Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU4936

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
20-008557-05
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2005:AT2487
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, nadat hij door zijn moeder was benaderd met de mededeling dat de (ex-)partner van haar vriendin [medeverdachte], [slachtoffer], om het leven gebracht moest worden, contact opgenomen met de hem bekende [medeverdachte 2] en hem de vraag gesteld of hij iemand wist die die [slachtoffer] van het leven kon beroven. Nadat [medeverdachte 2] hem, verdachte, te kennen had gegeven op het verzoek te willen ingaan, heeft de verdachte die [medeverdachte 2] in contact gebracht met [medeverdachte], die daarop aan [medeverdachte 2] een aanzienlijke geldsom betaalde voor het ombrengen van [slachtoffer]. Vervolgens is de verdachte gedurende langere tijd actief betrokken gebleven bij het beramen en voorbereiden van de moord op die [slachtoffer], in die zin dat hij als contactpersoon fungeerde tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], in het kader waarvan hij, verdachte, onder meer door [medeverdachte 1] verstrekte gegevens over de verblijfplaats van [slachtoffer] en de door hem gebruikte auto doorgaf aan [medeverdachte 2]. Ook heeft de verdachte een pasfoto van die [slachtoffer], die hem via zijn moeder door [medeverdachte 1] ter beschikking was gesteld, aan die [medeverdachte 2] gegeven, zodat deze zijn slachtoffer kon herkennen.

Aldus handelend heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan uitlokking van moord. Moord is één van de ernstigste misdrijven die het Nederlandse strafrecht kent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-008557-05

Uitspraak: 26 oktober 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

25 maart 2005 in de strafzaak met parketnummer 03-008219-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

thans verblijvende in P.I. Limburg Zuid - HvB Overmaze te Maastricht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen, met verbetering van de opgelegde straf en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot de hierna te vermelden straf.

Vonnis waarvan beroep

Met verbetering van het woord "subsidiair" in de tweede regel onder het kopje "De redengeving van de op te leggen straf" in het woord "primair", verenigt het hof zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering, de kwalificatie van het bewezenverklaarde en de opgelegde straf en de strafmotivering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen.

De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De kwalificatie behoort te luiden als hieronder vermeld.

Op te leggen straf of maatregel

De rechter in eerste aanleg heeft de verdachte, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek ex artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Van de zijde van de verdachte is bepleit dat een lagere straf dan gevorderd zal worden opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, nadat hij door zijn moeder was benaderd met de mededeling dat de (ex-)partner van haar vriendin [medeverdachte 1], [slachtoffer], om het leven gebracht moest worden, contact opgenomen met de hem bekende [medeverdachte 2] en hem de vraag gesteld of hij iemand wist die die [slachtoffer] van het leven kon beroven. Nadat [medeverdachte 2] hem, verdachte, te kennen had gegeven op het verzoek te willen ingaan, heeft de verdachte die [medeverdachte 2] in contact gebracht met [medeverdachte], die daarop aan [medeverdachte 2] een aanzienlijke geldsom betaalde voor het ombrengen van [slachtoffer]. Vervolgens is de verdachte gedurende langere tijd actief betrokken gebleven bij het beramen en voorbereiden van de moord op die [slachtoffer], in die zin dat hij als contactpersoon fungeerde tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], in het kader waarvan hij, verdachte, onder meer door [medeverdachte 1] verstrekte gegevens over de verblijfplaats van [slachtoffer] en de door hem gebruikte auto doorgaf aan [medeverdachte 2]. Ook heeft de verdachte een pasfoto van die [slachtoffer], die hem via zijn moeder door [medeverdachte 1] ter beschikking was gesteld, aan die [medeverdachte 2] gegeven, zodat deze zijn slachtoffer kon herkennen.

Aldus handelend heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan uitlokking van moord. Moord is één van de ernstigste misdrijven die het Nederlandse strafrecht kent.

In navolging van de eerste rechter is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is, nadat hij [medeverdachte 1], opdrachtgeefster en uiteindelijk ook medepleegster van de moord op haar (ex-)partner, en [medeverdachte 2], die uiteindelijk de fatale schoten op [slachtoffer] afvuurde, met elkaar in contact had gebracht, nauw betrokken gebleven bij het overleg over de voorbereiding van de moord op [slachtoffer], waarbij de verdachte niet heeft geschroomd suggesties in te brengen omtrent de mogelijke plaats waar die moord uitgevoerd zou kunnen worden en omtrent de wijze waarop [slachtoffer] vermoord zou worden.

Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte, anders dan door de verdediging bepleit, voor zichzelf wel degelijk een financieel motief heeft gezien toen hij [medeverdachte 2] benaderde met de vraag of hij iemand wist om [slachtoffer] te vermoorden. Immers, door met [medeverdachte 2], die - naar de verdachte wist - in financiële problemen verkeerde, een geldelijke beloning voor het plegen van de moord op [slachtoffer] overeen te komen, zag de verdachte blijkens zijn verklaring in hoger beroep alsnog mogelijkheden om zijn aanspraak op een vergoeding voor het verzorgen van de hennepplanten van [medeverdachte 2] - waarop de verdachte in ieder geval in zijn eigen opvatting meende recht te hebben - te gelde te maken. Weliswaar heeft de verdachte dat volgens zijn verklaring gedaan door aan [medeverdachte 2] "tipgeld" - ter hoogte van 10 procent van het door de opdrachtgeefster van de moord op [slachtoffer] met [medeverdachte 2] overeengekomen bedrag - te vragen, teneinde aldus een discussie over de omvang van die vergoeding te voorkomen, maar dat acht het hof irrelevant, nu reeds uit het vorenstaande onomstotelijk volgt dat de verdachte een financieel motief had om [medeverdachte 2] te benaderen voor het ombrengen van [slachtoffer]. Daar komt nog bij dat volgens de door verdachte met [medeverdachte 2] gemaakte afspraak op het "tipgeld" de helft van de kosten van de aanschaf van het bij de moord op

[slachtoffer] gebruikte vuurwapen in mindering werd gebracht.

Anderzijds is het hof van oordeel dat de verdachte in vérgaande mate heeft gehandeld onder de invloed van zijn moeder, zonder wier optreden de verdachte naar alle waarschijnlijkheid niet tot het bewezenverklaarde handelen zou zijn gekomen. Het was de moeder van de verdachte die ten behoeve van haar vriendin [medeverdachte 1] de dood van [slachtoffer] wilde bewerkstelligen. Gelet op de uit de rapportages van dr. L.H. Jacobs-Dams, psychiater, en drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog, naar voren komende ziekelijke binding tussen de verdachte en zijn moeder, kan worden gesteld dat de verdachte tot op zekere hoogte slechts heeft gehandeld als instrument van zijn moeder, met dien verstande dat niet gezegd kan worden dat de verdachte een volstrekt willoos instrument was.

Bij de straftoemeting heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde de verdachte, aldus genoemde deskundigen, slechts in licht verminderde mate kan worden toegerekend en dat de verdachte terzake soortgelijke strafbare feiten nog niet eerder is veroordeeld.

Anders dan de eerste rechter acht het hof, alles afwegend, oplegging van een gevangenisstraf voor de hierna te vermelden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het bewezen-verklaarde en de aan de verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

Opzettelijke uitlokking van medeplegen van moord.

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bevestigt het vonnis voor al het overige.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mrs. J.M.W.M. van den Elzen en W.E.C.A. Valkenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 26 oktober 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.