Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5250

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2005
Datum publicatie
01-11-2005
Zaaknummer
03/00806
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AY9471, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AY9471
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opgelegde vergrijpboete op basis van artikel 28 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Inspecteur bestrijdt vrijwillige verbetering van de voordien ingediende eindaangifte. Het hof beslist anders:

In het onderhavige geval heeft belanghebbende in zijn brief van 13 juni 2002 aan de Inspecteur schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat en tot welk bedrag het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering overtreft, vóórdat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Inspecteur bekend was of zou worden met dat feit. Aldus heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof een vrijwillige verbetering gedaan in de zin van paragraaf 28, derde lid, in verbinding met paragraaf 30, tweede lid, tweede volzin van het BBBB 1998. Gelet op de zojuist genoemde bepalingen in het BBBB 1998 kan de vergrijpboete niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/34.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/00806

HET GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 1 over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van € 5.638,-- aan belasting, € 184,-- aan heffingsrente alsmede bij beschikking een boete van € 1.409,--.

De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 232,--.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad ter zitting van de negende enkelvoudige belastingkamer van het hof op 11 maart 2005 te Eindhoven. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende de heer A, alsmede de Inspecteur.

1.4. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.5. Het hof heeft daarna met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek heropend en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.6. De negende enkelvoudige belastingkamer van het hof heeft met toepassing van artikel 8:10 van de Algemene wet bestuursrecht de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van het hof.

1.7. Nadat partijen van deze verwijzing op de hoogte waren gesteld hebben zij het hof toestemming verleend om zonder nadere zitting op het beroep te beslissen.

1.8. Vervolgens heeft het hof het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Bij beschikking van 20 februari 2001 is aan belanghebbende een S&O-verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wet). Deze verklaring is van toepassing op S&O-werkzaamheden verricht in het kalenderjaar 2001. Volgens de S&O-verklaring bedraagt de maximaal door belanghebbende toe te passen S&O-afdrachtvermindering € 16.518,--.

2.2. In haar vier kwartaalaangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2001 heeft belanghebbende in totaal € 16.518,-- aan voorlopige afdrachtverminderingen speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in mindering gebracht op de door haar af te dragen loonbelasting en premie volksverzekering.

2.3. Gedagtekend 15 april 2002 heeft belanghebbende een aangifte gedaan als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet. Volgens die aangifte was het bedrag aan toe te passen afdrachtvermindering S&O gelijk aan de voorlopige S&O-afdrachtverminderingen. Derhalve resulteerde deze aangifte niet in een te betalen of terug te vragen bedrag.

2.4. Bij brief van 13 juni 2002, ontvangen ten kantore van de Inspecteur op 18 juni 2002, heeft belanghebbende de op 15 april 2002 ingediende aangifte gecorrigeerd. Volgens deze correctie bedroeg de toe te passen afdrachtvermindering S&O (omgerekend in euro’s) € 10.880,-- en diende belanghebbende nog een bedrag te betalen van € 5.638,--. In deze brief verzoekt belanghebbende de Inspecteur om te dezer zake een aanslag op te leggen.

2.5. Vervolgens heeft de Inspecteur op 10 juli 2002 een boekenonderzoek aangekondigd. Dit boekenonderzoek heeft geresulteerd in de onderhavige naheffingsaanslag en boete. De naheffingsaanslag en de boete zien uitsluitend op de afdrachtvermindering S&O en het bedrag van de naheffingsaanslag stemt overeen met het te betalen bedrag volgens de brief van belanghebbende van 13 juni 2002.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de onderhavige boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt zich in dit verband op het standpunt dat:

a. de brief van 13 juni 2002 moet worden opgevat als een vrijwillige verbetering in de zin van paragraaf 28, derde lid, van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998), waardoor geen vergrijpboete kan worden opgelegd,

b. op grond van het gelijkheidsbeginsel slechts een verzuimboete van ten hoogste 1 percent van het nageheven bedrag kan worden opgelegd,

c. van grove schuld geen sprake is en daarom een vergrijpboete niet mag worden opgelegd,

d. de hoogte van de boete niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van het feit en daarom gematigd moet worden,

e. de boete moet worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 EVRM.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de boete moet worden gehandhaafd en bestrijdt de hiervoor weergegeven stellingen van belanghebbende.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De brief van 13 juni 2002 moet worden opgevat als een vrijwillige verbetering van de voordien ingediende eindaangifte.

De eindaangifte is onjuist ingediend doordat de accountant pas in een laat stadium de urenadministratie ter zake van de S&O-werkzaamheden gecontroleerd heeft. Die controle had achteraf gezien natuurlijk beter in een eerder stadium plaats kunnen vinden, maar dat is niet gebeurd.

