Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9929

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
25-07-2005
Zaaknummer
C200200491
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AZ0614, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ0614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

De ontvanger heeft bij exploten van 11 juli 1996 te 14.30 uur en 17 juli 1996 te 11.00 uur executoriaal derdenbeslag gelegd onder de veiling ten laste van de in Polen gevestigde onderneming Agriculture International Sp.Z.O.O., verder te noemen Agri, voor een vordering van de ontvanger op Agri van f 8.345.053,-, exclusief rente en kosten. De veiling heeft op 8 augustus 1996 een verklaring als bedoeld in art. 475a Rv. gedaan, waarbij zij verklaarde op 11 en 17 juli 1996 aan Agri verschuldigd te zijn een bedrag van f 1.238.050,22. In nadere verklaringen d.d. 1 en 8 oktober 1996 heeft de veiling aangegeven dat zij op die data f 1.566.469,28 aan Agri verschuldigd was. De ontvanger bestreed de juistheid van deze verklaring. Voorzover thans nog van belang stelde de ontvanger zich op het standpunt dat de veiling ook nog een bedrag van f 2.135.990,20 voor Agri onder zich heeft gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0200491/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 14 juni 2005,

gewezen in de zaak van:

DE COÖPERATIEVE GROENTE- EN FRUITVEILING "DE KERSEBOOM" B.A.,

gevestigd te Mierlo,

appellante bij exploot van dagvaarding van 21 mei 2002,

procureur: mr.L.R.G.M. Spronken,

tegen:

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN EINDHOVEN,

kantoorhoudende te Eindhoven,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.P.F.W. van Eijck,

op het hoger beroep tegen de door de rechtbank te 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 4 juni 1999 en 22 februari 2002 tussen appellante - de veiling - en de coöperatieve Rabobank Nuenen-Son en Breugel B.A. - verder te noemen: de bank - als gedaagden en geïntimeerde - de ontvanger - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 11492/HA ZA 96-2434)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij incidentele memorie tot voeging heeft de veiling voeging wegens verknochtheid verzocht met de procedure welke bij dit hof onder rolnr. 02/00231 aanhangig is tussen de Coöperatieve Veiling Zuidoost-Nederland B.A.

- verder te noemen veiling ZON - en de veiling. Dat verzoek is door het hof afgewezen bij incidenteel arrest van 10 februari 2004.

2.2. Bij memorie van grieven heeft de veiling 2 producties overgelegd, 5 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vordering van de ontvanger met veroordeling van de ontvanger in de kosten van beide instanties, onder bepaling dat de ontvanger de nakosten en wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest zijn betaald.

2.3. Bij memorie van antwoord heeft de ontvanger de grieven bestreden.

2.4. Ter zitting van dit hof van 10 maart 2005 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, de veiling door mr. Th.J.H.M. Linssen en de ontvanger door mr. M.F. Baaij, ieder aan de hand van pleitaantekeningen.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven I tot en met III betreffen de door de rechtbank in het tussenvonnis aan de veiling gegeven opdracht te bewijzen dat de veiling de bank niet heeft verzocht het in dat vonnis genoemde bedrag van f 2.135.990,20 over te maken naar een van de daar vermelde rekeningen van Agri, het oordeel dat de in het eindvonnis genoemde brief van 8 juli 1996 afkomstig is van de veiling, althans met haar medeweten is geschreven, en het oordeel in het eindvonnis dat de veiling in dat hiervoor genoemde bewijs niet is geslaagd.

Grief IV betreft het oordeel dat de veiling overeenkomstig haar verklaring een bedrag van f 1.566.469,28 aan de ontvanger verschuldigd is.

Met grief V tenslotte is het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.

4. De beoordeling

4.1. In onderdeel 2 van het tussenvonnis van 4 juni 1999 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten zij is uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook voor het hof het uitgangspunt.

4.1.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

De ontvanger heeft bij exploten van 11 juli 1996 te 14.30 uur en 17 juli 1996 te 11.00 uur executoriaal derdenbeslag gelegd onder de veiling ten laste van de in Polen gevestigde onderneming Agriculture International Sp.Z.O.O., verder te noemen Agri, voor een vordering van de ontvanger op Agri van f 8.345.053,-, exclusief rente en kosten.

