Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5139

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2005
Datum publicatie
28-10-2005
Zaaknummer
C0201319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afkoop van pensioenrechten. Naar huidig recht is een overeenkomst tot afkoop van pensioenrechten nietig wegens strijd met het afkoopverbod in artikel 32 lid 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Dit afkoopverbod is in de wet opgenomen bij wetswijziging d.d. 13 december 1972 Stb 774, inwerkingtreding 9 februari 1973, dus ná het sluiten van de overeenkomst omtrent de omscholingstoelage in 1965. Dit neemt niet weg dat er voor het AMF ook in 1965 wel degelijk een afkoopverbod gold. Op grond van artikel 4, lid 1, PSW - zoals dit artikel in 1965 luidde - was (wijziging van) het reglement van een pensioenfonds onderworpen aan de goedkeuring van de Minster van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Door het AMF is aan die eisen voldaan door opneming in haar reglement van de artikelen 66 lid 8 en 132 lid 2. Het voorgaande betekent dat het AMF, door in 1965 te besluiten met [geïntimeerde] een overeenkomst aan te gaan waarbij opgebouwde pensioenrechten zoals in de verklaring d.d. 5 oktober 1965 omschreven, werden afgekocht, in strijd handelde met haar eigen reglement. Naar huidig recht leidt deze strijdigheid met het AMF-reglement niet tot nietigheid van de overeenkomst of van het van het besluit van het AMF. Of dit ingevolge het in 1965 geldende recht wél zo was kan, gelet op het bepaalde in de artikelen 80 en 81 overgangswet NBW in het midden blijven. Vernietiging van de overeenkomst wegens strijd met het AMF-reglement is door [geïntimeerde] niet gevorderd. Het hof is echter, op grond van de omstandigheden die in deze procedure naar voren zijn gebracht, van oordeel dat aan het AMF ingevolge het bepaalde in artikel 6:248 BW (welke bepaling ingevolge artikel 68a overgangswet NBW onmiddellijke werking heeft) geen beroep toekomt op de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst van 1965, waartoe het volgende wordt overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. ML

rolnr. C0201319/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 4 oktober 2005,

gewezen in de zaak van:

de stichting STICHTING ALGEMEEN MIJNWERKERSFONDS

VAN DE STEENKOLENMIJNEN IN LIMBURG,

gevestigd te Heerlen,

appellante bij exploot van dagvaarding van

22 november 2002,

incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: het AMF,

procureur: mr. M.J. Schapendonk,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

incidenteel appellant,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. F.T.I. Oey,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 mei 2004 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht sector kanton locatie Heerlen onder nummer 101921 cv 01-4055 gewezen vonnis van 28 augustus 2002 tussen het AMF als opposante en [geïntimeerde] als geopposeerde.

5. Het tussenarrest van 25 mei 2004

Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

De comparitie van partijen heeft op 23 december 2004 plaatsgevonden. Van het verhandelde ter terechtzitting is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Het AMF heeft een akte na comparitie van partijen genomen en daarbij producties overgelegd.

[geïntimeerde] heeft een antwoordakte na comparitie van partijen genomen en daarbij eveneens producties in het geding gebracht.

[geïntimeerde] heeft daarna nog een akte tot overlegging van stukken genomen en daarbij opnieuw producties overgelegd.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De verdere beoordeling

in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel appel

7.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

7.1.1. [geïntimeerde], die [in] 1934 is geboren, is werkzaam geweest in het Nederlandse mijnbedrijf. In de periode van 2 november 1950 tot 1 juni 1959 werkte hij ondergronds in de mijnen Wilhelmina en Hendrik. In de periode van 29 oktober 1962 tot 1 december 1964 werkte hij bovengronds bij de mijn Oranje Nassau II. In verband met zijn dienstverband bij het mijnbedrijf was hij deelnemer in het pensioenfonds van het AMF.

