Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5199

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2005
Datum publicatie
28-10-2005
Zaaknummer
KG C0500041-HE
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AZ3085, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgangspunt vormt, dat de rechter kàn verbieden dat aan een gebod tot rectificatie commentaren worden toegevoegd: HR 2 februari 1990, NJ 1991-291, waarbij voorts werd geoordeeld dat zulks niet in strijd komt met art. 10 EVRM nu een en ander is gebaseerd op (toen nog) art. 1401 BW en dus op de wet, en dat een zodanig verbod tot bijvoegingen of commentaren een ter bereiking van het doel der rectificatie noodzakelijke en toelaatbare beperking vormt. Ook [appellant] gaat hiervan uit.

Uit hetzelfde arrest blijkt voorts, dat niet geëist mag worden dat in een rectificatie tot uiting wordt gebracht dat degene die de rectificatie moet doen, achter de inhoud ervan staat. Voldoende is dat uit de rectificatie blijkt dat de rechter van oordeel is dat er gerectificeerd moet worden. In de grieven ligt besloten, dat een verbod als bedoeld in de eerste volzin van de vorige rechtsoverweging, in verband met art. 10 EVRM, enkel in de vorm van een expliciet verbod gegeven kan worden.

Dat standpunt is onjuist. Daargelaten of, bij gebreke van een expliciet verbod, elke toevoeging of elk commentaar, zou leiden tot de conclusie dat eventueel opgelegde dwangsommen zijn verbeurd, indien de rectificatie vergezeld gaat van dusdanige commentaren dat die rectificatie volledig wordt ontkracht of dat de beschuldigingen onmiddellijk worden herhaald, dan is evident dat de rectificatie zonder inhoud was, en is er in feite niet gerectificeerd. Dit moet dan ook door de steller van de rectificatie-met-commentaar begrepen zijn: zulks was immers zijn bedoeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. ML

rolnr. KG C0500041/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

vijfde kamer, van 27 september 2005,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van

21 december 2004,

procureur: mr. E.C.R.E.M. Corsten,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. A.J. Flipse,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van

23 november 2004 tussen appellant - [naam] - als eiser en geïntimeerde - [naam] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 117785/KGZA 04-680)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daarin genoemde stukken.

2. Het geding in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het verloop van het geding blijkt uit de volgende voor uitspraak overgelegde, als ingelast te beschouwen stukken:

- de appèldagvaarding

- de memorie van grieven met producties

- de memorie van antwoord met producties

- de akte van [appellant]

[appellant] concludeert tot vernietiging van het vonnis en toewijzing alsnog van zijn vorderingen, strekkende - kort gezegd - tot staking van de executie van dwangsommen.

[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de vier grieven zoals geformuleerd in de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2. Op 24 mei 2004 schreef [appellant] een brief van 21 pagina's aan de Commissaris der Koningin in de Provincie Noord-Brabant, met afschrift aan een groot aantal andere instanties waaronder de media, in welke brief [appellant] diverse door hem als zodanig gekwalificeerde misstanden aan de orde stelde. Daarvan waren naar zijn opvatting familieleden van hem de dupe geworden. Als "affaire" 2 wordt op blz. 16 e.v. een kwestie aan de orde gesteld, waarbij het echtpaar [naam], schoonfamilie van [appellant], zou zijn gedupeerd. [geïntimeerde] en [schoonfamilie appellant] waren in onderhandeling getreden met het oog op een overeenkomst met betrekking tot een stuk grond. Notaris [naam] speelde hierbij ook een rol.

In de brief van 24 mei 2004 staan onder meer de volgende passages:

- het gebeuren neemt een aanvang met een poging van [geïntimeerde] en [notaris] om het echtpaar [schoonfamilie appellant] te bedriegen;

- ondanks het feit dat [geïntimeerde] aantoonbaar de ene leugen op de andere stapelde en met name de mislukte misleidingpoging bol staat van onwaarheden;

- [ik heb] in de memorie van grieven [tegen het vonnis van 8 mei 2002] in een zevental punten niet slechts overtuigend aangetoond, maar ook bewezen dat [geïntimeerde] onwaarheid sprak;

- zoals hiervoor aangegeven is ... bewezen dat [geïntimeerde] onder ede onwaarheid sprak.

4.3. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis 9 september 2004 op vordering van [geïntimeerde], die zich hierdoor gegriefd voelde, en oordelende dat de uitlatingen onrechtmatig waren los van de vraag of de verwijten van [appellant] inhoudelijk al dan niet gegrond waren, [appellant] op straffe van een dwangsom gelast tot de gevorderde rectificatie over te gaan, met dien verstande dat de voorzieningenrechter uitdrukkelijk passages zoals "ten onrechte" en "ongegrond/zonder enige grond" heeft geschrapt, daar de procedure niet diende ter vaststelling van de gegrondheid van de verwijten van [appellant] als zodanig. Hij veroordeelde [appellant] tot een rectificatie, door middel van een brief waarvan de tekst (met weglating van minder belangrijke details) luidt:

Op 24 mei 2004 zond ik u een brief. In deze brief heb ik [geïntimeerde] beschuldigd van misleiding, bedrog dan wel poging tot bedrog, van het spreken van onwaarheden en onder ede plegen van meineed.

