Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU4082

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
11-10-2005
Zaaknummer
C0400352/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

4.6. Het hof zal de man toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de vrouw feitelijk woont en verblijft in [gemeente 1] en derhalve over woonruimte in [gemeente 1] beschikt.

4.7. Alvorens tot de getuigenverhoren over te gaan heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen, met name over de huidige stand van zaken. Daartoe wordt een comparitie van partijen gelast. Dan kan tevens worden bezien of de zaak vatbaar is voor een minnelijke regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. FR

rolnr. C0400352/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 31 mei 2005,

gewezen in de zaak van:

[appellante],

verblijvende te [gemeente 1],

appellant bij exploot van dagvaarding van 24 februari 2004,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [gemeente 2],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. M.H. Kroon,

op het hoger beroep van het onder zaaknummer 313079 en rolnummer 03/6382 door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnis van 27 november 2003 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met twee producties heeft de man één grief aangevoerd, 'zijn eis' en de grondslag van de eis vermeerderd en gewijzigd, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, en, kort gezegd, tot bepaling dat hij, met uitsluiting van de vrouw, de huur van de woning aan de [adres] zal voortzetten.

2.2. De vrouw heeft zich bij akte uitgelaten over de wijziging van eis. De rolraadsheer heeft bij beslissing van 25 mei 2004 het bezwaar gegrond geoordeeld.

2.3. Bij memorie van antwoord, met vier producties, heeft de vrouw de grieven bestreden.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grief luidt:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in het eindvonnis, overwegende als hij heeft gedaan, beslist dat het belang van de vrouw zwaarderwegend is dan dat van de man.

Voor de inhoud van de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van toelichting.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze is geëindigd. Samenwonen is niet meer mogelijk.

4.1.2. Partijen zijn sinds 14 april 2000 samen huurders (medecontractanten) van de woning [adres]. Inzet van dit geding, dat door de vrouw werd ingeleid, vormt de vraag aan wie van partijen het huurrecht - met uitsluiting van de ander - moet worden toegewezen.

4.1.3. De man heeft in eerste aanleg, zonder rechtsbijstand, schriftelijk aandacht gevraagd voor zijn situatie. Hij heeft geen eis in reconventie ingesteld noch aangedrongen op toekenning van het uitsluitende huurrecht aan hem.

4.1.4. Uit het vonnis waarvan beroep blijkt dat de vrouw op 22 oktober 2003 een productie naar het kantongerecht heeft ingezonden. Dit stuk heeft het hof niet aangetroffen in de procesdossiers.

4.1.5. Voort blijkt uit het vonnis dat er een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Deze aantekeningen zijn niet bij de stukken gevoegd. Uit de memorie van grieven maakt het hof op dat de man ter comparitie - hij had toen wel een rechtsgeleerde gemachtigde, zo blijkt uit het vonnis - om toewijzing van het gehuurde aan hem heeft verzocht.

4.1.6. De kantonrechter heeft de vordering van de vrouw uitgelegd als een vordering op grond het bepaalde in artikel 7:267 lid 7 BW en hij heeft dienovereenkomstig beslist, daarbij het (uitsluitende) huurrecht toekennende aan de vrouw.

4.1.7. In hoger beroep heeft de man 'zijn eis' alsnog aangepast. De rolraadsheer heeft het bezwaar hiertegen gegrond geoordeeld, op de grond dat in eerste aanleg door de man geen eis is ingesteld, zodat er ook geen sprake kan zijn van een eiswijziging.

4.2. Belang

4.2.1. Als meest verstrekkende verweer in hoger beroep voert de vrouw aan dat de man geen belang heeft bij zijn hoger beroep, nu het enige gevolg van een vernietiging zou zijn dat beide partijen het huurrecht behouden.

4.2.2. Het hof verwerpt dit standpunt. Inzet van dit geding vormt niet, althans niet primair, de relatie tussen de medehuurders en de verhuurder, maar de verhouding tussen de medehuurders onderling. Toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW houdt noodzakelijkerwijs in dat bij afwijzing van de vordering (en als vaststaat dat de gezamenlijke huur niet kan worden gecontinueerd), het (uitsluitende) huur wordt toegekend aan de andere medehuurder, terwijl bij toewijzing de andere medehuurder zijn huurrecht verliest. Niet vereist is dat expliciet een eis in reconventie wordt ingesteld. Zulks volgt uit de tekst van de eerste zin van deze bepaling: 'kan vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur (...) zullen voortzetten'. Inzet van het geding vormt niet de vraag of het (uitsluitende) huur aan de eiser(es) moet worden toegekend, maar meer algemeen aan wie van de medehuurders deze moet worden toegekend, onverschillig wie de zaak aanhangig maakt.

