Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2875

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-03-2005
Datum publicatie
19-09-2005
Zaaknummer
20.002410.03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij :

in of omstreeks de maand september 2001 te Haarsteeg, gemeente Heusden, opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten eierschalen, heeft ontdaan door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.2
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 20.002410.03

datum uitspraak: 1 maart 2005

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

economische kamer

ARREST

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 13 juni 2003 in de strafzaak onder parketnummer 01/075204/02 tegen:

[verdachte] C.V.,

gevestigd te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal strekt ertoe dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat zij in of omstreeks de maand september 2001 te Haarsteeg, gemeente Heusden, al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten eierschalen, in elk geval van eieren, heeft ontdaan door deze -al dan niet in verpakking- buiten een inrichting op of in de bodem te brengen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij :

in of omstreeks de maand september 2001 te Haarsteeg, gemeente Heusden, opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten eierschalen, heeft ontdaan door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan in het geval van aanvulling van het arrest vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a van het Wetboek van Strafvordering; in dat geval wordt deze aanvulling aan het arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B1

Bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat eierschalen geen afvalstoffen zijn -naar het hof begrijpt- geen 'afvalstoffen' in de zin van Wet milieubeheer, aangezien de eierschalen als bodemverbeteraar werden aangewend.

B2

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Blijkens het bepaalde in artikel 1 van de Wet milieubeheer moet onder afvalstoffen worden verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG (voortaan: de richtlijn) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

In deze richtlijn wordt in artikel 1 verstaan onder:

a.) "afvalstof': elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage 1 genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens zich te ontdoen of zich moet ontdoen. (...)

b.) "producent": elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht ("eerste producent") en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen, of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

c.) "houder": de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft.

Het hof overweegt dat de in die bijlage I alsmede de toelichting daarop, de definitie van afvalstof wordt toegelicht met lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd. Deze lijsten zijn evenwel slechts indicatief en de kwalificatie 'afvalstof hangt vooral af van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt derhalve af van de betekenis van de term `zich ontdoen van', welke term moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstelling van de richtlijn, namelijk, de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, alsmede tegen de achtergrond van artikel 174, lid 2, van het EG-verdrag, volgens hetwelk de gemeenschap in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft en dat beleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Bijgevolg kan het begrip afvalstof niet restrictief worden uitgelegd.

Voorts overweegt het hof dat de vraag of er in een bepaald geval sprake is van een afvalstof meer in het bijzonder moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening gehouden moet worden met de doelstelling van de richtlijn en dat ervoor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

Het hof stelt vast dat de richtlijn geen enkel beslissend criterium bevat aan de hand waarvan de wil van de houder om zich van een bepaalde stof of een bepaald voorwerp te ontdoen, kan worden vastgesteld.

Voorts merkt het hof op dat de nationale autoriteiten de mogelijkheid hebben regels te stellen die voorzien in een vrijstelling van vergunning voor verwijderingshandelingen en handelingen voor nuttige toepassing van afvalstoffen. De mogelijkheid om een zodanige ontheffing te verlenen, behoeft niet af te doen aan het karakter afvalstof.

B3

Met inachtneming van hetgeen onder B2 werd overwogen, zal het hof nagaan of er aanwijzingen zijn waaruit de wil van de houder kan worden vastgesteld en aldus beoordelen of de eierschalen in casu al dan niet moeten worden aangemerkt als afvalstof in de zin van de richtlijn en de Wet milieubeheer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van de navolgende omstandigheden:

- verdachte drijft een landbouwonderneming;

in die hoedanigheid ontving verdachte eierschalen van de eierverwerkende onderneming [betrokkene 1];

- in de onderneming [betrokkene 1] werden eieren ontvangen, ontdaan van hun schaal;

- de inhoud wordt verwerkt tot eindproducten, t.w. eiproducten;

- na scheiding heeft de schaal voor [betrokkene 1] geen economische waarde meer

deze overblijvende schalen worden afgezet in de landbouw als (alternatief voor) kalkbemesting; de eierschalen worden daartoe in vergruisd en gecentrifugeerd;

