Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9939

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
25-07-2005
Zaaknummer
C200400290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over reparatiekosten auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. GR

rolnr. C0400290/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 21 juni 2005,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEINTIMEERDE],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. G.P.M. Sanders,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 januari 2004 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank te Breda tussen appellant, [naam], als gedaagde en geïntimeerde, [naam], als eiseres onder rolnummer 89458/HA ZA 00-1879 gewezen tussenvonnissen van 2 oktober 2001, 11 december 2001 en 5 februari 2003 en eindvonnis van 5 november 2003.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van deze vonnissen is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 2 oktober 2001 onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep van deze feiten uitgaat. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [geïntimeerde] verzorgt het onderhoud van de auto van [appellant], een Renault Laguna.

b) Naar aanleiding van een onderhoudsbeurt in november 1998 heeft [appellant] op advies van [geïntimeerde] een ruilcilinderkop laten monteren. Ingevolge een coulanceregeling van Renault Nederland en [geïntimeerde] is hiervoor aan [appellant] bij factuur van 9 december 1998 (prod. 3 cvd) slechts een beperkt deel van de kosten in rekening gebracht. Deze factuur is door [appellant] voldaan.

c) Naar aanleiding van klachten over uitzonderlijk hoog olieverbruik is op 5 maart 1999 de ruilcilinderkop vervangen. Hiervoor heeft [geïntimeerde] aan [appellant] niets in rekening gebracht.

d) Vervolgens bleek het olieverbruik nog steeds hoog te zijn. Bij onderzoek bleek dat reparatie niet mogelijk was. Daarop is door [geïntimeerde] een ruilmotor in de auto geplaatst.

e) De kosten van de ruilmotor heeft [geïntimeerde] bij factuur van 24 juli 1999 ad ƒ 6.777,87 (prod. 4 cvr) aan [appellant] in rekening gebracht. Bij factuur van dezelfde datum heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van ƒ 6.483,50 wegens onderzoekskosten en het gebruik van vervangende auto's in rekening gebracht. Beide facturen zijn door [appellant] niet voldaan.

f) [geïntimeerde] hanteert een reparatie- en onderdelengarantieregeling (prod. 1 cva). Over de toepasselijkheid ervan vermeldt deze regeling onder meer het volgende:

"De RENAULT REPARATIE- en ONDERDELENGARANTIE geeft recht op het gratis uitvoeren van werkzaamheden die niet goed waren uitgevoerd of het gratis vervangen of herstellen van enig origineel RENAULT onderdeel of accessoire dat niet goed functioneert indien die werkzaamheden of het onderdeel of accessoire onderwerp zijn geweest van een reparatie als boven vermeld.

Om aanspraak op deze garantie te kunnen maken moet de faktuur van de reparatie worden getoond en moet de faktuur zijn voldaan."

4.3 In deze procedure vordert [geïntimeerde] betaling van beide openstaande factuurbedragen met contractuele vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Na het inwinnen van een deskundigenbericht en het verstrekken van een bewijsopdracht heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen met uitzondering van het factuurbedrag voor de vervangende auto's en van de buitengerechtelijke incassokosten. Tegen de gedeeltelijke afwijzing is geen (incidenteel) appel ingesteld.

4.4 Met grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 2 oktober 2001 dat de Renault Reparatie- en Onderdelengarantie niet van toepassing is omdat deze niet is overeengekomen. Partijen zijn het in zoverre eens dat deze regeling in beginsel, dat wil zeggen wanneer aan de voorwaarden ervan is voldaan, wel van toepassing is. In zoverre slaagt deze grief.

4.5 Volgens [appellant] komt hem een beroep toe op deze regeling omdat de eerste ruilcilinderkop gebrekkig was dan wel op gebrekkige wijze was gemonteerd. Daardoor was de plaatsing van de tweede ruilcilinderkop en vervolgens de plaatsing van een ruilmotor noodzakelijk, aldus [appellant]. Een en ander valt onder de regeling, zodat hij aan [geïntimeerde] niets verschuldigd is en met het tussenvonnis van 2 oktober 2001 ook de overige vonnissen vernietigd dienen te worden.

4.6 [geïntimeerde] stelt hiertegenover dat de garantieregeling niet van toepassing is omdat niet aan de voorwaarden ervan is voldaan. Zij wijst erop dat de eerste cilinderkop in overeenstemming met een landelijke coulanceregeling vrijwel om niet is vervangen en de tweede cilinderkop gratis is vervangen. Nu hiervoor geen factuur is verzonden en betaald, is de garantieregeling volgens [geïntimeerde] niet van toepassing. Verder betwist [geïntimeerde] dat de werkzaamheden niet behoorlijk zijn uitgevoerd. Ook heeft [appellant] volgens [geïntimeerde] niet voldaan aan een van de andere voorwaarden voor toepassing van de garantieregeling doordat hij niet overeenkomstig het instructieboekje het oliepeil voldoende heeft gecontroleerd.

