Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9335

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
14-07-2005
Zaaknummer
20.001927-04
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2004:AO7295
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AZ0216, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ0216
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:2412, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 12 juli 2003 werden een Sittardse autohandelaar en zijn echtgenote in hun bedrijf vermoord door schoten in het hoofd. Hun negenjarige kleindochter, die toevallig aanwezig was, werd eveneens door het hoofd geschoten, maar zij overleefde de schietpartij.

Evenals door de rechtbank wordt de verdachte, die altijd heeft ontkend de schutter te zijn geweest, door het hof veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Het hof maakt voor het bewijs gebruik van de verklaring van de kleindochter, die ondanks haar verwondingen haar geheugen aan de gebeurtenissen gedeeltelijk heeft teruggekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-001927-04

Uitspraak: 14 juli 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

8 april 2004 in de strafzaak met parketnummer 03-008276-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, met bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde en veroordeling van de verdachte tot levenslange gevangenisstraf, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto, merk BMW, type 740i.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, op die [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op 13 juli 2003 is overleden,

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met dat opzet meermalen, althans eenmaal, op die [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op 13 juli 2003 is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar strafbaar feit, te weten:

- moord subsidiair gekwalificeerde doodslag subsidiair doodslag op [slachtoffer 2]

en/of

- poging tot gekwalificeerde doodslag subsidiair poging tot doodslag op [slachtoffer 3]

en/of

- diefstal van een hoeveelheid geld en/of van een personenauto, merk BMW,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die/dat feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met dat opzet meermalen, althans eenmaal, op die [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op 13 juli 2003 is overleden;

2.

dat hij op of omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer 2] heeft doodgeschoten,

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden,

dat hij op of omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk

[slachtoffer 2] heeft doodgeschoten, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar strafbaar feit, te weten:

- moord subsidiair gekwalificeerde doodslag subsidiair doodslag op [slachtoffer 1]

en/of

- poging tot gekwalificeerde doodslag subsidiair poging tot doodslag op [slachtoffer 3]

en/of

- diefstal van een hoeveelheid geld en/of van een personenauto, merk BMW,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die/dat feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk

[slachtoffer 2] heeft doodgeschoten;

3.

dat hij op of omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, op die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar strafbaar feit, te weten:

- moord subsidiair gekwalificeerde doodslag subsidiair doodslag op [slachtoffer 1]

en/of

- moord subsidiair gekwalificeerde doodslag subsidiair doodslag op [slachtoffer 2] en/of

- diefstal van een hoeveelheid geld en/of van een personenauto, merk BMW,

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die/dat feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, op die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

dat hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2003 tot en met 15 juni 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit [bedrijf] weg te nemen een kluis (met inhoud), althans geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich daarbij de toegang tot de ruimte waar zich die kluis bevond te verschaffen en/of die/de weg te nemen kluis (met inhoud), althans geld en/of goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking met genoemd oogmerk tijdens de openingstijd van die [bedrijf] zich zogenaamd heeft laten "insluiten" in die [bedrijf] en/of een deur, waarachter zich een kluis bevond, heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Op pagina 35 van de pleitnotities in hoger beroep is een verweer opgenomen, dat ertoe strekt dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte op een eerlijke proces is gehandeld. Hoewel de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep dit verweer niet verbaal heeft voorgedragen, zal het hof - teneinde mogelijke discussie hierover te vermijden - op dit verweer, zoals het in de pleitnotities is vermeld, responderen.

Het verweer komt er - kort gezegd - op neer dat de verdachte vanaf het tiende politieverhoor door het nieuwe verhoorkoppel is verhoord in strijd met het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op het vervolgens in de pleitnota aangevoerde gaat het hof er vanuit dat de raadsman bedoelt te betogen dat de verhorende ambtenaren zich niet hebben onthouden van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd, hetgeen in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald.

