Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2650

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
14-09-2005
Zaaknummer
00/03547
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de door de in Nederland gevestigde dochter aan de in België gevestigde moeder binnen de fiscale eenheid betaalde rente ten laste van het in Nederland te belasten belastbare bedrag van de fiscale eenheid mag worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 1274
FutD 2005-1759
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03547

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X Beheer B.V. te Y (België) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 200.000,--, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 196.139,--.

1.2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 450,=

(€ 204,20).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 juni 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en deze voorgedragen. Het hof rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.6. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op

7 januari 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.7. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en deze voorgedragen. Het hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.8. Het hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende vormt sedert 1 januari 2003 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met haar dochtermaatschappij A B.V. Op 28 november 1996 heeft belanghebbende al haar onroerende zaken verkocht aan haar genoemde dochtervennootschap. De koopprijs is schuldig gebleven.

Op 24 december 1996 is de zetel van belanghebbende verplaatst naar België. De fiscale eenheid is hierdoor niet verbroken.

2.2. De door de dochtervennootschap in 1996 aan belanghebbende betaalde rente over de schuld bedraagt ƒ 13.169,--. Bij het opstellen van de aangifte van de fiscale eenheid is deze rente begrepen in het te consolideren resultaat. In die aangifte is begrepen het winstaandeel België ad ƒ 9.078,=.

2.3. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling de betaalde rente niet in aftrek toegelaten, het resultaat België in de winst begrepen en een tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting verleend ad ƒ 3.288,--.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de door de in Nederland gevestigde dochter aan de in België gevestigde moeder binnen de fiscale eenheid betaalde rente ten laste van het in Nederland te belasten belastbare bedrag van de fiscale eenheid mag worden gebracht.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting van 11 juni 2003 het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende:

Het bedrag van de rente is in de aangifte geconsolideerd opgenomen in het resultaat van de fiscale eenheid. De moeder is behandeld als een vaste inrichting.

3.2.2. De Inspecteur:

De tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting is abusievelijk verleend. Aangezien de rente geconsolideerd is opgenomen, is de aftrek in feite niet toegepast. Ook het Belgische resultaat dient nog uit het belastbare bedrag te worden geëlimineerd.

3.3. Partijen hebben ter zitting van 5 januari 2005 nog het volgende aan hun standpunten toegevoegd.

3.3.1. Belanghebbende:

Door het weigeren van de aftrek van de rente wordt een belemmering opgeworpen voor de verhuizing van de vestigingsplaats van de moeder naar België. In België namelijk wordt de door de dochter aan de moeder betaalde rente bij de moeder belast. Deze belemmering is in strijd met Europees recht.

3.3.2. De Inspecteur:

Het weigeren van de aftrek van de rente wordt gerechtvaardigd door het territorialiteitsbeginsel en het beginsel van de fiscale coherentie.

3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van

ƒ 160.713,--. De Inspecteur concludeert eveneens tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de bestreden uitspraak maar dan tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 173.882,--.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Rentebetalingen binnen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting worden naar Nederlands belastingrecht niet in aanmerking genomen. Dit wordt niet anders als de vennootschap die de rente betaalt, in Nederland is gevestigd en de vennootschap die de rente ontvangt, in België.

4.2. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat hierdoor een belemmering ontstaat als de gerechtigde tot de ontvangst van de rente haar feitelijke vestigingsplaats van Nederland naar België verplaatst.

4.3. Die belemmering is evenwel een gevolg van de omstandigheid dat België de ontvangen rente in de belastingheffing betrekt en geen gevolg van de omstandigheid dat Nederland de rente niet in aftrek toelaat. Nederland immers laat de binnen een fiscale eenheid betaalde rente nooit in aftrek toe ongeacht de nationaliteit dan wel de vestigingsplaats van de ontvanger van de rente.

4.4. De opvatting van belanghebbende komt er derhalve op neer dat van Nederland gevraagd wordt ten aanzien van de renteaftrek binnen een fiscale eenheid te discrimineren tussen het geval waarin de crediteur binnen een fiscale eenheid feitelijk in Nederland is gevestigd en het geval waarin deze crediteur feitelijk in het buitenland is gevestigd.

4.5. Naar het oordeel van het Hof brengt het gemeenschapsrecht niet met zich mee dat een belemmering moet worden opgeheven indien als gevolg van de desbetreffende maatregel ongeoorloofde discriminatie optreedt.

4.6. Daar komt bij dat belanghebbende de belemmering had kunnen voorkomen door ter gelegenheid van het overbrengen van de vestigingsplaats van de moeder de fiscale eenheid te verbreken. Dat zij heeft verkozen zulks niet te doen met het oog op de nadelige fiscale consequenties als gevolg van omstandigheid dat zij kort tevoren gebruik heeft gemaakt van de voordelen van de fiscale eenheid, doet daar niet aan af.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Diens uitspraak moet overeenkomstig zijn nadere conclusie worden vernietigd waarbij de aanslag dienovereenkomstig dient te worden verminderd.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3(punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.449,=.

6. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 173.882,--;

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, vastgesteld op € 1.449,= en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden;

Aldus gedaan door N. van Beelen, voorzitter, J.W. Zwemmer en

D. Hund, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op:

13 juli 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 13 juli 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.