7.1.2. In april 1963, tijdens zijn werkzaamheden bij de Oranje Nassau II, is [geïntimeerde] (opnieuw) arbeidsongeschikt geraakt. Na een ziekengeld-periode heeft hij vanaf 1 juni 1964 tot aan zijn pensioendatum 1 augustus 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen die was berekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Die uitkering ontving hij aanvankelijk in de vorm van een invaliditeitsrente ingevolge de Invaliditeitswet (IW) en een bijslag ingevolge de Interimwet Invaliditeitsrentetrekkers (IWI), welke door tussenkomst van het AMF -na verrekening van uitkeringen en voorschotten op grond van het AMF-reglement- betaalbaar werden gesteld. Na de wetswijziging per 1 juli 1967 ontving hij zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vorm van een WAO-uitkering.

7.1.3. In 1965 heeft [geïntimeerde] bij het AMF een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een omscholingstoelage als bedoeld in artikel 67c van het AMF-reglement, dit met het oog op zijn voornemen om zich te laten omscholen tot horlogemaker. Artikel 67c van het reglement luidt:

"Aan werklieden die - anders dan terzake van ongeval - ter voorkoming van pensionering wegens invaliditeit tot een nieuw beroep in of buiten het mijnbedrijf worden opgeleid kan een toelage worden verleend, waarvan de hoogte en de duur door het bestuur voor ieder geval afzonderlijk wordt vastgesteld, met dien verstande, dat het totaal uit te keren bedrag niet hoger zal zijn dan het tienvoud van het bedrag, dat de betrokkene als jaarlijks pensioen zou kunnen worden toegekend en dat de duur der uitkering niet langer zal zijn dan drie jaren; lopende uitkeringen uit de ziekenkas nemen alsdan een einde."

In verband met deze aanvraag is door het AMF aan [geïntimeerde] een verklaring ter ondertekening voorgelegd. De inhoud van deze verklaring luidt:

"Ondergetekende [geïntimeerde] geboren [in] 1934 en wonende te [adres], verzoekt om toekenning van een omscholingstoelage als bedoeld in artikel 67c van het fondsreglement.

In verband hiermee doet hij afstand van het recht op invaliditeitspensioen c.q. de aanvullende uitkering ingevolge artikel 59 van het fondsreglement en trekt de betreffende aanvrage d.d. 2-11-1964 in."

De verklaring is gedagtekend 5 oktober 1965 en is door [geïntimeerde] ondertekend.

De aanvraag is bij besluit van 20 oktober 1965 gehonoreerd. De omscholingsbijdrage bedroeg bruto f. 22.786,32, te betalen in 36 maandelijkse termijnen, ingaande 11 oktober 1965. De aan [geïntimeerde] toegekende uitkeringen ingevolge de IW, de IWI en de WAO zijn in de desbetreffende omscholingsperiode overgemaakt aan het AMF en verrekend met de omscholingstoelage.

7.1.4. De opleiding tot horlogemaker is voortijdig beëindigd; [geïntimeerde] heeft vervolgens een opleiding tot loodgieter gevolgd. Na de afronding van die opleiding heeft hij geen betaalde werkzaamheden verricht; hij is arbeidsongeschikt gebleven.

7.1.5. Bij besluit van 26 mei 2000 heeft het AMF het ouderdomspensioen van [geïntimeerde] met ingang van 1 augustus 1999 vastgesteld op f. 278,48 per maand. Tegen die beslissing heeft [geïntimeerde] beroep ingesteld bij het Scheidsgerecht van het AMF. Het Scheidsgerecht heeft zich bij beslissing van 4 september 2000 ten aanzien van het beroep deels onbevoegd verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

7.1.6. [geïntimeerde] heeft vervolgens het AMF gedagvaard voor de kantonrechter te Heerlen. Het AMF heeft aanvankelijk verstek laten gaan, maar heeft in de verzetprocedure verweer gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde].

