Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5136

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
28-10-2005
Zaaknummer
R200500477
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, nu artikel 807 aanhef en sub a. Rv. zo gelezen moet worden, dat tegen de aangevallen beschikking ingevolge artikel 1: 254, vijfde lid BW slechts cassatie in het belang der wet openstond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14 juli 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500477

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appèl,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appèl,

hierna te noemen: [appellant],

procureur mr. E.G.M. van Ewijk,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord Brabant,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

de Stichting,

en:

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appèl,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appèl,

hierna te noemen: [geintimeerde],

procureur mr. A.A.J.L. van Elk de Freese.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 januari 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 27 april 2005, heeft [appellant] verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen, althans te herzien en te bepalen dat een andere instelling c.q. instantie zal zijn belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling aangaande [de zoon], althans een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 mei 2005, met een aanvulling ingekomen ter griffie op 1 juni 2005, heeft de stichting verzocht [appellant] niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel de beschikking van de kinderrechter te vernietigen en het verzoek in eerste aanleg alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 mei 2005, heeft [geintimeerde] verzocht:

- [appellant] in zijn beroep tegen de beschikking van 27 januari 2005 niet- ontvankelijk te verklaren met veroordeling van [appellant] in de proceskosten;

- te bekrachtigen de beschikking waarvan beroep, onder correctie van de daarin aangegeven gronden, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Voorts heeft [geintimeerde] voorwaardelijk incidenteel appèl ingesteld en daarin verzocht de beschikking van de kinderrechter van rechtbank 's-Hertogenbosch te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [appellant] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de man in de proceskosten.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2005. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door zijn advocaat mr. C.J.P. Liefting,

- mw. N. Nous en dhr. W. van Velzen namens de stichting,

- de advocaat van [geintimeerde], mr. A.A.J.L. van Elk de Freese.

[Geintimeerde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

De Raad voor de Kinderbescherming is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel appèl;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man van 11 mei 2005;

- de brief van [de zoon], ingekomen ter griffie op 30 mei 2005;

- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Eindhoven, van 8 juni 2005.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [Appellant] is gehuwd geweest met [geintimeerde]. Uit dat huwelijk is op 9 november 1992 [de zoon] geboren.

[De zoon] staat vanaf 31 december 2001 onder toezicht van de stichting.

4.2. Bij beschikking van 8 juli 2004 heeft dit hof bepaald dat [geintimeerde] alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de zoon], welke beschikking inmiddels in kracht van gewijsde is.

4.3. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch op 3 november 2004, heeft de stichting de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling betreffende [de zoon] te verlengen voor de duur van een jaar, derhalve tot 31 december 2005.

4.4. Bij schriftelijke reactie d.d. 15 december 2004 op het verzoek van de stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de zoon] heeft de man verzocht de ondertoezichtstelling van [de zoon] te verlengen, alsmede een andere Jeugdzorg- instelling te benoemen, althans zodanig te beslissen zoals de rechtbank juist oordeelt.

4.5. Bij beschikking van 27 januari 2005 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling van [de zoon] met ingang van 1 februari 2005 verlengd tot 31 december 2005.

Voorts heeft de kinderrechter bij afzonderlijke beschikking van diezelfde datum het verzoek van de man - door de kinderrechter opgevat als een verzoek tot advies aan de stichting om een landelijk werkende instelling van jeugdhulp- verlening te mandateren de werkzaamheden samenhangende met de ondertoezichtstelling van [de zoon] te gaan uitvoeren - afgewezen.

Van die laatste beslissing is de man in hoger beroep gekomen.

Voor wat betreft de stellingen van [appellant] verwijst het hof naar de inhoud van het door hem ingediende beroepschrift.

4.6. [Geintimeerde] en de stichting hebben zich beiden primair op het standpunt gesteld dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. [Appellant] heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof .

4.7. Het hof oordeelt als volgt.

[Appellant] heeft in eerste aanleg een verzoek ingediend als bedoeld in het huidige artikel 1:254, vijfde lid BW tot vervanging van de gezinsvoogdij-instelling.

In artikel 807 aanhef en sub a. Rv. is thans weliswaar bepaald dat tegen beschikkingen ingevolge (onder andere) artikel 1: 254 lid, derde lid BW geen andere voorziening open staat dan cassatie in het belang der wet, doch aangenomen moet worden dat de vermelding van het derde lid op een fout berust en dat het vijfde lid is bedoeld, gelet op het navolgende.

Aanvankelijk was met de invoering van de nieuwe Wet op de jeugdzorg een wijziging van artikel 1:254 BW voorzien, waarbij het vierde lid werd vernummerd tot het derde lid, luidende: "Op haar verzoek, dan wel op verzoek van de met het gezag belaste ouder (...) kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die het toezicht heeft, vervangen door een zodanige stichting in een andere provincie (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 168, nrs. 1-2, p. 29).

In verband daarmee werd ook een wijziging voorzien van artikel 807 sub a. Rv., waarin het vierde lid vernummerd werd tot het derde lid van artikel 1:254 BW.

Nadien is met het oog op de invoering van de Wet op de jeugdzorg artikel 1:254 BW anderszins gewijzigd, waarbij het aanvankelijk voorziene derde lid is vernummerd tot het vijfde lid (waarbij overigens ook de tekst werd uitgebreid), zie de huidige wettekst. Daarbij is kennelijk vergeten artikel 807 sub a. Rv. andermaal aan te passen, zodanig dat artikel 1:254, derde lid BW gewijzigd werd in artikel 1: 254, vijfde lid BW. Het uitsluiten van hoger beroep en cassatie tegen het huidige derde lid van artikel 1: 254 BW is zinledig, aangezien dit luidt; "Onze Minister van Justitie kan voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd aanvaarden."

4.8. Het hof heeft omtrent het vorenstaande ambtshalve informatie ingewonnen bij het Ministerie van Justitie, afdeling Wetgeving Privaatrecht. Door het Ministerie is bevestigd dat er een foutje is geslopen in artikel 807 sub a. Rv., dat in dat artikel verwezen dient te worden naar artikel 1:254, vijfde lid BW en dat dit bij gelegenheid rechtgezet zal worden.

4.9. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, nu artikel 807 aanhef en sub a. Rv. zo gelezen moet worden, dat tegen de aangevallen beschikking ingevolge artikel 1: 254, vijfde lid BW slechts cassatie in het belang der wet openstond.

4.10. Geheel ten overvloede zij opgemerkt dat door [geintimeerde], de stichting en de raad terecht subsidiair is betoogd dat [appellant] thans niet langer met het gezag over [de zoon] is belast (zie de hiervoor genoemde beschikking van dit hof van 8 juli 2004) en dat [appellant] om die reden reeds in eerste aanleg niet-ontvankelijk had behoren te worden verklaard in zijn verzoek.

5. De beslissing

Het hof:

Verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank

's-Hertogenbosch van 27 januari 2005.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Draijer-Udo en Vlaardingerbroek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 juli 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.