Op bevel van de voorzieningenrechter rectificeer ik hierbij de beschuldigingen en kwalificaties jegens [geïntimeerde] en bied hem hierbij mijn verontschuldigingen voor dit onrechtmatig handelen jegens hem aan.

een en ander op straffe van een dwangsom van maximaal E. 25.000,--. In het vonnis was niet expliciet bepaald dat deze rectificatie niet vergezeld diende te gaan van enig commentaar.

4.4. Vervolgens heeft [appellant] op 12 september 2004 aan degenen aan wie hij eerder de brief van 24 mei 2004 had gezonden, een brief gezonden, waarin de rectificatie is opgenomen, vergezeld van het nodige commentaar. Passages aangeduid met d, e en f hebben niet rechtstreeks betrekking op de kwestie [geïntimeerde]; passages a, b, c en g wel.

4.5. [geïntimeerde] stelt dat door de toevoegingen [appellant] niet heeft voldaan aan de hem bevolen rectificatie, en maakt aanspraak op de totale verbeurde dwangsom. In dit executiegeschil komt [appellant] daartegen op. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd.

4.6. Het hof bespreekt de grieven gezamenlijk.

4.7. Uitgangspunt vormt, dat de rechter kàn verbieden dat aan een gebod tot rectificatie commentaren worden toegevoegd: HR 2 februari 1990, NJ 1991-291, waarbij voorts werd geoordeeld dat zulks niet in strijd komt met art. 10 EVRM nu een en ander is gebaseerd op (toen nog) art. 1401 BW en dus op de wet, en dat een zodanig verbod tot bijvoegingen of commentaren een ter bereiking van het doel der rectificatie noodzakelijke en toelaatbare beperking vormt. Ook [appellant] gaat hiervan uit.

Uit hetzelfde arrest blijkt voorts, dat niet geëist mag worden dat in een rectificatie tot uiting wordt gebracht dat degene die de rectificatie moet doen, achter de inhoud ervan staat. Voldoende is dat uit de rectificatie blijkt dat de rechter van oordeel is dat er gerectificeerd moet worden.

4.8. In de grieven ligt besloten, dat een verbod als bedoeld in de eerste volzin van de vorige rechtsoverweging, in verband met art. 10 EVRM, enkel in de vorm van een expliciet verbod gegeven kan worden.

Dat standpunt is onjuist. Daargelaten of, bij gebreke van een expliciet verbod, elke toevoeging of elk commentaar, zou leiden tot de conclusie dat eventueel opgelegde dwangsommen zijn verbeurd, indien de rectificatie vergezeld gaat van dusdanige commentaren dat die rectificatie volledig wordt ontkracht of dat de beschuldigingen onmiddellijk worden herhaald, dan is evident dat de rectificatie zonder inhoud was, en is er in feite niet gerectificeerd. Dit moet dan ook door de steller van de rectificatie-met-commentaar begrepen zijn: zulks was immers zijn bedoeling.

Reeds is overwogen, dat expliciete verboden tot bijvoeging van commentaar niet in strijd komen met art. 10 EVRM. Het gewicht van het in die bepaling vervatte grondrecht brengt met zich mede, dat er in een concreet geval geen misverstand over mag bestaan, dàt (bepaalde) commentaren niet toelaatbaar zijn, wil men zich later op het standpunt kunnen stellen dat door het bijplaatsen van zodanig commentaar feitelijk niet aan het gebod tot rectificatie is voldaan.

4.9. Toegepast op de onderhavige casus leidt het voorgaande tot het volgende resultaat.

De passages a, b, c en g van de brief van 12 september 2004 hebben de kennelijke strekking de geadresseerden ervan te doordringen dat [appellant] inhoudelijk nog steeds ten volle achter zijn brief van 24 mei 2004 staat. Aldus laat de brief van 12 september 2004 er geen enkel misverstand over bestaan, dat die brief enkel is verzonden om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen en niet om daadwerkelijk tot rectificatie van zijn onrechtmatige geoordeelde uitlatingen over te gaan. Integendeel, de rectificatie en verontschuldigingen zijn door de toevoegingen volledig ontkracht. Dat zulks ook het oogmerk van [appellant] was, blijkt ten overvloede uit de door hemzelf opgestelde, bij memorie van grieven overgelegde toelichting van 21 april 2005, meer in het bijzonder de derde en vierde (volledige) alinea op blad 4 van dat stuk, alsmede uit de akte ter rolle, waarin [appellant] expliciet stelt dat het zijn bedoeling was de ontvangers van de rectificatiebrief er andermaal van te overtuigen dat de beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde], welke beschuldigingen hij nu juist verplicht was geweest te rectificeren, juist waren.

4.10. Mitsdien heeft [appellant] niet voldaan aan het gegeven bevel tot rectificatie en heeft hij dwangsommen verbeurd. Dat betekent dat de voorzieningenrechter terecht het gevraagde verbod tot executie van dwangsommen heeft geweigerd.

Met het bovenstaande zijn alle grieven aan de orde gekomen. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde tot heden begroot op E. 288,-- aan verschotten en E. 894,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 27 september 2005.