[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg (na wijziging van zijn eis) kort gezegd: de betaling van de kosten van medische rapportages en zijn advocaatkosten, alsmede een herzien ouderdomspensioen vanaf 1 augustus 1999, berekend alsof vanaf 1 december 1964 de opbouw van ouderdomspensioen is voortgezet, ingeval van invaliditeit, tot aan de 65-jarige leeftijd.

7.1.7. De kantonrechter heeft deze vorderingen bij eindvonnis in de verzetprocedure d.d. 28 augustus 2002 (opnieuw rechtdoende) toegewezen.

Het AMF kan zich met deze beslissing niet verenigen en heeft drie grieven tegen het eindvonnis aangevoerd.

[geïntimeerde] heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

7.2. Het hof begrijpt de voorwaarde waaronder [geïntimeerde] incidenteel appel heeft ingesteld aldus, dat het incidentele appel uitsluitend wordt ingesteld voor het geval het principaal appel van het AMF zou slagen.

7.3. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis (onvoorwaardelijk) vermeerderd in die zin dat hij thans toekenning vordert van een herzien ouderdomspensioen, berekend alsof vanaf 1 december 1964 de opbouw van ouderdomspensioen is voortgezet, zulks vanaf zijn 60e jaar. Tevens vordert hij de uitvoerbaarheid bij voorraad. Tegen de eisvermeerdering heeft het AMF zich niet verzet, zodat het hof op basis van de gewijzigde vordering recht zal doen.

7.4. De grieven van het AMF stellen de volgende kwesties aan de orde:

- de vraag of de door [geïntimeerde] ondertekende verklaring met betrekking tot de omscholingstoelage d.d. 5 oktober 1965 in strijd is met het AMF-reglement (grief 1);

- de vraag of [geïntimeerde] zich terecht op dwaling kan beroepen (grief 2);

- de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (grief 3).

7.5.1. Voor de beoordeling van de eerste grief van het AMF stelt het hof voorop dat de overeenkomst tussen het AMF en [geïntimeerde] die erop neerkomt dat [geïntimeerde] afstand deed van zijn recht op invaliditeitspensioen c.q. zijn recht op de aanvullende uitkering ex artikel 59 van het reglement, aangemerkt moet worden als een overeenkomst tot afkoop van pensioenrechten. Onder afkoop moet immers worden verstaan: de overeenkomst tussen de rechthebbende op een pensioenuitkering (waaronder begrepen: een invaliditeits-pensioen) en de pensioenuitvoerder, waarbij de rechthebbende afziet van zijn recht op pensioenuitkeringen in ruil voor een eenmalige kapitaalsuitkering of een daarvoor in de plaats komende en op geld waardeerbare tegenprestatie (Tekst en Commentaar Pensioenrecht, artikel 32 PSW, aantekening 5 sub a).

7.5.2. Naar huidig recht is een dergelijke overeenkomst tot afkoop van pensioenrechten nietig wegens strijd met het afkoopverbod in artikel 32 lid 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Dit afkoopverbod is in de wet opgenomen bij wetswijziging d.d. 13 december 1972 Stb 774, inwerkingtreding 9 februari 1973, dus ná het sluiten van de overeenkomst omtrent de omscholingstoelage in 1965.

Dit neemt niet weg dat er voor het AMF ook in 1965 wel degelijk een afkoopverbod gold. Op grond van artikel 4, lid 1, PSW - zoals dit artikel in 1965 luidde - was (wijziging van) het reglement van een pensioenfonds onderworpen aan de goedkeuring van de Minster van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De Minister voerde vóórafgaande aan de invoering van artikel 32, lid 4, PSW in 1973 al het beleid dat een pensioenreglement een afkoopverbod diende te bevatten. Dit blijkt onder meer uit de Beschikking van de Staatsecretaris van Sociale Zaken d.d. 2 december 1953, nr. 2771 (Staatscourant 1953, 236), waarin werd voorgeschreven dat verzekeringsovereenkomsten als bedoeld in artikel 2, lid 4, onder B, PSW een afkoopverbod bevatten, behoudens (kort gezegd) in geval van huwelijk van een vrouwelijke verzekerde, in geval van emigratie van een verzekerde of in geval van afkoop van een klein pensioen.