Het hof merkt in dit verband op dat zoals bekend aanhouding, preventieve detentie (al dan niet in beperking) en de onderwerping aan verhoor tijdens het opsporingsonderzoek in het algemeen voor een verdachte een zware psychische belasting met zich brengen. Gelet op het gegeven dat de verdachte aanvankelijk 33 maal is verhoord (deels terwijl verdachte in beperkingen zat), waarbij vanaf het tiende verhoor een ander verhoorkoppel is ingezet, is ook in deze zaak sprake van een zware psychische belasting voor verdachte, in het bijzonder gelet op de intensiteit, de duur van de verhoren en de totale periode waarover de verhoren hebben plaatsgevonden.

De raadsman heeft op pagina 34 van zijn pleitnotities een aantal tekstfragmenten opgesomd die volgens hem illustreren dat door de verhorende ambtenaren in strijd met artikel 29, eerste lid (zo begrijpt het hof de raadsman), van het Wetboek van Strafvordering is gehandeld. Het hof is van oordeel dat vier van de door de raadsman genoemde fragmenten inderdaad op gespannen voet staan met artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

- 'Het verhoorkoppel zegt tegen de verdachte dat zij ervan overtuigd zijn dat hij het feit waarvan hij verdacht wordt, gepleegd heeft (...)' (pagina 1585);

- '(...) dat er gewoon geen andere man is en dat dit een heel dik probleem is waar hij mee zit en dat hij daarover moet nadenken en moet redden wat er te redden is' (pagina 1597);

- 'verbalisanten zeggen dat ze eerlijk zijn en 200 % overtuigd zijn dat de verdachte het feit gepleegd heeft. (...) Verbalisanten geven aan dat zij zaken hebben gedraaid waar er veel minder tegen de verdachte lag en waar deze toch veroordeeld is' (pagina 1631);

en

- 'de mening van de verbalisanten is dat de strop al om zijn nek zit, alleen de rechters hoeven hem nog aan te trekken' (pagina 1637).

Anders dan de raadsman betoogt, leiden deze verzuimen - ieder voor zich dan wel in onderling verband beschouwd - volgens het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Niet kan immers worden gezegd dat hier sprake is van een zodanig ernstig verzuim of van zodanige ernstige verzuimen waardoor niet langer sprake kan zijn van een behandeling van een zaak die aan beginselen van behoorlijke procesorde voldoet. Evenmin is aannemelijk dat de verhorende ambtenaren doelbewust of met grove veronachtzaming van hun verhoorbevoegdheden gebruik hebben gemaakt.

Het hof komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden.

Allereerst stelt het hof vast dat in het licht van het totale aantal verhoren van de verdachte dat heeft plaatsgevonden de betreffende passages slechts zien op incidenten, waarbij nog vermelding verdient dat de feiten waarover de verdenking zich uitstrekt tot de meest ernstige delicten uit het Wetboek van Strafrecht behoren en begrijpelijk is dat verhorende ambtenaren dan met enige klem die gegevens die tegen de onschuld van de verdachte pleiten onder diens aandacht brengen. Daarnaast merkt het hof nog op dat de op verdachte uitgeoefende druk van de zijde van het verhoorkoppel niet tot een bekentenis heeft geleid, zodat de verdachte door de gebezigde handelwijze niet in zijn belangen is geschaad.

Gelet op het voorgaande ziet het hof dan ook geen aanleiding om - behoudens deze constatering - gevolgen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering aan de genoemde handelwijze te verbinden.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair,

3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg op die [slachtoffer 1] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op 13 juli 2003 is overleden;

2.

dat hij op 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer 2] heeft doodgeschoten;

3.

dat hij op 12 juli 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet op die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten:

- moord op [slachtoffer 1]

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

4.

dat hij in de periode van 14 juni 2003 tot en met 15 juni 2003 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in [bedrijf] weg te nemen een kluis met inhoud, toebehorende aan [bedrijf], en zich daarbij de toegang tot de ruimte waar zich die kluis bevond te verschaffen en die weg te nemen kluis met inhoud onder zijn bereik te brengen door middel van braak, met genoemd oogmerk tijdens de openingstijd van die [bedrijf] zich zogenaamd heeft laten "insluiten" in die [bedrijf] en een deur, waarachter zich een kluis bevond, heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A. Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