4.7 Het argument van het ontbreken van een factuur gaat niet op aangezien [appellant] zich beroept op de ondeugdelijkheid van de eerste ruilcilinderkop(montage), waarvoor [geïntimeerde] zoals hiervoor in 4.2 onder b) vermeld aan [appellant] een factuur heeft gezonden. Bij deze factuur is aan [appellant] weliswaar slechts een gedeelte van de kosten in rekening gebracht, maar gesteld noch gebleken is dat de garantieregeling in een dergelijk geval niet geldt.

4.8 Vervolgens dient aan de orde te komen of er met betrekking tot de eerste ruilkopcilinder sprake is van ondeugdelijke werkzaamheden of een ondeugdelijk onderdeel. [appellant] stelt dat dit het geval is, maar deze stelling vindt geen bevestiging in de door [geïntimeerde] bij conclusie van repliek overgelegde rapportages van Euro Preventie & Expertise BV en/of het door de rechtbank ingewonnen deskundigenbericht. Door [appellant] zijn ook geen bescheiden overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Nu [appellant] zich erop beroept dat op genoemde grond de garantieregeling van toepassing is, rust op hem de bewijslast van deze stelling. Op grond van de beschikbare stukken is dit bewijs niet geleverd, terwijl een hierop toegesneden bewijsaanbod ontbreekt. Dit brengt mee dat [appellant] geen beroep toekomt op toepassing van de garantieregeling, zodat grief I om deze reden wordt verworpen.

4.9 Met grief II komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat heeft geleid tot de bewijsopdracht aan hem in het tussenvonnis van 5 februari 2003. Hierbij is [appellant] toegelaten te bewijzen dat [geïntimeerde] heeft nagelaten tijdig een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van het toegenomen olieverbruik althans naar de toestand van de motor en dat hierdoor de motor uiteindelijk vervangen moest worden.

4.10 In zijn toelichting op deze grief merkt [appellant] op dat het niet uitgesloten is dat (de montage van) de eerste ruilcilinderkop ondeugdelijk is geweest en dat vaststaat dat het olieverbruik na deze werkzaamheden sterk is toegenomen. Echter, wat het eerste betreft gaat het er niet om of zulks niet uitgesloten is, maar of [appellant] het heeft aangetoond. Dat is, zoals hiervoor gezegd, niet het geval. Wat het tweede betreft miskent [appellant] dat niet is komen vast te staan dat het olieverbruik (eerst) na de plaatsing van de eerste ruilcilinderkop ernstig is toegenomen en in ieder geval niet dat een dergelijke toename is toe te schrijven aan de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden. Nu niet is komen vast te staan dat deze werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, kan het daarop gebaseerde verweer van [appellant] niet worden aanvaard, zodat zijn stelling dat de vervanging van de motor te wijten is aan het nalaten van onderzoek door [geïntimeerde] aan de orde komt. De bewijslast van dit beroep op wanprestatie rust op [appellant], het bewijs daarvan is op grond van de over en weer naar voren gebrachte stellingen en de overgelegde stukken niet geleverd, zodat [appellant] nader bewijs dient te leveren. Daartoe is hij in de gelegenheid gesteld, zodat grief II faalt.

4.11 De grieven III en IV betreffen de waardering van het geleverde bewijs. Als getuigen zijn gehoord de heer [naam], als kassier in dienst bij [geïntimeerde], en [appellant] zelf als partijgetuige. De verklaring van [appellant] sluit aan bij de bewijsopdracht, maar deze verklaring kan ingevolge artikel 164 lid 2 Rv. geen bewijs in zijn voordeel opleveren tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Dergelijk onvolledig bewijs kan naar het oordeel van het hof niet worden aangetroffen in de verklaring van getuige [kassier] en evenmin in de overgelegde rapportages of in het uitgebrachte deskundigenbericht, ook niet wanneer een en ander in onderlinge samenhang wordt bezien. Het hof deelt de conclusie van de rechtbank dat [appellant] er niet in is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren. Aanvullend bewijs in de vorm van een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod is door [appellant] niet aangeboden. De consequentie is dat ook de grieven III en IV worden verworpen.

4.12 Nu alle grieven zijn verworpen, dienen de vonnissen waarvan beroep te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op E. 385,= aan verschotten en op E. 632,= aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 21 juni 2005.