4.3. De kantonrechter heeft het belang van de vrouw om in de woning te kunnen blijven wonen zwaarderwegend geoordeeld dan het belang van de man. Daartoe is het volgende overwogen (nummering hof).

(1) [geïntimeerde] is aanzienlijk langer dan [appellant] woonachtig in de wijk, waar de woning aan de [adres] is gelegen.

(2) Daarbij krijgt zij tijdens de vakanties en gedurende weekeinden (zij het niet alle weekeinden) de twee pleegkinderen op bezoek. Ook deze pleegkinderen hebben binding met de wijk zodat zij er een belang bij hebben dat zij hun pleegmoeder in de woning aan de [adres] kunnen bezoeken.

(3) De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] een nieuwe relatie zou hebben en bij haar nieuwe partner in [gemeente 1] zou willen intrekken, is door [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden. [appellant] heeft deze stelling ook niet aannemelijk gemaakt.

(4) Derhalve gaat de kantonrechter ervan uit dat voor beide partijen geldt dat zij geen woonruimte hebben als zij de woning dienen te verlaten.

(5) Weliswaar heeft [appellant] er, mede gelet op zijn handicap, groot belang bij te kunnen blijven werken en is het ongetwijfeld lastig om ver van het werk te wonen, maar hij heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn baan niet zou kunnen behouden indien hij elders -zoals thans bij zijn familie in [gemeente 1]- verblijft.

(6) Daarbij heeft [geïntimeerde] er ook belang bij haar baan te kunnen behouden in het buurthuis van de wijk waarin de woning aan de [adres] is gelegen, terwijl [appellant] werkzaam is voor een werkgever in [gemeente 3].

4.4. Blijkens de toelichting op de grief bestrijdt de man het oordeel van de kantonrechter op zes gronden:

- pleegkind [pleegkind 1] zal niet bij de vrouw gaan wonen, zodat de belangen van deze pleegzoon niet mogen meewegen;

- de vrouw woont bij haar nieuwe partner in [gemeente 1] en komt maar éénmaal per maand naar de woning in [gemeente 2];

- de vrouw kan de huur niet betalen zodat gevreesd moet worden dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden;

- de reistijd [gemeente 1-gemeente 3], waar de man werkt, is soms wel twee uur en brengt hoge kosten mee;

- de man woont bij familie, die daar eigenlijk geen plaats voor heeft; er bestaat een noodsituatie;

- de woningstichting heeft de woning, op voorspraak van de werkgever aan de man, aan hem verhuurd.

De man biedt bewijs aan van zijn stellingen.

4.5. De vrouw stelt hiertegenover kort gezegd het volgende:

- pleegkind [pleegkind 1] komt inderdaad niet bij haar wonen, maar wel een weekend in de vier weken op bezoek; bovendien dient ook rekening te worden gehouden met de belangen van pleegkind [pleegkind 2] dat de vrouw regelmatig bezoekt;

- de vrouw betwist dat zij bij haar nieuwe partner in [gemeente 1] woont;

- de huurachterstand - die is ontstaan omdat de vrouw geen huursubsidie kon krijgen daar de man weigerde zich te laten uitschrijven - is geregeld;

- de vrouw betwist de reistijd huis-werk van de man. Zij wijst erop dat zij vijf ochtenden in de week in het buurthuis werkt, zodat zij ook groot belang heeft niet te hoeven reizen;

- ook voor de vrouw ontstaat een noodsituatie als zij niet in de woning kan blijven wonen;

- mogelijk heeft de man - via zijn werkgever - al weer nieuwe woonruimte gevonden; daarbij is van belang dat de man een hoger inkomen geniet dan de vrouw (die een aanvullende uitkering Wwb heeft).

4.6. Het hof zal de man toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de vrouw feitelijk woont en verblijft in [gemeente 1] en derhalve over woonruimte in [gemeente 1] beschikt.

4.7. Alvorens tot de getuigenverhoren over te gaan heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen, met name over de huidige stand van zaken. Daartoe wordt een comparitie van partijen gelast. Dan kan tevens worden bezien of de zaak vatbaar is voor een minnelijke regeling.

4.8. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

5.1 bepaalt dat partijen in persoon zullen verschijnen voor mr. W.H.B. den Hartog Jager als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 4.7 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 14 juni 2005 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten op in de periode van medio augustus tot eind september 2005;

bepaalt dat de procureur van de man bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

5.2. laat de man toe te bewijzen dat de vrouw feitelijk woont en verblijft in [gemeente 1] en derhalve over woonruimte in [gemeente 1] beschikt;

bepaalt, voor het geval de man bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van voormelde raadsheer-commissaris op voormelde plaats en direct aansluitend op de comparitie van partijen;

bepaalt dat de procureur van de man tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 31 mei 2005.

griffier rolraadsheer