In de kern steunt het oordeel van het hof, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3, telkens primair tenlastegelegde heeft begaan, op:

- de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], waaruit volgt dat de verdachte de beschikking had over een vuurwapen;

- de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij op 12 juli 2003 op het kantoor van [slachtoffer 1] alsmede in de woning van de familie [familienaam slachtoffers] op het [adres] is geweest;

- de verklaring van [slachtoffer 3] bij gelegenheid van het studioverhoor, waaruit volgt dat zij op het kantoor van haar opa, [slachtoffer 1], in de rechterbroekzak van de verdachte een stukje van een pistool zag en dat de verdachte vervolgens dat pistool te voorschijn heeft gehaald

en

- de verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5], waaruit volgt dat tijdens de aanwezigheid van de verdachte op het [adres] aldaar is geschoten.

De verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen overweegt het hof als volgt.

Anders dan de verdediging acht het hof de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen geloofwaardig. Weliswaar kan aan de verdediging worden toegegeven dat de verklaringen van deze getuigen niet volstrekt eensluidend zijn, onder meer omtrent de grootte van het door de verdachte op 11 juli 2003 aan hen getoonde pistool, maar naar het oordeel van het hof verschillen hun verklaringen niet zo wezenlijk van elkaar dat aan die verklaringen geen geloof kan worden gehecht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte het pistool slechts gedurende een kort tijdsbestek aan [getuige 1] en [getuige 2] heeft voorgehouden en dat [getuige 1] en [getuige 2] daarvan zijn geschrokken.

Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat [getuige 1] en [getuige 2] uit rancune vanwege het teloorgaan van de hennepkwekerij, die zij samen met de verdachte in diens woning hadden opgezet, opzettelijk een valse verklaring tegen de verdachte hebben afgelegd, waarvan zij zich de vérstrekkende consequenties, te weten dat de verdachte als de mogelijke dader van de schietpartij zou worden aangemerkt, bewust moeten zijn geweest. In dit verband is van belang dat de hennepkwekerij noch in de verklaringen van de verdachte, noch in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] naar voren komt als de aanleiding voor het tonen van het pistool. [getuige 1] en [getuige 2] waren op 11 juli 2003 immers met de Porsche van (de moeder van) [getuige 2] bij de verdachte op bezoek om een tafeltje op te halen, toen de verdachte vroeg om een stukje in die auto te mogen rijden. Nadat hem die toestemming was geweigerd, is de verdachte zijn woning ingegaan, gevolgd door [getuige 1] en [getuige 2], waarna hij hen in de woning plotseling een pistool voorhield. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] zagen dit als een grap, al schrokken zij in meer of mindere mate wel van het getoonde vuurwapen. In aanmerking nemend, dat de sfeer tussen de verdachte en [getuige 1]/[getuige 2] na het incident met het pistool toeliet, dat de verdachte op de bestuurdersplaats van de Porsche mocht plaatsnemen, ziet het hof het tonen van het pistool aan [getuige 1] en [getuige 2] tegen de achtergrond van de weigering om in de Porsche te mogen rijden meer als stoerdoenerij dan als een serieuze bedreiging. Dit neemt echter niet weg, dat hiermee is komen vast te staan dat de verdachte op de avond voor de schietpartij een pistool tot zijn beschikking had.

De verklaring van de getuige [slachtoffer 3]

Met betrekking tot de verklaring die door [slachtoffer 3] op

21 december 2004 tijdens het studioverhoor ten overstaan van [verbalisant 1] heeft afgelegd, overweegt het hof als volgt.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel, dat de verklaring van [slachtoffer 3] wél als bewijsmiddel kan worden gehanteerd. Hierna zal worden aangegeven op welke wijze het hof die verklaring waardeert en waarom het hof de verklaring geloofwaardig en betrouwbaar acht.

