Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU3574

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-2005
Datum publicatie
03-10-2005
Zaaknummer
03/02871
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3.1. Het geschil betreft uitsluitend het antwoord op de vraag of bij de toepassing van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 uitgegaan moet worden van € 41.748,-, het standpunt van belanghebbende, dan wel de helft daarvan, het standpunt van de Inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1946
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/02871

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is met dagtekening 27 maart 2003 vastgesteld, voorzover te dezen van belang, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.124,-. De aanslag is bij de bestreden uitspraak van 26 november 2003 door de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof waarbij door de griffier van hem een griffierecht is geheven van € 31,-.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij gezamenlijke brief van 1 juli 2005, per fax bij het hof ingekomen op 4 juli 2005, delen partijen mee niet ter zitting te zullen verschijnen en dat het geschil beperkt is tot belanghebbendes subsidiaire stelling. Het hof rekent deze brief tot de stukken van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 juli 2005 te Roermond. Aldaar is toen niemand verschenen. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende en een ander, een niet als verbonden persoon in de zin van artikel 3.91 van de Wet IB 2001 te beschouwen persoon, drijven een onderneming in VOF-verband. Ieder neemt daarin deel voor 50%. De VOF oefent een postorderbedrijf uit in bladmuziek. De onderneming wordt uitgeoefend in de woning van belanghebbende. De VOF betaalt een huurprijs van € 2.938,- voor de haar beschikbaar ruimte. Het verhuurde deel heeft een waarde van € 41.748,- welke waarde belanghebbende in aanmerking neemt voor de berekening van de rendementsgrondslag.

2.2. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte voor het onderhavige jaar de helft van de betaalde huurprijs als huurkosten in aanmerking genomen bij de berekening van de winst uit onderneming. De Inspecteur heeft bij de regeling van de aanslag van deze huurkosten een bedrag van € 835,-, de helft van het bedrag dat als inkomen uit sparen en beleggen ter zake van de verhuurde ruimte in aanmerking wordt genomen, als kosten geaccepteerd en voor een bedrag van € 634,- de aangegeven winst gecorrigeerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft uitsluitend het antwoord op de vraag of bij de toepassing van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 uitgegaan moet worden van € 41.748,-, het standpunt van belanghebbende, dan wel de helft daarvan, het standpunt van de Inspecteur.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het hof verstaat, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.490,-.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De tekst van artikel 3.17 van de Wet IB 2001 luidt, voorzover te dezen van belang, blijkens het Staatsblad, jaargang 2001, nummer 1, voor het onderhavige jaar:

"Artikel 3.17 In aftrek beperkte kosten ten behoeve van de belastingplichtige

1. Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16, kosten en lasten die verband houden met de volgende posten, tot het bij die posten aangegeven gedeelte in aftrek:

a. (...);

b. (...);

c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende bezittingen, andere dan personenauto's als bedoeld in onderdeel b: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen, zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije vermogen bedoeld in artikel 5.5, dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming.

(...)."

Bovenvermeld onderdeel c is ingevoerd bij Veegwet IB 2001. De Memorie van toelichting daarbij vermeld hieromtrent het volgende;

