Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AU0192

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2005
Datum publicatie
28-07-2005
Zaaknummer
AVNR. 006862-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De vraag die zich vervolgens aandient, is of de gevorderde wijze van horen (zittend in box en met stemvervorming) een vordering is in de zin van artikel 190, tweede lid wetboek van strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 449

Uitspraak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Raadkamer

--------------------------------------------------------------------

| BESLISSING OP BEROEP TEGEN EEN BESCHIKKING VAN DE

RAADSHEER-COMMISSARIS

--------------------------------------------------------------------

Bijzonderzakennummer: AVNR. 006862-05

Parketnummer 1e aanleg: 02-004242-03

Parketnummer: 20.004150.04

De raadkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, gezien de akte van de griffier van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 14 juni 2005, waarbij door de advocaat-generaal in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda,

hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de raadsheer-commissaris d.d. 30 mei 2005, waarbij de raadsheer-commissaris beslist heeft op een vordering ex artikel 190, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering.

gezien de beschikking waarvan beroep;

gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman;

1. De raadkamer stelt de volgende feiten vast.

1.1 Op 14 april 2005 heeft de meervoudige strafkamer van het hof de behandeling van de strafzaak tegen verdachte aangehouden voor - onder meer - het horen van de politie-infiltrant A-1577 door een raadsheer-commissaris, afkomstig uit de genoemde strafkamer.

1.2 Ter voorbereiding van dat verhoor heeft de raadsheer-commissaris overleg gevoerd met de advocaat-generaal en de

verdediging. In dat kader heeft de advocaat-generaal mondeling en buiten de zitting om een vordering gedaan als bedoeld in artikel 190, tweede lid van het wetboek van strafvordering. Deze vordering hield, aldus de advocaat-generaal in zijn appelmemorie van 11 juli 2005, in dat de getuige gehoord zou worden op de wijze als weergegeven in de richtlijn bedreigde getuigen / anonieme getuige, zoals vastgesteld door de landelijke vergadering van rechters-commissaris op 20 februari 2002.

1.3 Artikel 12 van genoemde richtlijn houdt, aldus de advocaat-generaal in genoemde appelmemorie, in dat het verhoor van een anonieme getuige aan de volgende minimale eisen moet voldoen: a. de getuige moet gehoord worden op een beveiligde niet vooraf bekende locatie; b. de getuige dient gegrimeerd of vermomd te worden, waarbij de rechter-commissaris zich ervan dient te vergewissen dat het de getuige is die wordt vermomd; c. de getuige dient verhoord te worden zittend in een verhoorbox, met stemvervorming.

1.4 Op 30 mei 2005 nam de raadsheer-commissaris de beschikking op de genoemde vordering. Kort samengevat hield deze

beschikking in dat de raadsheer-commissaris wel toestond, dat het vragen van de personalia en adresgegevens van de getuige achterwege zou worden gelaten en dat de getuige gehoord zou worden op de wijze als weergegeven onder 3a en 3b, maar niet op de wijze als weergegeven onder 3c.

1.5 Op 31 mei 2005 is de genoemde beschikking door het openbaar ministerie en de verdediging ontvangen.

1.6 Op 10 juni 2005 stelde de advocaat-generaal cassatie in tegen deze beslissing.

1.7 Op 14 juni 2005 stelde de advocaat-generaal hoger beroep in tegen die beslissing.

1.8 In eerste aanleg is door de officier van justitie gevorderd dat aan genoemde getuige de status van bedreigde getuige zou worden verleend. Deze vordering is door de rechter-commissaris toegewezen. De raadkamer van de rechtbank heeft deze beschikking van de rechter-commissaris vernietigd en de vordering alsnog afgewezen, verkort weergegeven, omdat er geen

concrete gevaarzetting aannemelijk was voor de getuige.

2. Ontvankelijkheid van het hoger broep

2.1 De raadkamer heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of de bijzondere positie van de raadsheer-commissaris als "een soort gedelegeerd rechter" (TK 2001-2002, 28477, MvT, onder punt 2), namelijk een lid van de meervoudige kamer die de strafzaak behandelt, aan een beroep op de raadkamer van een beslissing van de raadsheer-commissaris in de weg staat. De raadkamer beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de tekst van de wetsartikelen betreffende de raadsheer-commissaris en de toelichting daarop blijkt dat de wetgever de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk dezelfde positie heeft willen geven als de rechter-commissaris, zij het met één uitzondering, namelijk dat de raadsheer-commissaris na gedane verhoren deel uit kan blijven maken van de meervoudige kamer die de strafzaak behandelt.