Door het AMF is aan die eisen voldaan door opneming in haar reglement van de artikelen 66 lid 8 en 132 lid 2.

7.5.3. Het voorgaande betekent dat het AMF, door in 1965 te besluiten met [geïntimeerde] een overeenkomst aan te gaan waarbij opgebouwde pensioenrechten zoals in de verklaring d.d. 5 oktober 1965 omschreven, werden afgekocht, in strijd handelde met haar eigen reglement.

Naar huidig recht leidt deze strijdigheid met het AMF-reglement niet tot nietigheid van de overeenkomst of van het van het besluit van het AMF. Of dit ingevolge het in 1965 geldende recht wél zo was kan, gelet op het bepaalde in de artikelen 80 en 81 overgangswet NBW in het midden blijven.

Vernietiging van de overeenkomst wegens strijd met het AMF-reglement is door [geïntimeerde] niet gevorderd.

7.5.4. Het hof is echter, op grond van de omstandigheden die in deze procedure naar voren zijn gebracht, van oordeel dat aan het AMF ingevolge het bepaalde in artikel 6:248 BW (welke bepaling ingevolge artikel 68a overgangswet NBW onmiddellijke werking heeft) geen beroep toekomt op de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst van 1965, waartoe het volgende wordt overwogen.

7.5.4.1. Het afkoopverbod zoals dat in het AMF-reglement en (thans) in de PSW is opgenomen strekt tot bescherming van de rechthebbende tegen zichzelf en tegen zijn schuldeisers en vloeit voort uit het verzorgingskarakter van de pensioenrechten die door het reglement en de PSW worden gewaarborgd. Vanwege de bijzondere aard en het fundamentele karakter van deze belangen, die - kort gezegd - de bestaanszekerheid betreffen, is het afkoopverbod in de PSW van dwingend recht (vergelijk de conclusie van AG Bakels bij HR 21 september 2001 NJ 2001/617).

7.5.4.2. In het onderhavige geval gaat het om een tussen partijen gesloten overeenkomst waarbij door [geïntimeerde] afstand is gedaan van zijn recht op invaliditeitspensioen dan wel het recht op - de daarmee op één lijn te stellen - uitkering ingevolge artikel 59 van het reglement. Door deze afstand stopte de opbouw van zijn ouderdomspensioen bij het pensioenfonds van het AMF.

De tegenprestatie voor deze afstand bestond uit de toekenning van een omscholingstoelage van f. 22.786,32, te betalen in 36 maandelijkse termijnen, op welke termijnen de aan [geïntimeerde] toegekende uitkeringen ingevolge IW, IWI en WAO in de desbetreffende periode in mindering werden gebracht.

7.5.4.3. Partijen zijn het oneens over de vraag of de kans van slagen van de omscholing en het daaropvolgend uitoefenen van een ander beroep, reëel te noemen was; [geïntimeerde] stelt dat hij ongeschikt was voor de omscholing en het AMF betwist dit.

Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken, met name uit de medische en arbeidsdeskundige rapportages, in ieder geval volgt dat er in de jaren 1964 en 1965 bij [geïntimeerde] sprake was van ernstige lichamelijke en geestelijke klachten, die aanleiding hebben gegeven tot toekenning van een IW en IWI-uitkering in de hoogste invaliditeitsklasse en tevens dat de kans van slagen in een nieuw beroep discutabel moet worden geacht.