4.1.3. De veiling heeft op 8 augustus 1996 een verklaring als bedoeld in art. 475a Rv. gedaan, waarbij zij verklaarde op 11 en 17 juli 1996 aan Agri verschuldigd te zijn een bedrag van f 1.238.050,22. In nadere verklaringen d.d.

1 en 8 oktober 1996 heeft de veiling aangegeven dat zij op die data f 1.566.469,28 aan Agri verschuldigd was.

4.1.4. De ontvanger bestreed de juistheid van deze verklaring. Voorzover thans nog van belang stelde de ontvanger zich op het standpunt dat de veiling ook nog een bedrag van f 2.135.990,20 voor Agri onder zich heeft gehouden.

4.1.5. Tijdens de procedure is de veiling teruggekomen op de eerder door haar afgelegde verklaringen van 1 en 8 oktober 1996. In haar visie was zij toch het eerst door haar opgegeven bedrag verschuldigd aan Agri, zij het dat daarop diverse posten in mindering moesten worden gebracht, waaronder een bedrag van f 237.233,10, welk bedrag betrekking zou hebben op door veiling ZON geleverd fust aan Agri.

4.1.6. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis overwogen dat het er de schijn van had dat de veiling de Rabobank Mierlo heeft verzocht het bedrag van f 2.135.990,20 hetzij naar de rekening van Agri te Polen te retourneren hetzij het bedrag over te boeken naar de rekening van Agri bij de Rabobank Nuenen-Son en Breugel, hetgeen zou betekenen dat de veiling over dat bedrag heeft beschikt. De veiling werd in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij een dergelijk verzoek niet heeft gedaan. Voorts overwoog de rechtbank dat zij de verklaringen van de veiling van 1 en 8 oktober 1996 tot uitgangspunt zou nemen en de door de veiling op dat bedrag voorgestane correcties niet zou toepassen, zodat de veiling in elk geval tot afgifte van een bedrag van f 1.566.469,28 zou worden veroordeeld.

4.1.7. In het eindvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij de veiling niet in het opgedragen bewijs geslaagd achtte. De veiling werd veroordeeld tot betaling aan de ontvanger van f 1.566.469,28 en f 2.135.990,-. De proceskosten tussen de veiling en de ontvanger heeft de rechtbank gecompenseerd.

4.2. Het hof bespreekt eerst grief IV. De grief houdt in dat volgens de veiling het bedrag van f 1.566.469,28, welk bedrag de veiling volgens haar verklaring voor Agri onder zich hield, vermeerderd moet worden met f 14.034,07, welk bedrag de veiling heeft ontvangen voor Agri, en dat daarop mogelijk in mindering moet worden gebracht een bedrag van f 234.562,17. In een andere procedure vordert Veiling ZON betaling van dit bedrag van de veiling. Zulks zou voortvloeien uit een rekening-courantverhouding tussen beide veilingen en betrekking hebben op door Veiling ZON geleverde fust aan Agri. De rechtbank heeft de vordering van Veiling ZON afgewezen, Veiling ZON is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Indien de veiling in hoger beroep alsnog tot betaling aan Veiling ZON zou worden veroordeeld, zou dit volgens haar betekenen dat de veiling een schuld van Agri heeft voldaan, met als gevolg dat de schuld van de veiling aan Agri met dat bedrag is verminderd.

4.2.1. De grief faalt. Ook indien de veiling wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag aan Veiling ZON brengt dat niet mee dat de veiling dat bedrag mag verrekenen met hetgeen zij heeft verklaard schuldig te zijn aan Agri. Of de veiling dit bedrag kan verhalen op Agri kan in deze procedure niet worden vastgesteld, omdat de veiling daartoe onvoldoende heeft gesteld, hetgeen wel op haar weg zou hebben gelegen. Als al zou moeten worden aangenomen dat de veiling het genoemde bedrag aan Agri in rekening zou mogen brengen, dan is in elk geval thans niet gebleken dat die vordering op Agri voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als waaruit de veiling een bedrag aan Agri verschuldigd is, terwijl bovendien geldt dat die mogelijke vordering van de veiling op Agri is opgekomen en opeisbaar geworden nadat het beslag is gelegd, zodat art. 6:130 BW er aan in de weg staat dat de veiling dit bedrag in mindering brengt op hetgeen zij uit hoofde van het derdenbeslag aan de ontvanger dient te betalen.

