Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2476

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
13-09-2005
Zaaknummer
03/02668
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vraag: Heeft de belanghebbende recht op toepassing van de aanvullende ouderenkorting als bedoeld in artikel 8.18 van de Wet IB 2001?

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 8.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/59.15 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1773
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/02668

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/YY van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een verzamelinkomen van fl. 36.118,52 (€ 16.389,87). In de door de belanghebbende ingediende aangifte heeft de belanghebbende verzocht om toepassing van de aanvullende ouderenkorting, welke korting evenwel niet is verleend. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een recht geheven van € 31,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 juni 2005 te Bergen op Zoom. Aldaar is toen verschenen en gehoord de gemachtigde van de belanghebbende, de heer mr. M, alsmede, namens de Inspecteur, de heer H, verbonden aan vorengenoemd onderdeel van de rijksbelastingdienst.

1.4. De belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met één bijlage toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota en de bijlage tot de stukken van het geding.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 22 mei 1928 en gehuwd met mevrouw P geboren op 13 februari 1930. Zij leven sinds augustus 1998 duurzaam van elkaar gescheiden doordat zijn echtgenote sindsdien in een verzorgingstehuis verblijft. De belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW-uitkering) voor gehuwden genoten. Hij noch zijn echtgenote hebben voor het onderhavige jaar verzocht om een AOW-uitkering voor ongehuwden.

2.2. De belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de ouderenkorting conform artikel 8.17, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en deze is bij hem in het onderhavige jaar bij het opleggen van de aanslag ook in aanmerking genomen.

2.3. Met dagtekening 7 mei 2003 heeft de Inspecteur onderhavige aanslag opgelegd, waarbij de door de belanghebbende in de aangifte over het jaar 2001 geclaimde aanvullende ouderenkorting ten bedrage van € 248,= niet is verleend.

2.4. Bij schrijven van 23 april 2003, ontvangen door de Inspecteur op 28 april 2003, is de belanghebbende tegen de onderhavige aanslag in bezwaar gekomen. Vervolgens heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 21 oktober 2003 de aanslag gehandhaafd. Bij schrijven van 26 november 2003, binnengekomen ter griffie van het Hof op 27 november 2003, heeft de belanghebbende tegen deze uitspraak beroep ingediend.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vraag: Heeft de belanghebbende recht op toepassing van de aanvullende ouderenkorting als bedoeld in artikel 8.18 van de Wet IB 2001?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.4 vermelde stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. De Inspecteur heeft tijdens het onderzoek ter zitting - kort samengevat - het volgende toegevoegd:

* (Desgevraagd:) Ik betwist niet dat de belanghebbende en zijn echtgenote sinds augustus 1998 duurzaam van elkaar gescheiden leven.

* (Desgevraagd:) Indien de belanghebbende (tijdig) een AOW-uitkering voor ongehuwden zou hebben aangevraagd twijfel ik er niet aan dat hij deze ook zou hebben verkregen.

4. Conclusies van partijen.

De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag rekening houdend met een aanvullende ouderenkorting van € 248,=. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 8.18, van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

'1. De aanvullende ouderenkorting geldt voor de belasting-plichtige indien:

a. voor hem de ouderenkorting geldt, en

b. hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet.

2. De aanvullende ouderenkorting bedraagt € 248 (ƒ 547).'

5.2. Voorts luidt artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW), als volgt:

'1. Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor:

a. de ongehuwde pensioengerechtigde;'

5.3. Voorts luidt artikel 1, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de AOW, als volgt:

'3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

(...)

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.'

5.4. Partijen hebben tijdens het onderzoek ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de belanghebbende en zijn echtgenote duurzaam van elkaar gescheiden leven sinds augustus 1998.

5.5. Voorts heeft de Inspecteur desgevraagd tijdens het onderzoek ter zitting verklaard dat indien de belanghebbende en zijn echtgenote tijdig om een AOW-uitkering voor ongehuwden zouden hebben verzocht, hij er niet aan twijfelt dat deze uitkering voor het onderhavige jaar zou zijn verstrekt. Ook de belanghebbende neemt het standpunt in, dat hij in het onderhavige jaar recht had op AOW-uitkering voor ongehuwden.

5.6. Nu de belanghebbende en zijn echtgenote niet (tijdig) ieder een AOW-uitkering voor ongehuwden hebben aangevraagd dient het Hof te beoordelen of het door de partijen onder 5.5 vermelde standpunt, dat de belanghebbende over het onderhavige jaar recht zou hebben kunnen doen gelden op een AOW-uitkering voor ongehuwden niet uitgaat van een juridisch onjuist uitgangspunt.

5.7. Gelet op onder 2.1 vermelde feiten en gelet op de onder 5.2 en 5.3 geciteerde wettelijke bepalingen is het Hof van oordeel, dat partijen bij hun onder 5.5 vermelde standpunt uitgaan van een juridisch juist uitgangspunt. Mitsdien zal het Hof partijen hierin volgen.

5.8. Het Hof is van oordeel dat voor het verlenen van de aanvullende ouderenkorting als bedoeld in artikel 8.18 van de Wet IB 2001, voldoende is dat de belanghebbende recht kon doen gelden op een AOW-uitkering voor ongehuwden. Niet relevant is of een dergelijke uitkering daadwerkelijk is aangevraagd en verkregen.

5.9. De Inspecteur heeft op grond van de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, 1996/1997, 25 052, nr. 3, blz. 19), aangevoerd dat de eisen van de uitvoeringspraktijk en andere praktische overwegingen met zich meebrengen dat de aanvullende ouderenkorting alleen kan worden verstrekt indien daadwerkelijk een AOW-uitkering voor ongehuwden is genoten. Het Hof verwerpt deze stelling, nu naar het oordeel van het Hof onder in aanmerking komen als bedoeld in artikel 8.18, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van de Wet IB 2001 ook moet worden begrepen de situatie dat een belastingplichtige in werkelijkheid niet een AOW-uitkering voor ongehuwden heeft genoten, terwijl die belastingplichtige daarop wel recht had en deze uitkering zou hebben verkregen indien hij deze (tijdig) zou hebben aangevraagd.

5.10. Uit het vorenstaande volgt, dat het gelijk aan de zijde van de belanghebbende is. Voor dit geval is niet in geschil, dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat de aanslag moet worden verminderd tot één rekening houdend met een aanvullende ouderenkorting van € 248,=.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 x € 322,= (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 644,=.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot één rekening houdend met een aanvullende ouderenkorting van € 248,=,

- gelast dat aan de belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,=,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van de belanghebbende, vastgesteld op € 644,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 21 juli 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 21 juli 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.