Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5234

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2005
Datum publicatie
31-10-2005
Zaaknummer
20-003650-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze verweren vinden hun weerlegging reeds in het feit dat uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat op 17 augustus 2002 door verbalisanten is geconstateerd dat op het bedrijf van verdachte vloeibare mest uit een aantal uit de grond stekende pijpen over de omliggende bodem stroomde. Voorts is er op 11 november 2002 door verbalisanten geconstateerd dat diverse beluchtingspijpen vol met gier stonden, vermengd met hemelwater en dat de omliggende bodem eveneens bedekt was met gier vermengd met hemelwater, terwijl op 17 augustus 2002 en op 6 februari 2003 is geconstateerd dat de pijpen in verbinding staan met het ventilatiekanaal van de varkenstallen waarin mest vermengd met hemelwater werd waargenomen. Op 6 februari 2003 zijn er op het land achter de varkensstallen (opnieuw) plassen vermengd met vloeibare mest aangetroffen. Op welke wijze deze mest in het ventilatiekanaal en daarna in de pijpen terecht is gekomen is daarbij niet relevant.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming 13
Wet milieubeheer 18.18
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003650-04

Uitspraak : 14 oktober 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de Rechtbank Roermond van 13 november 2003 in de strafzaak met parketnummer 04-069144-03 tegen:

[verdachte],

statutair gevestigd te [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte terzake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van EUR 3.500,-..

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij op of omstreeks 17 augustus 2002 in de gemeente Helden, al dan niet opzettelijk, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten meststoffen op of in de bodem heeft gebracht, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, en/of na het zich voordoen van die verontreiniging en/of aantasting niet de bodem heeft gesaneerd of de directe gevolgen daarvan heeft beperkt en zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt;

en/of

zij op of omstreeks 17 augustus 2002 in de gemeente Helden, al dan niet opzettelijk, zich heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning voor het in werking hebben van een op perceel Ontginningsweg gelegen varkensfokkerij en vleesvarkenshouderij, immers heeft zij meststoffen op of in de bodem gebracht, waardoor verontreiniging van de bodem is opgetreden (in strijd met voorschrift 8.1.1);

2. zij op of omstreeks 11 november 2002 in de gemeente Helden, al dan niet opzettelijk, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten meststoffen op of in de bodem heeft gebracht, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen en/of na het zich voordoen van die verontreiniging en/of aantasting niet de bodem heeft gesaneerd of de directe gevolgen daarvan heeft beperkt en zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt;

en/of

zij op of omstreeks 11 november 2002 in de gemeente Helden, al dan niet opzettelijk, zich heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning voor het in werking hebben van een op perceel Ontginningsweg 30 gelegen varkensfokkerij en vleesvarkenshouderij, immers heeft zij meststoffen op of in de bodem gebracht, waardoor verontreiniging van de bodem is opgetreden (in strijd met voorschrift 8.1.1);

3. zij op of omstreeks 6 februari 2003 in de gemeente Helden, al dan niet opzettelijk, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten meststoffen op of in de bodem heeft gebracht, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen en/of na het zich voordoen van die verontreiniging en/of aantasting niet de bodem heeft gesaneerd of de directe gevolgen daarvan heeft beperkt en zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt;

en/of

zij op of omstreeks 6 februari 2003 in de gemeente Helden, al dan niet opzettelijk, zich heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning voor het in werking hebben van een op perceel Ontginningsweg 30 gelegen varkensfokkerij en vleesvarkenshouderij, immers heeft zij meststoffen op of in de bodem gebracht, waardoor verontreiniging van de bodem is opgetreden (in strijd met voorschrift 8.1.1).

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. zij op of omstreeks 17 augustus 2002 in de gemeente Helden, opzettelijk, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten meststoffen op of in de bodem heeft gebracht, terwijl zij wist dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en aantasting te voorkomen, en na het zich voordoen van die verontreiniging en aantasting niet de bodem heeft gesaneerd of de directe gevolgen daarvan heeft beperkt en zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt;

en

zij op of omstreeks 17 augustus 2002 in de gemeente Helden, opzettelijk, zich heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning voor het in werking hebben van een op perceel Ontginningsweg gelegen varkensfokkerij en vleesvarkenshouderij, immers heeft zij meststoffen op of in de bodem gebracht, waardoor verontreiniging van de bodem is opgetreden (in strijd met voorschrift 8.1.1);

2. zij op of omstreeks 11 november 2002 in de gemeente Helden, opzettelijk, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten meststoffen op of in de bodem heeft gebracht, terwijl zij wist dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en aantasting te voorkomen en na het zich voordoen van die verontreiniging en aantasting niet de bodem heeft gesaneerd of de directe gevolgen daarvan heeft beperkt en zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt;

en

zij op of omstreeks 11 november 2002 in de gemeente Helden, opzettelijk, zich heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan een krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunning voor het in werking hebben van een op perceel Ontginningsweg 30 gelegen varkensfokkerij en vleesvarkenshouderij, immers heeft zij meststoffen op of in de bodem gebracht, waardoor verontreiniging van de bodem is opgetreden (in strijd met voorschrift 8.1.1);

3. zij op of omstreeks 6 februari 2003 in de gemeente Helden, opzettelijk, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten meststoffen op of in de bodem heeft gebracht, terwijl zij wist dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en aantasting te voorkomen en na het zich voordoen van die verontreiniging en aantasting niet de bodem heeft gesaneerd of de directe gevolgen daarvan heeft beperkt en zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op de gronden als verwoord in zijn pleitaantekeningen, betoogd dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Deze gronden houden - zakelijk weergegeven - het volgende in.