4.2.2. Het hof constateert dat de veiling niet langer aanspraak maakt op de overige in eerste aanleg door haar opgevoerde correcties op het bedrag van f 1.566.469,28. Of het door haar genoemde bedrag van f 14.034,07 aan dat bedrag moet worden toegevoegd hangt af van het resultaat van de overige grieven van de veiling, daar het uitgangspunt is dat de veiling in hoger beroep niet tot een hoger bedrag kan worden veroordeeld dan in eerste aanleg, nu de ontvanger geen incidenteel appel heeft ingesteld.

4.3. De grieven I tot en met III lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij betreffen de vraag of de veiling een bedrag van f 2.135.990,- aan de ontvanger moet afdragen. Met betrekking tot deze kwestie is het volgende van belang:

* De veiling heeft in het kader van de tussen haar en Agri bestaande overeenkomst op 19 juni, 26 juni en 4 juli 1996 betalingen aan Agri verricht voor een totaal bedrag van f 2.136.000,-.

* Betaling vond plaats op de bankrekening van Agri in Polen. Agri heeft de genoemde bedragen daadwerkelijk ontvangen (zie prod. 8 conclusie van dupliek). Om haar moverende redenen heeft Agri haar bank in Polen opdracht gegeven het geld terug te storten naar de bankrekening van de veiling bij de Rabobank te Mierlo. Het vorenstaande blijkt uit een brief van [naam] namens Agri aan de Poolse bank van Agri d.d. 6 juli 1996 (prod. 1 bij akte ontvanger d.d. 14-01-1999), een faxbericht gericht aan Agri d.d. 8 juli 1996 (prod. 3 bij akte ontvanger d.d. 15-12-2000) en een micro-fiche d.d. 12 juli 1996 (prod. 5 conclusie van repliek).

* Kort na de beslaglegging van 11 juli 1996 heeft het bestuur van de veiling de bankrekening van de veiling bij de Rabobank te Mierlo geblokkeerd.

* Als gevolg van deze blokkering is het door Agri terug gestorte bedrag van f 2.136.000,- op 12 juli 1996 niet bijgeschreven op de bankrekening van de veiling, maar geboekt op een door de Rabobank te Mierlo zelf gehouden rekening, de "verschillenrekening".

* De directeur van de Rabobank te Mierlo, [naam], heeft na vaststelling van die blokkering op 12 juli 1996 contact opgenomen met de directeur van de veiling, [directeur veiling], over de bestemming van het hiervoor genoemde bedrag. [directeur veiling] heeft te kennen gegeven dat het bedrag niet van de veiling was (zie getuigenverklaringen [directeur Rabobank] en [directeur veiling]). Tussen partijen bestaat verschil van mening over de vraag of [directeur veiling] heeft gesuggereerd dat het bedrag moest worden geretourneerd naar Agri, hetzij naar haar rekening in Polen, hetzij naar de rekening van Agri bij de Rabobank te Nuenen-Son en Breugel.

* Op 17 juli 1996 te 11.30 uur is door [directeur Rabobank] opdracht gegeven een bedrag van f 2.135.990,20 (f 2.136.000,- minus f 9,80 kosten telegiro) over te maken van de hiervoor genoemde rekening van de Rabobank te Mierlo naar de bankrekening van Agri bij de Rabobank te Nuenen-Son en Breugel (prod. 9 bij conclusie van dupliek).

4.4. Partijen verschillen van mening over de vraag of het bedrag van f 2.136.000,- door de overschrijving van Agri ter beschikking is gekomen van de veiling. De veiling stelt dat dat niet het geval is, omdat haar rekening was geblokkeerd, zodat zij over het door Agri teruggestorte bedrag niet meer heeft beschikt of heeft kunnen beschikken.

