Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2475

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-07-2005
Datum publicatie
13-09-2005
Zaaknummer
03/02512
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

3.1. Is er over het jaar 1998 sprake van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/58.1.1
FutD 2005-1772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/02512

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Zuidwest kantoor Q van de rijksbelastingdienst (hierna aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 met dagtekening 24 november 2000, een aanslag WAZ opgelegd naar een premie inkomen van ƒ 49.534,--, alsmede een verzuimboete van ƒ 250,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, inclusief de boete, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 31,--. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft, voor zover het de boete betrof, in het openbaar plaatsgehad op 18 maart 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde de heer Mr. F verbonden aan V Accountants en Belastingadviseurs te Q, alsmede, namens de Inspecteur, de heer B.

1.4. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een faxbericht met dagtekening 21 juli 1999 van de heer J aan de heer W van de RABO Bank Z-straat.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 1998 woonachtig in Nederland.

2.2. Belanghebbende is directeur/enig aandeelhouder van C BV (hierna: C)te Y.

2.3. Over het jaar 1998 heeft belanghebbende op 1 september 2000 (voor de indiening van de aangifte was uitstel verleend tot 1 maart 2000) een aangifte inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen ingediend, waarin hij een bedrag van ƒ 52.642,-- aangeeft als loon uit dienstbetrekking bij C. Op dit bedrag werd door C geen loonheffing ingehouden. Daarnaast geeft hij een bedrag van ƒ 12.683,- aan als van Cadans ontvangen WW uitkering waarop ƒ 4145,- loonheffing werd ingehouden. De in het geding zijnde aanslag werd door de inspecteur overeenkomstig deze aangifte vastgesteld.

2.4. Belanghebbende heeft in 1998 als salesmanager werkzaamheden verricht voor N.V. Drukkerij A (hierna: A) welke vennootschap gevestigd is in België.

2.5. Belanghebbende heeft geen schriftelijk arbeidscontract met A.

2.6. In 1998 werkte belanghebbende uitsluitend voor A. Vóór 1998 alsmede in de jaren na 1998, verrichte belanghebbende voor rekening van C werkzaamheden voor verschillende opdrachtgevers.

2.7. C heeft met als omschrijving "onkosten" voor zijn werkzaamheden als bedoeld in 2.4, maandelijks facturen uitgeschreven aan A voor de werkzaamheden van belanghebbende.

2.8. De aldus gefactureerde vergoedingen zijn voorts als baten aangegeven en begrepen in de verlies- en winstrekening over 1998 van C, terwijl belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting, premieheffing en WAZ, uitsluitend inkomsten van C tot een bedrag van ƒ 52.642,- als loon uit dienstbetrekking bij C heeft verantwoord.

2.9. De door belanghebbende over 1998 aangegeven inkomsten uit C BV zijn door die vennootschap als salariskosten in de verlies- en winstrekening over dat jaar opgenomen.

2.10 In december 2000 startte belanghebbende een rechtszaak tegen A teneinde deze te bewegen tot het de uitbetaling van een dertiende maand en vakantiegeld over de jaren 1997, 1998 en 1999 en tot uitbetaling van een salaris over oktober 2000. Deze zaak is door belanghebbende ingetrokken, zonder enige financiële tegemoetkoming door A.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

3.1. Is er over het jaar 1998 sprake van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en A.

3.2. Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3. Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk verklaard dat het beroep niet de opgelegde boete betreft.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ik heb geen bezwaar gemaakt, noch beroep ingesteld tegen de boete. Ik verzoek om vergoeding van proceskosten volgens het puntenstelsel.

Over 1998 heb ik in België geen aangifte gedaan voor de heffing van belasting naar het inkomen. Dat houdt verband met de stelling van de Inspecteur dat er in Nederland belasting betaald moet worden.

In 1998 heb ik het gehele jaar voor A gewerkt. Ik was verantwoordelijk voor de klanten in Nederland. Ik voerde mijn werkzaamheden deels in België en deels in Nederland uit.

Aanvankelijk schreef ik aan A geen facturen uit voor mijn werkzaamheden. Pas na afloop van 1998 heb ik, op verzoek van A, de maandfacturen uitgeschreven. Er is geen sprake geweest van een arbeidscontract met A. In de ter zitting overgelegde fax van 21 juli 1999, wordt gewag gemaakt van een(...)telefoongesprek met betrekking tot de "verloning" van de heer X.(...) en ook: Hij heeft ook een personenauto te zijner beschikking die hij ook privé mag gebruiken.

Sedert einde 2000 werk ik weer voor meerdere opdrachtgevers op naam en voor rekening van C.

De Inspecteur

Er is een arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en C, en niet tussen belanghebbende en A. De heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen is op grond van het belastingverdrag en de EEG verordening 1408/71 aan Nederland toegewezen. Het is onwaarschijnlijk dat A in België loonbelasting heeft afgedragen over de betalingen aan belanghebbende. Er is door belanghebbende gefactureerd en er is door A geen loonopgave aan belanghebbende verstrekt. Eerst in 1999 is door A een personenauto aan belanghebbende ter beschikking gesteld. Dat de facturen van belanghebbende aan A achteraf zijn opgemaakt, betekent hooguit dat ze geantidateerd zijn.

3.5. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat belanghebbende in 1998 als directeur/ groot/aandeelhouder van C werkzaam was als salesmanager in de drukkerijbranche. Hij heeft, in vroegere jaren en na 1998, deze werkzaamheden als op naam en voor rekening van C uitgevoerd, voor verscheidene opdrachtgevers en is in die tijd bij geen van hen in loondienst geweest. Het jaar 1998 vormt op deze regel slechts in zoverre een uitzondering, dat er in dat jaar geen andere opdrachtgevers waren dan A.

4.2. Voorts is van belang de omstandigheid dat is gebleken dat belanghebbende in de relatie met A niet beschikte noch kon beschikken over allerlei werknemersspecifieke rechten, zoals onder meer: het recht op doorbetaling tijdens verlof, vakantie, ziekte of opleiding, het recht op een uitkering na het beëindigen van de arbeid, het recht op vakantiegeld en het recht op een dertiende maand.

4.3. Een, eerst in 2000, door belanghebbende opgestarte gerechtelijke procedure om A te bewegen, onder meer, vakantiegeld en een dertiende maand uit te betalen, werd door hem niet doorgezet, terwijl evenmin betalingen uit dien hoofde plaatsvonden. Het hof leidt hieruit af dat behalve A , kennelijk ook belanghebbende zelf de overtuiging was toegedaan dat er geen sprake was van een werknemer-werkgeverrelatie.

4.4. Op aan C en belanghebbende gedane uitbetalingen werd door A geen Belgische of Nederlandse loonheffing ingehouden en evenmin bestond er een schriftelijke arbeidsovereenkomst in civielrechtelijke zin tussen A en belanghebbende.

4.5. In een faxbericht van A aan de Rabo Bank X-straat, tijdens de zitting door belanghebbende aan het hof overgelegd en met toestemming van de inspecteur tot de gedingstukken gerekend, geeft A aan dat belanghebbende (...) op zelfstandige basis(...) werkt.

4.6. Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 2.2. tot en met 2.10 opgenomen feiten, is het Hof van oordeel dat er geen sprake was van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en A.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Ook overigens is niet gebleken dat de aanslag onjuist of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

5. Het griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door G.J. van Muijen voorzitter, T. Blokland en D.Hund, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van L.Abbing van Kleef, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 15 juli 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 15 juli 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

3. In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.