- de daartoe bestemde vergruizer op het terrein van [betrokkene 1] is eigendom van [betrokkene 2];

- verdachte heeft op enig moment kalk gezocht om aan diens land toe te voegen;

- verdachte heeft daartoe onder meer geïnformeerd bij [betrokkene 3], maar dit (eveneens gratis) product, beviel hem niet;

- vervolgens heeft verdachte contact gezocht met voornoemde [betrokkene 2], en geïnformeerd naar kalk;

- verdachte heeft daarop vergruisde eierschalen besteld en gekregen;

- verdachte heeft de vergruisde eierschalen om niet verkregen;

- verdachte heeft de vergruisde eierschalen waartussen nog eivliezen zichtbaar waren in de periode gelegen tussen 4 september 2001 en 2 oktober 2001 ondergewerkt, danwel laten onderwerken op het perceel gelegen [adres].

B4

Naar het oordeel van het hof dient [betrokkene 1] te worden aangemerkt als (eerste) producent van de eierschalen in de zin van de richtlijn en dienen deze eierschalen -gelet op de onder B3 genoemde omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien- te worden aangemerkt als afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer waarvan [betrokkene 1] en daarna [betrokkene 2] zich als opvolgende houder hebben ontdaan.

Aldus heeft ook verdachte -als (opvolgende) houder in de zin van de richtlijn- zich ontdaan van een afvalstof doordat hij de eierschalen op en in de bodem heeft gebracht of laten brengen ('laten onderwerken').

Het hof verwerpt het verweer mitsdien.

C

Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, heeft het hof bewezenverklaard dat verdachte zich opzettelijk van en afvalstof heeft ontdaan. Te dien aanzien overweegt het hof dat het in zijn algemeenheid niet noodzakelijk is dat verdachte van het afval-karakter op de hoogte was, doch dat voldoende is dat het opzet van verdachte gericht was op het door hem gestelde handelen, in casu het in of op de bodem laten brengen van de eierschalen.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, in verbinding met de artikelen 1 a aanhef en onder 1(oud), 2a, eerste lid (oud) en 6, eerste lid aanhef en onder 1 (oud) van de Wet op de economische delicten, in verbinding met artikel 51, tweede lid aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte uit een oogpunt van kostenbesparing eierschalen heeft op en in de bodem heeft gebracht of laten brengen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat verdachte zulks heeft gedaan nog ná 4 september 2001, de dag waarop haar vertegenwoordiger als verdachte werd gehoord terzake van het op de bodem brengen van afvalstoffen, zulks in verband met de omstandigheid dat op het perceel gelegen [adres], de later ondergewerkte eierschalen daartoe gereed lagen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een geldboete van

? 2.500,- waarvan ? 1.250,- voorwaardelijk dient te worden opgelegd. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het opleggen van een geldboete aan verdachte passend en geboden is. Het hof zal daarbij bepalen dat deze straf deels voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, waarmee enerzijds de ernst van het feit wordt benadrukt, doch de straf anderzijds dienstbaar wordt gemaakt aan de voorkoming van nieuwe strafbare feiten door verdachte.

Het onvoorwaardelijk alsmede het voorwaardelijk op te leggen gedeelte van de geldboete vallen evenwel lager uit dan als door de advocaat-generaal gevorderd. Hiermee brengt het hof tot uitdrukking de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, waarvan in het bijzonder blijkt uit de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de omstandigheid dat verdachte moet worden gezien als de laatste schakel in de afvalketen als omschreven onder B3. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof tenslotte rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voorzover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht;

- 10.2 van de Wet milieubeheer;

- la, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: "Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon."

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van ? 1.500,-.

Beveelt dat van de opgelegde geldboete een deel, groot £ 1.000,-, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Dit arrest is gewezen door Mr. Harmsen, als voorzitter

Mrs. Van de Loo en De Lange, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kempen, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 maart 2005.