4.4.1. Het hof stelt voorop dat een girale betaling een rechtstreekse betaling is van een debiteur aan een crediteur. De bank fungeert daarbij als hulppersoon. De bank kreeg een verplichting de veiling te crediteren voor het bedrag van f 2.136.000,- zodra zij het betreffende bedrag van Agri voor de veiling had ontvangen, omdat de veiling immers als begunstigde bij de betalingsopdracht van Agri was vermeld. In dit geval was creditering van de rekening van de veiling feitelijk niet mogelijk omdat die rekening was geblokkeerd. Dat betekent echter niet dat dat bedrag niet tot het vermogen van de veiling is gaan behoren. Het feit dat de bank het bedrag voorlopig heeft geboekt op haar "verschillenrekening" brengt mee dat de bank het bedrag is gaan houden voor de veiling, omdat de veiling degene was voor wie het geld bestemd was.

4.4.2. Zoals hiervoor aangegeven bracht het blokkeren van de bankrekening niet mee dat het door Agri teruggestorte bedrag niet tot het vermogen van de veiling is gaan behoren. De veiling kon zich echter wel onmiddellijk verzetten tegen ontvangst van dat bedrag. Dat verzet moet worden aangemerkt als een opdracht tot overboeking van het bedrag. Uit hetgeen onder 4.3. is vermeld blijkt dat de veiling onmiddellijk in het eerste contact met [directeur Rabobank] van de Rabobank te Mierlo te kennen heeft gegeven dat het bedrag niet van haar was. Die mededeling van de veiling moet worden beschouwd als een handeling van de veiling in de zin van art. 3:111 BW, die tot gevolg had dat de bank het bedrag niet langer voor de veiling hield, maar voor de afzender. Op dat moment raakte het bedrag uit het vermogen van de veiling.

4.4.3. Op basis van het vorenstaande stelt het hof vast dat het bedrag van f 2.136.000,- tot het vermogen van de veiling is gaan behoren op 12 juli 1996 nadat het bij de Rabobank te Mierlo was binnengekomen en dat het op diezelfde dag ook weer uit haar vermogen is geraakt door de in 4.4.2. vermelde mededeling.

4.5. Dit betekent dat niet van belang is of de veiling de Rabobank te Mierlo al dan niet heeft verzocht het bedrag van f 2.135.990,20 naar Agri te retourneren, zodat de rechtbank ten onrechte een bewijsopdracht op dit punt heeft gegeven. In zoverre slaagt grief I. Grief III behoeft om die reden geen behandeling, omdat hetgeen daarin aan de orde wordt gesteld niet meer terzake doet.

4.6. Krachtens art. 475 Rv treft het derdenbeslag vorderingen die Agri ten tijde van de beslaglegging op de veiling had en vorderingen die Agri uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen op de veiling. Nu de veiling reeds op 12 juli 1996 aan de bank kenbaar heeft gemaakt dat het bedrag van f 2.136.000,- niet van haar was, waarna de bank dat bedrag niet meer voor de veiling hield, stelt het hof vast dat de veiling dat bedrag niet meer onder zich had op 17 juli 1996, ten tijde van het tweede beslag, zodat dat beslag in zoverre geen doel trof.

4.7. Thans moet worden beoordeeld of het bedrag van f 2.136.000,-, dat door de veiling is ontvangen na het eerste beslag op 11 juli 1996, toch is getroffen door dat beslag. Dat is het geval indien de vordering van Agri op de veiling tot betaling van dat bedrag ten tijde van het beslag bestond of rechtstreeks voortvloeide uit een ten tijde van de beslaglegging tussen Agri en de veiling bestaande rechtsverhouding.

4.7.1. Tussen Agri en de veiling bestond een rechtsverhouding krachtens welke de veiling op commissiebasis land- en tuinbouwproducten voor Agri zou verkopen. Uit hoofde van deze overeenkomst verrichtte de veiling geregeld betalingen aan Agri, waaronder de in 4.3. genoemde betalingen tot een bedrag van f 2.136.000,-. De ontvanger heeft gesteld dat tussen de veiling en Agri was overeengekomen dat de veiling zou betalen op de bankrekening van Agri in Nederland; volgens de ontvanger moet daarom, indien betaling op de bankrekening in Polen niet de instemming van Agri had, deze aangemerkt worden als een ongeldige betaling, met als gevolg dat Agri dit bedrag nog van de veiling te vorderen had. Namens de veiling is bij gelegenheid van het pleidooi verklaard dat betalingen soms op de Nederlands bankrekening en soms op de Poolse bankrekening van Agri plaats vonden, al naar gelang de wensen van Agri. Nu de raadsvrouwe van Agri bij brief van 16 januari 1998 (prod. 8 bij conclusie van dupliek) aan mr. De Lange heeft verklaard dat Agri genoemde bedragen in Polen heeft ontvangen en daarin niets vermeldt over het feit dat die bedragen ten onrechte op de Poolse bankrekening zouden zijn overgemaakt, verwerpt het hof het standpunt van de Ontvanger en gaat het ervan uit dat de betalingen aan Agri destijds rechtsgeldig hebben plaatsgevonden. Dat betekent dat Agri op 11 juli 1996 geen vordering tot betaling van dit bedrag had uit hoofde van verkoop van door haar geleverde producten door de veiling.