A. Het kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte telkens opzettelijk mest op of in de bodem heeft gebracht. Immers:

A1. het is niet mogelijk dat er mest in het ventilatiekanaal is gekomen. De in dat kanaal aangetroffen substantie kan dan ook geen mest zijn;

A2. het is technisch onmogelijk dat er mest, zo daar al sprake van zou zijn, door de met het ventilatiekanaal in verbinding staande beluchtingsbuizen op het akkerland van verdachte zou zijn uitgevloeid;

A3. de resultaten van de monsterneming van de op 11 november 2002 aangetroffen substantie, als gerelateerd in het aanvullend proces-verbaal, zijn niet betrouwbaar en mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Het is namelijk niet geloofwaardig dat de betreffende verbalisant deze - voor verdachte belastende - onderzoeksresultaten niet in het oorspronkelijke proces-verbaal heeft gerelateerd omdat hij - volgens zijn zeggen - op de genoemde datum al organoleptisch en visueel had vastgesteld dat deze substantie mest betrof;

A4. van de op 17 augustus 2002 en 6 februari 2003 aangetroffen substantie zijn geen monsters genomen, zodat niet objectief is vast te stellen of deze substantie inderdaad mest betrof. Weliswaar heeft de betreffende verbalisant beide keren op basis van de kleur en geur geconcludeerd dat het mest was, maar het is niet uitgesloten dat het telkens water betrof, dat door de humus/moer in de grond bruin van kleur was geworden. De "mestgeur" die de verbalisant heeft geroken zou het "aroma" van de varkens kunnen zijn;

B. Als verdachte al mest op of in de bodem zou hebben gebracht, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat daardoor de bodem is of kon worden verontreinigd en aangetast;

C. Voorzover er al bewijs is dat verdachte mest op of in de bodem heeft gebracht en dat daardoor de bodem kon worden verontreinigd en aangetast, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte dat opzettelijk heeft gedaan. De mest - zo daar al sprake van is - is door een onbekende oorzaak in het ventilatiekanaal terecht gekomen. Verder zijn de pijpen die op het ventilatiekanaal zijn aangesloten aangelegd ter be- en/of ontluchting en niet om bewust vloeibare mest op het akkerland te laten vloeien.

Bovendien heeft verdachte, na overleg met de gemeente, eind november 2002 maatregelen genomen om bodemverontreiniging te voorkomen. Zo heeft verdachte onder meer een muurtje gemetseld rondom de trekputten, zodat er geen hemelwater in de mestkelder terecht zou kunnen komen.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende.

Ad A1 en A2. Deze verweren vinden hun weerlegging reeds in het feit dat uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat op 17 augustus 2002 door verbalisanten is geconstateerd dat op het bedrijf van verdachte vloeibare mest uit een aantal uit de grond stekende pijpen over de omliggende bodem stroomde. Voorts is er op 11 november 2002 door verbalisanten geconstateerd dat diverse beluchtingspijpen vol met gier stonden, vermengd met hemelwater en dat de omliggende bodem eveneens bedekt was met gier vermengd met hemelwater, terwijl op 17 augustus 2002 en op 6 februari 2003 is geconstateerd dat de pijpen in verbinding staan met het ventilatiekanaal van de varkenstallen waarin mest vermengd met hemelwater werd waargenomen. Op 6 februari 2003 zijn er op het land achter de varkensstallen (opnieuw) plassen vermengd met vloeibare mest aangetroffen. Ten aanzien van de geconstateerde overtreding op 17 augustus 2002 heeft verdachte het door verbalisanten waargenomen uitstromen van mest ook erkend (zie proces-verbaal PL2320/02-004078 d.d. 21 augustus 2002, dossierparagraaf 9, pagina 20). Op welke wijze deze mest in het ventilatiekanaal en daarna in de pijpen terecht is gekomen is daarbij niet relevant.