De Inspecteur

Ik bestrijd niet dat de brief van 13 juni 2002 vrijwillig is verzonden. Er was toen nog niet sprake van een boekenonderzoek of iets dergelijks, maar dat is naar mijn mening niet relevant. De boete is opgelegd op basis van artikel 28 van de Wet. De norm ter zake waarvan deze boete wordt opgelegd leent zich niet voor vrijwillige verbetering. De overschrijding van 20 percent staat nu eenmaal vast zodra de laatste kwartaalaangifte is gedaan en de daaraan verbonden opzet of grove schuld ook. De eindaangifte, bedoeld in art. 22, eerste lid van de Wet, doet daar eigenlijk niets meer aan toe of af. Een correctie van die eindaangifte is dan ook niet van belang.

Belanghebbende had in de loop van 2001 de werkelijke S&O-loonkosten volgens de urenverantwoording moeten leggen naast de raming op basis waarvan de S&O-beschikking is afgegeven. Dan had zij al in de loop van 2001 kunnen constateren dat de raming en de werkelijkheid behoorlijk uiteen begonnen te lopen en in de volgende kwartaalaangiften de aanspraak op vermindering op basis van de werkelijkheid kunnen bijstellen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en de boetebeschikking, althans tot vermindering van de opgelegd boete, en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Volgens artikel 28 van de Wet kan de Inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100 percent van het verschil tussen het totaal der voorlopige S&O-afdracht-verminderingen en het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering indien het aan de opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat over een kalenderjaar het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering met twintig percent of meer overschrijdt.

4.2. Volgens paragraaf 30, tweede lid, tweede volzin van het BBBB 1998 zijn de paragrafen 25 en 28 van het BBBB 1998 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de op grond van artikel 28 van de Wet op te leggen vergrijpboeten.

4.3. Volgens paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998 legt de Inspecteur geen vergrijpboete op indien de belanghebbende schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de Inspecteur dat en tot welk bedrag de op aangifte te betalen belasting niet of gedeeltelijk niet is betaald, vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Inspecteur bekend is of zal worden met dat feit.

4.4. In het onderhavige geval heeft belanghebbende in zijn brief van 13 juni 2002 aan de Inspecteur schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat en tot welk bedrag het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering overtreft, vóórdat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de Inspecteur bekend was of zou worden met dat feit. Aldus heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof een vrijwillige verbetering gedaan in de zin van paragraaf 28, derde lid, in verbinding met paragraaf 30, tweede lid, tweede volzin van het BBBB 1998. Gelet op de zojuist genoemde bepalingen in het BBBB 1998 kan de vergrijpboete niet in stand blijven.

4.5. De Inspecteur heeft nog betoogd dat de regeling voor vrijwillige verbetering zich niet leent voor toepassing bij vergrijpen als bedoeld in artikel 28 van de Wet. Hij stelt daartoe dat het onmogelijk is achteraf de feiten te verbeteren op grond waarvan deze vergrijpboete wordt opgelegd, te weten het aantal gewerkte S&O-uren en de daaruit voortvloeiende S&O-afdrachtvermindering en de totaal geclaimde voorlopige S&O-afdrachtvermindering. Het hof kan de Inspecteur echter niet volgen in zijn gedachtegang omdat de vrijwillige verbetering niet ziet op de verbetering van de feiten die als het vergrijp worden gekwalificeerd, maar op het vrijwillig kenbaar maken van die feiten. Niet valt in te zien waarom de bijzondere kenmerken van het vergrijp van artikel 28 van de Wet eraan in de weg zouden staan dat de feiten die te zamen het vergrijp opleveren, niet vrijwillig kenbaar kunnen worden gemaakt in de zin van paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998.

4.6. Het voorgaande brengt mee dat de opgelegde vergrijpboete niet in stand kan blijven.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Daarbij wordt uitgegaan van drie samenhangende zaken waarin belanghebbenden geheel of gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft naast de onderhavige zaak de zaken met nr. 03/00804 ten name van D B.V. en 03/00805 ten name van E B.V.

Het hof stelt de kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 1.207,50. Het hof acht geen termen aanwezig om in dit geval af te wijken van het puntenstelsel dat is neergelegd in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Het hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 1.207,50: 3 = € 402,50.

7. Beslissing

Het hof:

? verklaart het beroep gegrond,

? vernietigt de bestreden uitspraak

? vernietigt de boetebeschikking,

? gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,--,

? veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 402,50, en

? wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de schade, het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, voorzitter, C.A.F.M. Stassen en

W. Brouwer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.M.C. Hendriks, griffier, in het openbaar uitgesproken op:

13 oktober 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 oktober 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.