De medische en arbeidsdeskundige rapporten zijn door [geïntimeerde] in eerste aanleg in het geding gebracht bij akte na tussenvonnis van 1 mei 2002. Bij die rapporten bevindt zich een rapport van de medisch adviseur van het AMF Willekens d.d. 19 mei 1964, die [geïntimeerde] nog slechts voor zeer licht aangepast werk geschikt acht. Die conclusie wordt bevestigd in het daaraan gehechte rapport van de arbeidsdeskundige Kerpentier die nog vermeldt dat ook na een herkeuring op 20 september 1965 (na een rugoperatie van [geïntimeerde] begin 1965) [geïntimeerde] "met vele beperkingen in staat geacht werd tot het verrichten van zeer licht aangepast werk". Deze arbeidsdeskundige acht [geïntimeerde] niet in staat om met het werk dat hem in billijkheid is op te dragen, zowel in de mijnindustrie als op de vrije arbeidsmarkt, 20% of meer van het loon van een valide houwer te verdienen.

De zenuwarts Grubben bericht in een brief d.d. 15 juli 1964 aan het AMF dat [geïntimeerde] blijvend ongeschikt is om als houwer werkzaam te zijn. Deze arts voegt daaraan toe: "Hoe hij in andere (de rug minder belastende) werkzaamheden mee zal kunnen, lijkt ons moeilijk te voorspellen."

7.5.4.4. De uit deze rapportages blijkende risico's ten aanzien van het welslagen van de omscholing van [geïntimeerde] en het daarop volgend uitoefenen van een nieuw beroep, welke risico's het AMF bekend waren, geven temeer aanleiding om hoge eisen te stellen aan de zorgvuldigheid die het AMF in acht diende te nemen bij het voorlichten van [geïntimeerde] teneinde een te lichtvaardig prijsgeven van zijn pensioenrechten te voorkomen.

7.5.4.5. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat het AMF jegens [geïntimeerde] is tekortgeschoten in haar informatieplicht. Dit geldt in het bijzonder de informatie omtrent de risico's ten aanzien van het welslagen van de omscholing en het daaropvolgend uitoefenen van een nieuw beroep en de gevolgen die het niét slagen zou hebben voor de opbouw van zijn ouderdomspensioen.

7.5.4.6. Op grond van het hiervoor overwogene moet het beroep van het AMF op de in 1965 met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht.

Voor wat betreft de gevolgen die hieraan dienen te worden verbonden verwijst het hof naar hetgeen hierna onder 7.7.1. wordt overwogen.

7.5.5. Het voorgaande betekent dat, wat er overigens zij van de motiveringen van de kantonrechter, de eerste grief geen doel treft.

7.6.1. Met betrekking tot grief 2 van het AMF (gericht tegen de honorering van het beroep op dwaling) overweegt het hof het volgende.

7.6.2. Voor wat betreft het toepasselijk recht geldt dat de vraag of de overeenkomst tussen het AMF en [geïntimeerde] aantastbaar is wegens dwaling, ingevolge artikel 79 van de Overgangswet NBW beoordeeld dient te worden naar de regels van oud BW, in casu de artikelen 1357 en 1358 BW.

7.6.3. [geïntimeerde] stelt dat hij pas bij het toekenningsbericht van het AMF met betrekking tot zijn ouderdomspensioen (gedateerd 7 mei 1998) ontdekte dat er sinds 1965 geen opbouw van zijn ouderdomspensioen meer had plaatsgevonden.

Het hof begrijpt het standpunt van [geïntimeerde] aldus, dat hij de overeenkomst in 1965 niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, indien hij voor wat betreft de hiervoor vermelde risico's en de gevolgen die het niét slagen van de omscholing zou hebben voor de opbouw van zijn ouderdomspensioen, toereikend zou zijn geïnformeerd.

7.6.4. Dat er, voor wat betreft de risico's ten aanzien van het welslagen van de omscholing en het daaropvolgend uitoefenen van een nieuw beroep en de gevolgen die het niét slagen zou hebben voor de opbouw van het ouderdomspensioen van [geïntimeerde] een deugdelijke voorlichting aan [geïntimeerde] is gegeven, is door het AMF niet gesteld en blijkt ook niet uit de gedingstukken.

