Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9892

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
22-07-2005
Zaaknummer
C200300104
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AZ0757, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ0757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om een aanspraak van [geïntimeerde] op een uitkering uit haar arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Interpolis voor het na-eerstejaarsrisico (rubriek B). Voor deze rubriek is het begrip arbeidsongeschiktheid omschreven in artikel 7 van de toepasselijke polisvoorwaarden. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" Arbeidsongeschiktheid is aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte voor ten minste 25% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem verlangd kunnen worden."

Volgens [geïntimeerde] is er sprake van een ziekte in de zin van de verzekeringsovereenkomst en dient Interpolis haar in verband met de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid ook na het eerste jaar (rubriek A) een uitkering te verstrekken. Interpolis betwist dit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. FR

rolnr. C0300104/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 17 mei 2005,

gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap

N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

appellante,

procureur: mr. A.V.M. van Dijk,

t e g e n :

[GEINTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 januari 2003 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te Breda tussen appellante, Interpolis, als gedaagde en geïntimeerde, [naam], als eiseres onder rolnummer 101234/HA ZA 01-1834 gewezen vonnis van 12 november 2002.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is Interpolis tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft Interpolis drie grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van drie producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Interpolis in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad. Interpolis heeft daarop nog een akte genomen en [geïntimeerde], onder overlegging van twee producties, een antwoordakte.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten onder 3.1 van het vonnis waarvan beroep is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep van deze feiten uitgaat. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

4.2 Het gaat in deze zaak om een aanspraak van [geïntimeerde] op een uitkering uit haar arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Interpolis voor het na-eerstejaarsrisico (rubriek B). Voor deze rubriek is het begrip arbeidsongeschiktheid omschreven in artikel 7 van de toepasselijke polisvoorwaarden. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" Arbeidsongeschiktheid is aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte voor ten minste 25% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem verlangd kunnen worden."

4.3 Volgens [geïntimeerde] is er sprake van een ziekte in de zin van de verzekeringsovereenkomst en dient Interpolis haar in verband met de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid ook na het eerste jaar (rubriek A) een uitkering te verstrekken. Interpolis betwist dit.

4.4 In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank onder 3.9 geoordeeld dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden. Met het oog op het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Tevens heeft de rechtbank de mogelijkheid van hoger beroep tegen dit vonnis opengesteld.

4.5 Van die mogelijkheid heeft Interpolis gebruik gemaakt. Haar eerste grief betreft het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld en daardoor van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden. Deze grief slaagt om de volgende redenen.

4.6 Het hof stelt voorop dat geen grieven zijn gericht tegen het uitgangspunt van de rechtbank inzake de uitleg van de polis, zoals verwoord onder 3.8 van het vonnis waarvan beroep. Hierin brengt de rechtbank tot uitdrukking dat ook ingeval niet een objectief medische diagnose dan wel een eenduidige medische oorzaak voor de klachten is vast te stellen, doch wel sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid. Het hof gaat hier ook van uit.

4.7 Anders dan de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat hetgeen [geïntimeerde] naar voren heeft gebracht en aan producties heeft overlegd niet de conclusie rechtvaardigt dat in dit geval gesproken kan worden van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. In de rapportages over de gezondheidsklachten van [geïntimeerde] worden weliswaar een aantal klachten vermeld maar een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld leveren deze vermeldingen niet op.

4.8 In zijn (voortgangs)rapportage van 7 december 1998 (prod. 7 cve) meldt de therapeut [therapeut] dat het 'zijn verdenking is dat er sprake is van fibromyalgie'. Hierbij aansluitend stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat 'men uiteindelijk tot de waarschijnlijkheidsdiagnose fibromyalgie' is gekomen. Voor dat standpunt biedt deze rapportage van [therapeut] naar het oordeel van het hof evenwel onvoldoende feitelijke onderbouwing, ook wanneer deze wordt bezien in samenhang met de andere rapportages. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat [therapeut] kennelijk geen arts is, zodat ook om die reden aan zijn rapportage in dit verband geen doorslaggevende betekenis toekomt. Een en ander is in ieder geval onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat bij [geïntimeerde] gesproken kan worden van fibromyalgie.

4.9 In een medische verklaring d.d. 23 oktober 1998 van de huisarts van [geïntimeerde] (prod. 6 cve) wordt gesproken van 'ME, oftewel het chronisch moeheidssyndroom'. In deze verklaring wordt evenwel niet aangegeven op grond waarvan er bij [geïntimeerde] gesproken kan worden van een chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), terwijl een onderbouwing daarvoor evenmin is te vinden in de overige rapportages. Daar komt bij, zoals Interpolis terecht opmerkt, dat fibromyalgie als pijnsyndroom niet op één lijn te stellen is met CVS als vermoeidheidssyndroom. In ieder geval kan op grond van de voorhanden gegevens niet worden vastgesteld dat er sprake is van CVS.

4.10 Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of en in hoeverre fibromyalgie en CVS te beschouwen zijn als herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. Ook overigens bieden de verschillende rapportages naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat in dit geval sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, nog afgezien van het gegeven dat door [geïntimeerde] naast hetgeen hiervoor aan de orde is geweest geen ander concreet ziektebeeld is genoemd. Enige andere grondslag voor haar vordering is door [geïntimeerde] niet gegeven.

4.11 Een en ander leidt tot de slotsom dat de vordering van [geïntimeerde] niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dit brengt mee dat beide andere grieven geen behandeling meer behoeven en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Interpolis begroot op

E. 181,51 aan verschotten en op E. 780,00 aan salaris procureur in eerste aanleg en op E. 307,56 aan verschotten en op E. 1.341,00 aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 mei 2005.