Ad A3 en A4. Het hof acht reeds op grond van de organoleptische en visuele waarnemingen van de betreffende verbalisanten voldoende aannemelijk dat op 17 augustus 2002, 11 november 2002 en 6 februari 2003 op het bedrijf van verdachte vloeibare mest uit een aantal uit de grond stekende pijpen over de omliggende bodem stroomde. Voor wat betreft de constatering op 17 augustus 2002 worden deze waarnemingen ondersteund door de genoemde verklaring van verdachte waarin hij erkent dat er op zijn bedrijf vloeibare mest uit een aantal uit de grond stekende pijpen over de omliggende bodem stroomde en voor wat betreft de constatering op 11 november 2002 worden deze waarnemingen ondersteund door de resultaten van de monsterneming, waaruit blijkt dat de aangetroffen substantie inderdaad mest moet zijn geweest.

Het hof ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de resultaten van de monsterneming onbetrouwbaar zouden zijn. Deze resultaten kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

B. Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat de bodem wordt verontreinigd en aangetast, wanneer gedurende langere tijd relatief grote hoeveelheden vloeibare varkensmest op een relatief kleine oppervlakte grond worden gebracht, hetgeen wordt gestaafd met hetgeen op 17 augustus 2002 door verbalisanten is geconstateerd, zijnde dat de begroeiing, zowel maïs als gras, zogenaamd "verbrand" was. Voorts zijn in dit verband relevant de analyseresultaten van de op 23 maart 2000 en op 11 november 2002 genomen monsters. Het ammonium-stikstofgehalte bedroeg respectievelijk 1110 mg N/I en 1525 mg N/l, terwijl gehaltes van 1 tot 2 mg N/I als normaal worden beschouwd. Ten aanzien van de van de monsterneming van 23 maart 2000 merkt het hof op dat deze weliswaar is genomen buiten de ten laste gelegde data, maar dat deze niettemin voor het bewijs mede als redengevend kan worden beschouwd, nu de situatie op 23 maart 2000 vrijwel dezelfde was als die op de data genoemd in de ten laste gelegde feiten.

C. Uit het strafdossier blijkt dat al eerder, op 23 maart 2000, was geconstateerd dat op het bedrijf van verdachte vloeibare mest uit de uit de grond stekende pijpen over de omliggende bodem stroomde. Uit de verklaring die verdachte op 21 augustus 2002 heeft afgelegd blijkt dat hij hiervan op de hoogte was en dat hij kennelijk geen (afdoende) maatregelen heeft genomen om herhaling gedurende de ten laste gelegde perioden te voorkomen (zie het reeds eerder aangehaalde proces-verbaal PL2320/02-004078 d.d. 21 augustus 2002, dossierparagraaf 9, pagina 20). Immers, is er op 17 augustus 2002, 11 november 2002 en 6 februari 2003 geconstateerd dat er op zijn bedrijf vloeibare mest uit de uit de grond stekende pijpen over de omliggende bodem stroomde dan wel was gestroomd. Om die reden acht het hof het aan verdachte verweten opzet wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op de grond als verwoord in zijn pleitaantekeningen, betoogd dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten

- indien bewezen - geen strafbare feiten opleveren, zodat verdachte behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Deze grond houdt - kort samengevat - in dat verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 3b van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 [het hof begrijpt: het Besluit gebruik meststoffen] op 17 augustus 2002, 11 november 2002 en 6 februari 2003 mest op of in de bodem mocht brengen, aangezien de bodem op die data niet tegelijkertijd werd bevloeid, beregend of geïnfiltreerd. Bovendien vallen de feiten op 17 augustus 2002 en 6 februari 2003 buiten de in voormeld artikel 3b genoemde periode.

Het hof overweegt het volgende.

Het brengen van mest op of in de bodem is op grond van het Besluit gebruik meststoffen slechts toegestaan indien dat op de in dat besluit omschreven wijze geschiedt. In het onderhavige geval is reeds hierom sprake van overtreding van voormeld besluit, aangezien de mest niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van dat besluit zo gelijkmatig mogelijk werd verspreid over het perceel waarop de meststoffen werden gebruikt - doordat de mest uit de uit de grond stekende pijpen stroomde, concentreerde het zich immers op een relatief klein oppervlak van de bodem - en voorts niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van dat besluit emissiearm werd aangewend.

Het verweer wordt verworpen.

Het bewezen verklaarde onder 1 en 2 is telkens voorzien bij artikel 13 van de Wet bodembescherming juncto artikel 1a (oud), aanhef en onder 1 en artikel 2 (oud), eerste lid van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 (oud), eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten, zulks in verbinding met artikel 51, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

en

bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer juncto artikel 1a (oud), aanhef en onder 1 en artikel 2 (oud), eerste lid van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 (oud), eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten, zulks in verbinding met artikel 51, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien bij artikel 13 van de Wet bodembescherming juncto artikel 1a (oud), aanhef en onder 1 en artikel 2 (oud), eerste lid van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6 (oud), eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet op de economische delicten, zulks in verbinding met artikel 51, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 51, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 13 van de Wet bodembescherming, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten opleveren, telkens:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

in eendaadse samenloop met

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart dat het onder 3 bewezen verklaarde feit oplevert:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. Harmsen, voorzitter,

mrs. Van de Loo en De Lange, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Kroes, griffier,

en op 14 oktober 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.