Naar het oordeel van het hof moet het, mede gelet op het bijzondere karakter van het pensioenrecht en de belangen die voor [geïntimeerde] op het spel stonden, voor het AMF duidelijk zijn geweest dat de hier bedoelde informatie voor [geïntimeerde] essentieel was. Het lag op de weg van het AMF om die essentiële informatie aan [geïntimeerde] te verstrekken. Het hof merkt hierbij op dat het AMF ook erkent (antwoordakte eerste aanleg d.d. 26 juni 2002 onder punt 2) dat ondanks het adagium " dat iedereen geacht wordt de wet te kennen" op voorlichtingsgebied door haar veel gedaan moet worden om rechthebbenden bekend te maken met hun rechten en plichten ten aanzien van het pensioen.

7.6.5. Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] zich terecht kan beroepen op dwaling bij de totstandkoming van de overeenkomst met het AMF inzake de omscholingstoelage.

7.6.6. Deze conclusie wordt niet anders door de omstandigheid dat de omscholingstoelage door [geïntimeerde] zelf is aangevraagd; die omstandigheid doet immers niet af aan de informatieplicht van het AMF.

Ditzelfde geldt voor het argument van het AMF dat de afstandsverklaring d.d. 5 oktober 1965 nodig was om een samenloop van verschillende uitkeringen te voorkomen. Bovendien valt niet in te zien dat voor het voorkomen van een dergelijke samenloop een volledige en onherroepelijke afstand van (invaliditeits-)pensioenrechten noodzakelijk was.

7.6.7. Het voorgaande betekent dat ook de tweede grief faalt.

7.7.1. Met betrekking tot de vraag welke gevolgen aan het hiervoor overwogene dienen te worden verbonden overweegt het hof het volgende.

Door [geïntimeerde] is geen vernietiging gevorderd van de met het AMF gesloten overeenkomst. Wel vordert hij toekenning van een ouderdomspensioen als ware dit pensioen ook na 1 december 1964 verder opgebouwd tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd. Het hof verstaat die vordering aldus dat [geïntimeerde] wijziging van de overeenkomst vordert als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW. Deze mogelijkheid bestond weliswaar niet vóór de inwerkingtreding van het nieuw BW op 1 januari 1992, maar uit artikel 68a overgangswet NBW volgt dat artikel 6:230 BW van toepassing is, ook al hebben de feiten en omstandigheden waarop het beroep op dwaling steunt, zich vóór 1 januari 1992 voorgedaan (HR 28 november 1997 NJ 1998/659).

7.7.2. Beide partijen gaan ervan uit dat [geïntimeerde] tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd (volledig) arbeidsongeschikt is gebleven en dat hij - indien de overeenkomst niét zou zijn aangegaan - tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd aanspraak had kunnen maken op de uitbetaling van invaliditeitspensioen c.q. een uitkering ex artikel 59 van het reglement.

Het hof zal partijen in dit uitgangspunt volgen.

7.7.3. Een en ander betekent dat de vordering van [geïntimeerde] terzake van de toekenning van ouderdomspensioen terecht door de kantonrechter is toegewezen, dit behoudens hetgeen hierna naar aanleiding van de derde grief wordt overwogen.

7.8.1. In haar derde grief betoogt het AMF dat de kantonrechter met betrekking tot de herberekening van het ouderdomspensioen van [geïntimeerde] het AMF-reglement onjuist heeft toegepast door daarbij uit te gaan van een ouderdomspensioen bij het bereiken van zijn 65-jarige leeftijd ingaande 1 augustus 1999. Volgens het AMF zou [geïntimeerde] als bovengronder in het kader van de herberekening van het ouderdomspensioen ingevolge het reglement pensioengerechtigd zijn geworden vanaf 60 jarige leeftijd.