Van genoemd studioverhoor zijn opnamen gemaakt die op DVD zijn opgeslagen, van welke opnamen ook de advocaat-generaal en de verdediging kennis hebben genomen. Het hof heeft deze opnamen zorgvuldig bestudeerd en is op grond daarvan tot de onderstaande waardering gekomen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen, dat bij het hanteren van verklaringen van dergelijke jeugdige minderjarigen voor het bewijs in strafzaken behoedzaamheid vereist is. In dit verband merkt het hof op, dat voorzover de verdediging heeft gesteld, dat de getuigenverklaring van een minderjarige van de leeftijd van [slachtoffer 3] slechts als bewijsmiddel kan worden gehanteerd, indien via een nadere test, af te nemen na de getuigenverklaring, een beoordeling heeft plaatsgehad van de beïnvloedbaarheid van de getuige en de eventuele neiging van de getuige om te verklaren overeenkomstig de wensen of verwachtingen van derden, zoals de familie van de getuige, deze stellingname geen steun vindt in het recht.

Het hof heeft zowel acht geslagen op de wijze van verhoren, zoals de inhoud van de door [verbalisant 1] gestelde vragen, als op de manier waarop [slachtoffer 3] de vragen heeft beantwoord. Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven, dat [verbalisant 1] tijdens het verhoor van 21 december 2004 geen vragen heeft gesteld waarvan op [slachtoffer 3] enige aandrang zou kunnen zijn uitgegaan om anders te verklaren dan overeenkomstig haar eigen herinnering aan de bewuste gebeurtenissen van 12 juli 2003. Het hof heeft met waardering kennis genomen van de wijze waarop [verbalisant 1], rechercheur Jeugd- en Zedenzaken, dit verhoor in een voor kinderen bestemde ruimte heeft afgenomen. Naar het oordeel van het hof heeft [slachtoffer 3] zich onbevangen kunnen uiten over hetgeen zij zich omtrent die gebeurtenissen herinnerde.

Voorts is er, gelet op de wijze waarop [slachtoffer 3] toen heeft verklaard, geen enkele aanwijzing dat [slachtoffer 3] op dat moment "voorgeprogrammeerd" was of anderszins de neiging had om met een verklaring die niet strookte met haar eigen herinnering te voldoen aan een wens van een derde. De enkele omstandigheid dat [slachtoffer 3] ten aanzien van enkele aspecten door haar tante [betrokkene 1] is geïnformeerd - het gaat om vier kwesties die zijn vermeld op de pagina's 6, 8 en 11 van het proces-verbaal van het betreffende verhoor - maakt hetgeen [slachtoffer 3] overigens heeft verklaard niet onbetrouwbaar of ongeloofwaardig. In tegendeel: [slachtoffer 3] geeft in die vier gevallen desgevraagd telkens direct aan de informatie van die tante te hebben gekregen.

Het gegeven dat [slachtoffer 3] heeft verklaard (zie pagina 9 van het proces-verbaal) niet te weten waarop de man in het kantoor heeft geschoten, getuigt er naar het oordeel van het hof veleer van dat [slachtoffer 3] niet is voorgeprogrammeerd. Aannemelijk lijkt immers dat, indien [slachtoffer 3] wél was voorgeprogrammeerd, door haar zou zijn verklaard dat de man op haar opa had geschoten.

Overigens moet worden vooropgesteld dat [slachtoffer 3] met "de man in het kantoor", gezien de samenhang tussen haar verklaring en de verklaringen van de verdachte, bezwaarlijk een ander dan de verdachte bedoeld kan te hebben, te meer nu [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij behalve [getuige 5], toevoeging hof) op de oprit of in het kantoor niemand anders heeft gezien (zie het proces-verbaal onderaan pagina 10).