"B. Behandeling keuzevermogen

In de sfeer van de winst uit onderneming is een wijziging aangebracht met betrekking tot het gebruik in de onderneming van tot het privé-vermogen van de ondernemer behorende bezittingen. Het betreft bezittingen die tot het zogenoemde keuzevermogen worden gerekend. Op grond van het leerstuk van de vermogensetikettering, bestaat naast het verplichte ondernemingsvermogen en het verplichte voor een ondernemer de mogelijkheid binnen de grenzen der redelijkheid te kiezen om bepaalde vermogensbestanddelen aan zijn ondernemingsvermogen of aan zijn privévermogen toe te rekenen. De Raad van State heeft terecht aandacht gevraagd voor de arbitrageproblematiek die op dit terrein kan ontstaan bij mede in de onderneming gebruikte vermogensbestanddelen die door de ondernemer tot zijn privévermogen worden gerekend. Zonder de voorgestelde maatregel zou het mogelijk zijn dat een ondernemer een fictieve gebruiksvergoeding ter zake van dergelijke vermogensbestanddelen ten laste het resultaat brengt terwijl de daar eventueel tegenover staande heffing over het voordeel uit sparen en beleggen niet opweegt tegen de door die aftrekpost ontstane vermindering van de heffing over inkomen uit werk en woning. Dit effect zou in het verlengde van bestaande rechtspraak eigenlijk niet mogen optreden. Het is bovendien niet wenselijk deze problematiek aan de rechtspraak over te laten. Daarom is met behulp van een wettelijke maatregel duidelijkheid gecreëerd. De genoemde potentiële arbitragemogelijkheid is geneutraliseerd door de aftrekmogelijkheid te beperken tot het bedrag van het in box III in aanmerking te nemen voordeel uit sparen en beleggen ter zake van de desbetreffende vermogensbestanddelen. Deze wijziging geldt mutatis mutandis ook voor belastingplichtigen die belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genieten."

en;

"Artikel I, onderdeel Na (artikel 3.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Het nieuwe onderdeel c van artikel 3.17, eerste lid, is opgenomen naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Met dit onderdeel c wordt beoogd de nodige duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop de verwerking van winstcorrecties dient plaats te vinden ingeval de belastingplichtige vanuit de privé-sfeer bezittingen ter beschikking stelt aan zijn onderneming. Tevens wordt hiermee beoogd de arbitrage die mogelijk is vanwege het grondslag- en tariefverschil tussen box I en box III, tot op zekere hoogte weg te nemen; tot op zekere hoogte omdat het voorstel om redenen van eenvoud niet voorziet in een correctie van het tariefverschil. Het voorstel leidt ertoe dat een - fictieve - gebruiksvergoeding voor het gebruik van bezittingen in de onderneming, als kosten van de onderneming in aanmerking wordt genomen tot ten hoogste het bedrag dat als voordeel uit sparen en beleggen ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen. Daarbij wordt geabstraheerd van het heffingvrije vermogen als bedoeld in artikel 5.5 om te voorkomen dat bij relatief kleine vermogens de mogelijkheid om de gebruiksvergoeding af te trekken, zou vervallen.

De wijziging van het vierde lid houdt verband met de toevoeging van het nieuwe onderdeel c aan het eerste lid: anders dan voor de overige onderdelen van dit artikel, behoeven voor de toepassing van onderdeel c de tot het huishouden van de belastingplichtige behorende personen niet met hem te worden gelijkgesteld. "

4.2. Het hof is op grond van de tekst en doel en strekking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001, van oordeel dat de beperking van de aftrekbare kosten met betrekking tot belanghebbendes bezittingen behorend tot zijn prive-vermogen die in de onderneming worden gebruikt, in het onderhavige geval beperkt is tot 4% van de helft van € 41.748,-. Immers enkel ten aanzien van die helft van belanghebbendes bezittingen geldt dat die ter beschikking staan aan de onderneming voorzover hij uit die onderneming als ondernemer winst geniet. Bovendien zou belanghebbendes standpunt, dat de gehele waarde in bovenstaande zin in aanmerking moet worden genomen, ertoe leiden dat niet alleen de vergoeding voorzover die aan de medevennoot kan worden toegerekend geheel als aftrekbare kosten op de winst in mindering kan worden gebracht en in de forfaitaire heffing van het inkomen uit sparen en beleggen wordt betrokken, maar tevens dat het gedeelte van dat forfait bij belanghebbendes winstberekening in aanmerking zou komen als aftrekbare kosten. Dit laatste zou in strijd zijn met zowel de regels voor wat betreft de toerekening van winst en kosten in geval van meerdere gerechtigden tot die winst, als met de doelstelling van meergenoemd onderdeel c van artikel 3.17.

4.3. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door C.A.F.M. Stassen, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 29 juli 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 29 juli 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.