4.7.2. De ontvanger stelt zich op het standpunt dat, ook indien de betaling aan Agri wel rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, door de terugbetaling door Agri aan de veiling een vordering van Agri op de veiling is ontstaan, die rechtstreeks voortvloeit uit de tussen Agri en de veiling bestaande rechtsverhouding. Uitgaand van een rechtsverhouding als omschreven in 4.7.1. deelt het hof dit standpunt niet. De hier omschreven rechtsverhouding tussen Agri en de veiling bracht mee dat vorderingen van Agri op de veiling ontstonden indien de veiling door Agri aangeleverde producten verkocht. De hier bedoelde vordering van Agri, die voortvloeide uit haar beslissing een reeds - terecht - ontvangen bedrag terug te betalen aan de veiling, heeft geen betrekking op dit betalingsverkeer terzake door de veiling voor Agri verkochte producten, maar is het gevolg van deze bijzondere actie van Agri.

4.7.3. De ontvanger heeft tevens gesteld dat tussen Agri en de veiling was afgesproken dat Agri het bedrag van f 2.136.000,- zou terugstorten naar de veiling, teneinde daarover op haar bankrekening in Nederland te kunnen beschikken. De veiling ontkent dat een dergelijke afspraak bestond en zij betwist dat zij wist dat het geld zou worden teruggestort.

4.7.4. Indien deze stelling van de ontvanger juist is en genoemde afspraak vóór 11 juli 1996 is gemaakt, betekent dit dat tussen Agri en de veiling een rechtsverhouding bestond waaruit de vordering van Agri tot terugbetaling van genoemd bedrag rechtstreeks voortvloeide. Het hof zal de ontvanger in de gelegenheid stellen het bestaan van die afspraak vóór 11 juli 1996 te bewijzen. Het hof is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen van [directeur veiling] en [naam] het bestaan van die afspraak voorshands niet kan worden afgeleid, nu de bewijsopdracht van de rechtbank niet op dit punt was gericht en de vragen aan de getuigen dus niet daarop toegespitst zijn geweest. Hetzelfde geldt voor het in 4.3. genoemde faxbericht van 8 juli 1996, nu ook de ontvanger het aannemelijk acht dat dit bericht niet van de veiling afkomstig is maar door Agri zelf werd opgemaakt.

4.7.5. Indien de ontvanger niet slaagt in de bewijsopdracht, moet ervan worden uitgegaan dat Agri zonder overleg met de veiling heeft besloten het bedrag van f 2.136.000,- aan de veiling terug te betalen, met de bedoeling dat de veiling dat bedrag na ontvangst zou storten op Agri's Nederlandse bankrekening. In dat geval ontstond de verplichting van de veiling tot terugbetaling van dat bedrag zodra het tot haar beschikking kwam, dus op 12 juli 1996. In dat geval is dus geen sprake van een uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding voortvloeiende vordering.

4.8. In afwachting van het resultaat van de bewijslevering houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

5. De uitspraak

Het hof:

laat de ontvanger toe te bewijzen dat tussen Agri en de veiling vóór 11 juli 1996 een afspraak is gemaakt als omschreven in 4.7.4.;

bepaalt, voor het geval de ontvanger bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. P.M. Huijbers-Koopman als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 juni 2005 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dinsdagen en vrijdagen in de periode van september tot en met november 2005;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van de ontvanger tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat tegen dit arrest tussentijds beroep in cassatie openstaat;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-Van Dijken, Huijbers-Koopman en De Klerk-Leenen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 14 juni 2005.