[geïntimeerde] heeft naar aanleiding van deze grief zijn eis gewijzigd in die zin dat hij thans toekenning en uitkering van ouderdomspensioen vordert als ware dit pensioen ook na 1 december 1964 verder opgebouwd tot zijn pensioengerechtelijke leeftijd, in dit verband derhalve kennelijk 60 jaar.

7.8.2. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter - anders dan het AMF lijkt te veronderstellen - met zijn beslissing niet beoogd het AMF te verplichten aan [geïntimeerde] een ouderdomspensioen toe te kennen in afwijking van het AMF-reglement. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] op dit punt toegewezen omdat tegen de wijze waarop die vordering was geformuleerd door het AMF geen bezwaren waren aangevoerd.

7.8.3. Op grond van de beslissing van het hof in de onderhavige zaak zal een herberekening van het ouderdomspensioen van [geïntimeerde] dienen plaats te vinden alsof vanaf 1 december 1964 de opbouw van dat ouderdomspensioen is voortgezet. Die herberekening zal plaats dienen te vinden aan de hand van het AMF-reglement en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen.

Op basis van de door partijen verstrekte informatie is een nadere omschrijving door het hof van het aan [geïntimeerde] toekomende ouderdomspensioen niet mogelijk. Het AMF zal dienaangaande, na herberekening, een nieuw besluit dienen te nemen, tegen welk besluit door [geïntimeerde] - indien daartoe aanleiding bestaat - via de daarvoor aangewezen weg bezwaar kan worden gemaakt.

7.8.4. Om die reden zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen voorzover het AMF is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een herzien ouderdomspensioen vanaf 1 augustus 1999 te betalen, berekend alsof vanaf 1 december 1964 de opbouw van ouderdomspensioen is voortgezet, ingeval van invaliditeit, tot aan de 65 jarige leeftijd; het hof zal

- opnieuw rechtdoende - het AMF veroordelen om aan [geïntimeerde] vanaf de datum van ingang van zijn ouderdomspensioen, een herzien ouderdomspensioen te betalen, berekend alsof vanaf 1 december 1964 de opbouw van ouderdomspensioen is voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd.

7.8.5. In zoverre is de derde grief terecht voorgedragen en de gewijzigde vordering van [geïntimeerde] is in zoverre toewijsbaar.

7.9. Het gedeeltelijk gegrond zijn van de derde grief leidt er niet toe dat de voorwaardelijk aangevoerde grieven van [geïntimeerde] beoordeeld dienen te worden. Hij heeft zijn vordering immers aangepast zodat het hoger beroep van het AMF niet tot een voor hem nadeliger beslissing leidt.

7.10. Tegen de toewijzing door de kantonrechter van de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten (kosten deskundigen en advocaatkosten) zijn door het AMF geen grieven aangevoerd, zodat geen herbeoordeling van die vordering behoeft plaats te vinden.

7.11. Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden zoals in het voorgaande is vermeld, dient te worden bekrachtigd, met uitzondering van hetgeen hiervoor onder 7.8.4. is overwogen.

Het AMF zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

8. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover het AMF daarbij is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een herzien ouderdomspensioen te betalen vanaf 1 augustus 1999, berekend alsof vanaf 1 december 1964 de opbouw van ouderdomspensioen is voortgezet, ingeval van invaliditeit, tot aan de 65 jarige leeftijd;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt het AMF om aan [geïntimeerde] vanaf de datum van ingang van zijn ouderdomspensioen, een herzien ouderdomspensioen te betalen, berekend alsof vanaf 1 december 1964 de opbouw van ouderdomspensioen is voortgezet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst de bij wijze van vermeerdering van eis door [geïntimeerde] ingestelde vordering voor het overige af;

veroordeelt het AMF in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op E. 193,- voor verschotten en op E. 2.235,- voor salaris procureur, op de voet van artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koens, van Etten en van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 4 oktober 2005.