Naar het oordeel van de raadkamer betekent dit voor de onderhavige vraag dat van een beschikking van de

raadsheer-commissaris beroep openstaat bij de raadkamer van het hof.

2.2. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de advocaat-generaal niet ontvankelijk is in het hoger beroep omdat de beschikking van de raadsheer-commissaris een beschikking in hoogste aanleg is in de zin van artikel 446, tweede lid wetboek van strafvordering. Van dergelijke beschikkingen staat, aldus de raadsman, geen hoger beroep open bij de raadkamer van het hof, maar cassatie bij de Hoge Raad. De raadkamer verwerpt deze stelling van de raadsman. Uit artikel 420, tweede en derde lid wetboek van strafvordering blijkt dat de bepalingen ten aanzien van beschikkingen van de rechter-commissaris van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de beschikkingen van de raadsheer-commissaris. Dat brengt met zich dat van een beschikking van de raadsheer-commissaris hoger beroep openstaat op de raadkamer van het hof.

2.3. Voorts heeft de raadsman van verdachte betoogd dat de advocaat-generaal het appel te laat heeft ingesteld. Hij stelt

daartoe dat de beschikking van de raadsheer-commissaris genomen is op 30 mei 2005, dat vanaf dat moment de appeltermijn begint te lopen en dat de appelakte dateert van 14 juni 2005. De raadkamer volgt dit betoog van de raadsman niet. Nu aan partijen tevoren niet was medegedeeld dat de raadsheer-commissaris de beschikking zou nemen op 30 mei 2005, geldt niet die datum als de datum waarop de appeltermijn begint te lopen, maar de datum waarop de procespartijen de beschikking hebben ontvangen, te weten 31 mei 2005. Het op 14 juni 2005 ingestelde hoger beroep is dan ook niet te laat.

2.4. De vraag die zich vervolgens aandient, is of de gevorderde wijze van horen (zittend in box en met stemvervorming) een vordering is in de zin van artikel 190, tweede lid wetboek van strafvordering. Het hof merkt hierover het volgende op.

Uit de tekst van genoemd artikel blijkt dat de vordering beperkt is tot het achterwege laten van het vragen naar bepaalde gegevens, zoals naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats van de getuige. De tekst geeft niet aan dat de

vordering mede betrekking kan hebben op de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van die gegevens t voorkomen. In de wetsgeschiedenis op artikel 190 wetboek van strafvordering is de genoemde vraag niet aan de orde gekomen. De advocaat-generaal heeft desgevraagd nog aangegeven dat doel en strekking van artikel 190 wetboek van strafvordering met zich brengen dat de vordering zich wel kan uitstrekken tot de genoemde maatregelen. Het hof volgt de advocaat-generaal niet in zijn stelling. Uit de tekst en geschiedenis van de bepaling blijkt dat doel en strekking daarvan is dat procespartijen kunnen vorderen (en in hoger beroep laten toetsen) dat bepaalde gegevens niet bekend worden gemaakt. Tevens blijkt daaruit dat het tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechter- of raadsheer-commissaris behoort te bepalen welke maatregelen redelijkerwijs genomen moeten worden om onthulling van die gegevens te voorkomen

("De rechter-commissaris neemt de maatregelen (..)"). De raadkamer zou daarin alleen een rol kunnen hebben indien en voorzover de door de raadsheer-commissaris voorgenomen maatregelen van zodanige aard zouden zijn, dat deze het toewijzen van de vordering materieel gezien volstrekt illusoir maken. Van een dergelijke situatie is hier echter geen sprake.

Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat de vordering van artikel 190, tweede lid wetboek van strafvordering niet ziet op de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van de anoniem gehouden gegevens te voorkomen.

Aldus doet zich niet de situatie voor dat de vordering van de advocaat-generaal gedaan krachtens artikel 190, tweede lid

wetboek van strafvordering, door de raadsheer-commissaris is afgewezen.

2.5. Nu ook niet is gebleken van enige andere wettelijke bepaling uit het wetboek van strafvordering op grond waarvan in de

onderhavige casus geconcludeerd kan worden dat de advocaat-generaal krachtens een wettelijke bepaling kon vorderen dat het horen van de politie-infiltrant A-1577 onder de door hem gewenste condities zou plaatsvinden, dient de advocaat-generaal niet ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

Aldus gedaan op 18 juli 2005,

door mr. Van Nierop, als voorzitter,

mrs. Sterk en Van Zon, als raadsheren,

in tegenwoordigheid van Mw. van Kemenade, als griffier.

_______________________________

_______________________________

_______________________________

_______________________________

De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

's-Hertogenbosch, 18 juli 2005

Gezien d.d.

De directeur van Huis van Bewaring De Boschpoort