vermelde vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord.

4.3. Alsdan betreft het geschil vervolgens de vraag of, gelet op het arrest van het Hof van Justitie inzake Fischer en Brandenstein, de aftrek van de aan belanghebbende ter zake van de verlenging van de pluimveestallen in rekening gebrachte omzetbelasting toch voor herziening in aanmerking komt.

4.4. Naar het oordeel van het Hof faalt belanghebbendes beroep op het bepaalde in artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn en de daaraan door het Hof van Justitie in zijn evengenoemde arrest gegeven uitleg, nu die bepaling uitsluitend betrekking heeft op het geval waarin een belastingplichtige een goed aan zijn bedrijf onttrekt -welk geval te dezen niet aan de orde is- en die bepaling voor het overige geen uitbreiding geeft aan het leveringsbegrip zoals elders in artikel 5 van de Zesde richtlijn gedefinieerd, met welk leveringsbegrip het bepaalde in artikel 3 van de Wet in overeenstemming is. Bovendien heeft het Hof van Justitie in punt 63 van evengenoemd arrest uitdrukkelijk overwogen dat diensten -waarvan te dezen, mede gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, sprake is- geen bestanddelen in de zin van artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn kunnen zijn.

4.5. Naar het oordeel van het Hof faalt eveneens belanghebbendes beroep op het bepaalde in artikel 20, lid 1, aanhef en sub b, van de Zesde richtlijn en hetgeen het Hof van Justitie daaromtrent in de punten 88 tot en met 95 van zijn vorengenoemde arrest heeft overwogen, nu die bepaling de lid-staten weliswaar ook ten aanzien van diensten verplicht tot herziening van de oorspronkelijk toegepaste aftrek indien zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het bedrag van de aftrek, doch de lid-staten vrijlaat in het vaststellen van de wijze waarop die herziening geschiedt en het bepaalde in artikel 20, lid 4 en lid 6, van de Zesde richtlijn ook overigens een grote vrijheid aan de lid-staten laat.

Aan de verplichting tot de in artikel 20, lid 1, aanhef en sub b, van de Zesde richtlijn bedoelde herziening van de oorspronkelijk toegepaste aftrek ter zake van diensten heeft Nederland voldaan met het bepaalde in artikel 15, vierde lid, van de Wet jo. artikel 12, tweede en derde lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen, moet ook de in de omschrijving van het geschil onder II vermelde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.7. Alsdan betreft het geschil tenslotte de vraag of belanghebbende aan noot 2 bij paragraaf 1 van de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 27 november 2002, nr. CPP 2002/2258M, het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de aftrek van de ter zake van de verlenging van de pluimveestallen aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting voor herziening in aanmerking komt.

4.8. Aan de enkele omstandigheid dat in evenvermelde resolutie is vermeld dat moet worden aangenomen dat de door de ondernemer ten aanzien van een investeringsgoed gemaakte keuze om dat goed geheel of ten dele tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen of geheel in zijn privé-vermogen op te nemen, tevens voor de later in dat goed te integreren bestanddelen geldt, dat onder bestanddelen in dit verband zijn te verstaan goederen die door hun integratie in het investeringsgoed hun fysieke en economische kenmerken definitief hebben verloren en hebben geleid tot een duurzame waardevermeerdering van dat goed en dat in dit verband in deze resolutie wordt verwezen naar punt 70 van het arrest van het Hof van Justitie inzake Fischer en Brandenstein, kan belanghebbende, mede gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen, naar het oordeel van het Hof geen te dezen relevant vertrouwen ontlenen.

Ook de in de omschrijving van het geschil onder III vermelde vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord.

4.9. Gelet op het vorenstaande moeten alle in de omschrijving van het geschil vermelde vragen ontkennend worden beantwoord. Voor dat geval is niet in geschil dat de onderhavige naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het beroep is mitsdien ongegrond.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. Nu het beroep ongegrond is en bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

De Inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

5.2. Het Hof vindt geen aanleiding om met gebruikmaking van de hem in artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht verleende bevoegdheid te bepalen dat het door belanghebbende voor deze zaak betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en G.D. van Norden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 september 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 9 september 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.