Voorts wijst het hof op de voor de verdachte belastende mededeling van [slachtoffer 3] - waarop het hof hierna nog nader zal ingaan - dat zij een stukje van een pistool in de rechterbroekzak van de man zag. Deze mededeling brengt [slachtoffer 3] voor het eerst in een tamelijk gevorderd stadium van het verhoor te berde. Naar het oordeel van het hof kan redelijkerwijs niet worden aangenomen, dat een ten tijde van het verhoor tienjarig meisje, indien zij zou zijn voorgeprogrammeerd, dit onderdeel van haar verklaring zo lange tijd voor zich zou hebben gehouden.

Ook het gegeven dat [slachtoffer 3] een voorbehoud maakt ten aanzien van het pistool ("het kan natuurlijk ook zijn beurs zijn, die zwart is"), getuigt er naar het oordeel van het hof niet van dat [slachtoffer 3]'s verklaring is geprogrammeerd. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan is aannemelijk dat [slachtoffer 3] gebleven zou zijn bij haar verklaring, dat zij (een stukje van) een pistool zag. Overigens hecht het hof aan de door [slachtoffer 3] geopperde mogelijkheid dat het iets anders geweest kan zijn dan een pistool, bijvoorbeeld een beurs, geen andere betekenis dan dat [slachtoffer 3] daarmee een hypothetische mogelijkheid heeft aangegeven.

Uit het voorgaande volgt, dat het hof niet de visie van [deskundige 1] deelt, zoals verwoord in diens rapport (pagina 4) van 31 maart 2005, dat [slachtoffer 3] wist wat van haar verwacht werd, namelijk het identificeren van de persoon die op haar opa had geschoten.

Evenmin volgt het hof [deskundige 1] in de door hem op bladzijde 5 van dat rapport geuite scepsis ten aanzien van de authenticiteit van een deel van [slachtoffer 3]'s herinnering. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Buiten de hierboven genoemde kwesties is de verklaring van [slachtoffer 3] naar het oordeel van het hof op (voor de bewijsvoering essentiële) onderdelen zonder twijfel wél authentiek te noemen. In die gevallen verklaart [slachtoffer 3] bijvoorbeeld "dat het ineens in mij opkomt". Bij het bestuderen van de op DVD opgeslagen videobeelden van het studioverhoor, waarvan ook de advocaat-generaal en de raadslieden van de verdachte kennis hebben genomen, heeft het hof de overtuiging bekomen dat [slachtoffer 3] in die gevallen oprecht en spontaan vertelt wat haar plotseling te binnen schiet. Het hof wijst in dit verband bijvoorbeeld op het gegeven dat [slachtoffer 3] zich plotseling herinnert dat zij een stukje van een pistool in de rechterbroekzak van de man zag (vanaf midden pagina 9 van het proces-verbaal van het studioverhoor). Naar het oordeel van het hof is de herinnering van [slachtoffer 3] aan het stukje van een pistool in de broekzak van de man authentiek. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [slachtoffer 3] in het aanvangsstadium van het studioverhoor (zie het proces-verbaal, onderaan pagina 1 en bovenaan pagina 2) op de uitnodiging van de verbalisante om haar alles te vertellen van hetgeen bij haar opa en oma is gebeurd nog verklaart "ik zag die man met zijn hand in zijn zak gaan" en ook later, wanneer de verbalisante op de in het eerste stadium van het verhoor afgelegde verklaring terugkomt (zie het proces-verbaal, onderaan pagina 5) verklaart [slachtoffer 3] niet meer dan "... en toen zag ik die man met zijn hand in de zak gaan". Pas in een nog later stadium van het studioverhoor (zie het proces-verbaal, midden pagina 9) verklaart [slachtoffer 3] voor het eerst dat de man een pistool in de rechterzak had, waarvan zij een stukje gezien heeft. Volgens de verbalisante wijst [slachtoffer 3] daarbij naar haar rechterbroekzak. Bovendien verklaart [slachtoffer 3] (zie het proces-verbaal, midden pagina 9): "Het was een klein pistool, een soort James Bond-pistool, niet zo'n heel kleintje, maar iets groter," waaruit het hof concludeert dat [slachtoffer 3] niet alleen een klein stukje van het pistool in de rechterbroekzak van de man heeft gezien, maar dat zij tevens het gehele pistool moet hebben gezien, want alleen dan is verklaarbaar dat [slachtoffer 3] de hiervoor genoemde details van het pistool kan opnoemen. En dat [slachtoffer 3] het gehele pistool heeft gezien, is alleen verklaarbaar indien de man, verdachte, het pistool uit zijn broekzak te voorschijn heeft gehaald.

