Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU2474

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-2005
Datum publicatie
13-09-2005
Zaaknummer
03/02492
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur, bij het opleggen van de aanslag, de studiekosten ten onrechte niet als buitengewone lasten in aftrek heeft gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1767
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/02492

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/YY van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2000 (hierna: de aanslag).

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 juli 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer M.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 29 juli 2005, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

1. Vast staat dat belanghebbende geld heeft geleend in verband met de studie van zijn zoon. Deze financiering is, bij notariële akte van 29 maart 1996, omgezet in een hypothecaire geldlening tot een bedrag van ƒ 120.000,=. De in het jaar 2000 op deze lening betaalde rente bedroeg ƒ 23.419,=. Belanghebbende heeft deze rente in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2000 (hierna: de aangifte) in aftrek gebracht als studiekosten. Aldus heeft belanghebbende, na aftrek van de drempel ad ƒ 800,=, een bedrag van ƒ 22.619,= in aftrek gebracht.

2. De Inspecteur heeft, bij het opleggen van de aanslag, de volgende correcties op het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen gemaakt:

ƒ

Aangegeven belastbaar inkomen:

48.304,=

Af: hogere aftrek rente van schulden:

-7.395,=

Af: aftrek kosten vermogensbeheer (niet in geschil):

-1.740,=

Bij: geen aftrek buitengewone lasten (studiekosten):

+22.619,=

Vastgesteld belastbaar inkomen:

61.788,=

Het bedrag aan hogere aftrek rente van schulden, ad ƒ 7.395,=, betreft het voor belanghebbende en zijn echtgenote voor het jaar 2000 geldende aftrekmaximum, ad ƒ 10.582,=, verminderd met de reeds in de aangifte in aanmerking genomen rente, ad ƒ 3.187,=.

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur, bij het opleggen van de aanslag, de studiekosten ten onrechte niet als buitengewone lasten in aftrek heeft gelaten.

4. Artikel 46, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 luidt:

"1. Buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende:

c. uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep van de belastingplichtige of diens niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot, voor zover zij meer bedragen dan ƒ 800 of, zo dit minder is, 2 percent van het onzuivere inkomen;"

5. Op grond van de tekst het onder 4. weergegeven artikel, is het Hof van oordeel dat belanghebbende genoemde rente, ad ƒ 23.419,=, niet onder de noemer studiekosten in aftrek kan brengen als buitengewone lasten. In dat artikel wordt immers bepaald dat uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep van de belastingplichtige of diens niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot als zodanig aftrekbaar zijn. Nu belanghebbende de rente heeft betaald op een lening die ziet op studie van zijn zoon, en niet op studie van hemzelf of zijn echtgenote, is de rente niet onder de noemer studiekosten aftrekbaar als buitengewone lasten.

6. Belanghebbende beroept zich in dit verband op het vertrouwensbeginsel. Op 6 april 1995 heeft de Belastingdienst aan de financier van genoemde lening geschreven dat de rente via de ouders aftrekbaar zou zijn. Deze brief is echter in zijn algemeenheid geschreven en heeft niet uitdrukkelijk betrekking op de situatie van belanghebbende. Bovendien luidt de eerste alinea van deze brief (onderstreping door het Hof) als volgt:

"Naar aanleiding van ons telefoongesprek van enige weken geleden informeer ik u hierbij over de tot op dit moment ingenomen standpunten met betrekking tot de door uw bank verzorgde financiering van vliegeniersopleidingen."

7. Het Hof overweegt dat de rente, zoals in de onder 6. genoemde brief is aangegeven, ook daadwerkelijk bij belanghebbende in aftrek komt, gezien de door de Inspecteur aangebrachte correctie van de rente van schulden. Op deze aftrek zijn echter wel de beperkingen van artikel 45, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing. Deze beperking levert echter geen strijd op met het vertrouwensbeginsel. Voorts overweegt het Hof dat in genoemde brief van 6 april 1995 niet staat dat die afspraak ongeacht wetswijziging onverkort van toepassing zou blijven. De onderstreepte passage in de onder 6. weergegeven alinea geeft immers duidelijk aan dat het standpunten betreft zoals die op dat moment worden ingenomen.

8. Van een nieuwe wet op studieaftrek via een hypotheek, welke volgens belanghebbende in juli 1997 zou zijn ingevoerd met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996, is het Hof niet gebleken.

9. Naar het oordeel van het Hof kan de rente, ad ƒ 23.419,=, ook niet in aftrek worden gebracht als kosten met betrekking tot de eigen woning. De lening is immers besteed aan de studie van de zoon van belanghebbende en niet aan de eigen woning.

10. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door W. Brouwer, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van I. van Wijk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2005.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 1 augustus 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.