Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9341

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
20-001590-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [medeverdachte], voorafgaand aan het schieten zich tezamen met verdachte beraden heeft, nu hij kennelijk instemming heeft gevraagd en verkregen van verdachte. Gelet op het voorgaande alsmede de omstandigheid dat [medeverdachte] en verdachte samen met de scooter zijn gevlucht, terwijl beiden de rest van de avond en de daaropvolgende nacht en ochtend bij elkaar zijn gebleven is het hof van oordeel dat verdachte het feit samen en in vereniging heeft gepleegd met [medeverdachte].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-001590-04

Uitspraak : 14 juli 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 februari 2004 in de strafzaak met parketnummer 01-025628-03 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [adres],

thans verblijvende in P.I. Limburg Zuid - HvB Overmaze te Maastricht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van [benadeelde], tot een gedeelte van EUR 11.238,71 toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep -binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 26.238,71, exclusief proceskosten.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en de verdachte terzake van het sub 1 primair, sub 2 en sub 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van [benadeelde] tot een totaalbedrag van EUR 26.238,71, alsmede oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag, subsidiair 130 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft:

- de bewijsvoering;

- de kwalificatie van het bewezenverklaarde. De kwalificatie behoort te luiden als hieronder

vermeld;

- de opgelegde straf en maatregel en de motiveringen daarvan en

- de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Uit het strafdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting, komt naar voren dat verdachte en [medeverdachte] het plan hadden opgevat om bij de (ex-)vriendin van [medeverdachte] verhaal te halen, kennelijk in verband met reeds eerder ontstane relatieproblemen.

Verdachte en [medeverdachte] zijn gewapend met een vuurwapen gezamenlijk op een scooter naar het betreffende pand aan [adres] gereden, waar de familie [achternaam slachtoffer] woonachtig was.

Nadat de voordeur van de woning werd opengedaan door de zus van de ex-vriendin van de [medeverdachte], genaamd [slachtoffer], is een woordenwisseling ontstaan tussen [medeverdachte] en [slachtoffer].

Uit de brief van [medeverdachte] aan verdachte, in antwoord op diens brief, welke brieven zijn overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 juni 2005, blijkt dat [medeverdachte] na enige tijd op aanwijzing van verdachte het vuurwapen waarmee het latere slachtoffer is doodgeschoten, heeft doorgeladen, waarna hij heeft geschoten. In dat verband is ook van belang de verklaring van [medeverdachte], afgelegd d.d. 13 november 2003, te 17.37 uur, waar hij zegt dat hij zich op een gegeven moment heeft omgedraaid in de richting van de nabij de scooter nog steeds wachtende verdachte, en deze aankeek, waarop verdachte naar hem knikte alsof hij wilde zeggen "Doe dan", waarna door [medeverdachte] de fatale schoten op het [slachtoffer] zijn gelost.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [medeverdachte], voorafgaand aan het schieten zich tezamen met verdachte beraden heeft, nu hij kennelijk instemming heeft gevraagd en verkregen van verdachte. Gelet op het voorgaande alsmede de omstandigheid dat [medeverdachte] en verdachte samen met de scooter zijn gevlucht, terwijl beiden de rest van de avond en de daaropvolgende nacht en ochtend bij elkaar zijn gebleven is het hof van oordeel dat verdachte het feit samen en in vereniging heeft gepleegd met [medeverdachte].

Omtrent de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen neemt het hof in het bijzonder in aanmerking de inhoud van de reeds hiervoor besproken handgeschreven brieven van beide verdachten, welke brieven eveneens tot het bewijs worden gebezigd.

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte in nauwe samenwerking met [medeverdachte] en opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten na een moment van kalm overleg en bedaard nadenken, uitvoering heeft gegeven aan het plegen van het ten laste gelegde delict.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

-de koelbloedige wijze waarop verdachte en zijn mededader hebben gereageerd op de

kennelijk hen onwelgevallige houding van het latere slachtoffer;

-de mate waarin het bewezen verklaarde onherstelbaar persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

-het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die

daarvan het gevolg is;

-de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder

meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die

voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

-de omstandigheid dat de verdachte de onderhavige feiten pleegde tijdens de proeftijden van

eerdere veroordelingen terzake van geweldsdelicten;

Schadevergoeding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat door verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade aan [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van EUR 16.238,71, voor welke schade verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht te treffen als na te melden.

[benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld, welke bij vonnis waarvan beroep is toegewezen tot een bedrag van EUR 11.238,71. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, exclusief proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag bestaande uit materiele schade ad. EUR 6.238,71 en als voorschot op de door de benadeelde partij gevorderde zogeheten shockschade een bedrag van EUR 10.000,--. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal, als de in het ongelijk gestelde partij, verwezen worden in de door de benadeelde partij terzake van haar voeging in deze strafzaak gemaakte kosten, gebaseerd op het zogeheten liquidatietarief, tot op heden begroot op EUR 390,-- (EUR 780:2) voor de gemaakte kosten in eerste aanleg en EUR 316,-- (EUR 632,--:2), voor de gemaakte kosten in hoger beroep, zijnde in totaal EUR 706,--.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde, de opgelegde straf en maatregel en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart dat de bewezenverklaarde feiten opleveren:

1 primair:

Medeplegen van moord;

2:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 16.238,71 (zestienduizend tweehonderdachtendertig euro en eenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 216 (tweehonderdzestien) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van [benadeelde] voor een bedrag van EUR 16.238,71 (zestienduizend tweehonderdachtendertig euro en eenenzeventig cent) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 16.238,71 (zestienduizend tweehonderdachtendertig euro en eenenzeventig cent) met dien verstande dat en indien en voorzover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verklaart [benadeelde] in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat, indien verdachte en/of de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door [benadeelde] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op

EUR 706,--.

Bevestigt het vonnis voor al het overige.

Aldus gewezen door

mr. Harmsen, voorzitter,

mrs. Van de Loo en De Lange, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. De Bruijn, griffier,

en op 14 juli 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.