Het hof is bekend met het verschijnsel dat bekend staat als de Wet van Ribot en dat inhoudt dat met het verloop van de tijd de omvang van een gat in de herinnering voor gebeurtenissen rond het oplopen van een hersentrauma kleiner wordt, waardoor het slachtoffer van een trauma in de loop van de tijd weer herinneringen terugkrijgt, die eerder verloren leken. Dit verklaart dat [slachtoffer 3] op 8 december 2004 zich plotseling fragmenten van het gebeurde op 12 juli 2003 herinnerde en het verklaart ook dat pas in de loop van het studioverhoor, mogelijk door de herbeleving van het gebeurde op 12 juli 2003, in [slachtoffer 3]'s herinnering is teruggekomen dat zij een stukje van het pistool in de rechterbroekzak van de verdachte heeft gezien en dat zij zich de details omtrent het model en de grootte van het pistool kan herinneren.

De overtuiging van het hof dat de verklaring van [slachtoffer 3] op essentiële onderdelen authentiek is, wordt versterkt doordat het beeld dat voortvloeit uit de verklaring van [slachtoffer 3], dat zij een stukje van het pistool in de rechterbroekzak van de verdachte zag, in sterke mate overeenkomt met de afbeeldingen op de foto's 17, 26 en 27 (dossierpagina's 1791, 1795 en 1796). Deze foto's, die ter terechtzitting van 29 juni 2005 onder de aandacht van de verdediging zijn gebracht, zijn gemaakt tijdens het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris op 1 maart 2004, bij welke gelegenheid een onderzoek is ingesteld naar de mogelijkheden van de verdachte om - al dan niet (geheel) zichtbaar - een pistool in de kleding of op het lichaam te dragen. Daarbij is de verdachte gefotografeerd, terwijl hij afwisselend pistolen van verschillende grootten en modellen bij zich draagt.

Op de hiervoor genoemde foto 17 heeft de verdachte een vuurwapen, merk FN Browning

model 22, in de rechterbroekzak en op de foto's 26 en 27 een vuurwapen, merk FN Browning model 10. Volgens het ballistisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut kan de munitie die bij de schietpartij op het [adres] is gebruikt, met beide hiervoor genoemde vuurwapens worden verschoten.

De voorbedachte raad

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 1 en 2, telkens primair tenlastegelegde bestanddeel "met voorbedachten rade" overweegt het hof het volgende.

Vast staat dat verdachte op het [adres] met een vuurwapen schoten heeft afgevuurd in het kantoor en de woonkamer. Uit het gegeven dat [slachtoffer 3] een beschrijving van het pistool heeft gegeven, leidt het hof af dat eerst op haar grootvader is geschoten en niet op haar, omdat [slachtoffer 3] in het laatste geval alleen de vuurmond van het pistool had kunnen waarnemen. De omstandigheid dat verdachte ter plaatse over dit vuurwapen beschikte, leidt tot de conclusie dat verdachte het wapen naar dat adres heeft meegenomen. Gelet op het onder-zoek ter terechtzitting was daarvoor geen legale reden aannemelijk te achten. Reeds uit het gegeven dat verdachte het vuurwapen heeft meegenomen naar een adres waar hij een personenauto wilde verwerven, leidt het hof af dat sprake is geweest van een periode van kalm beraad en rustig overleg.

Verder is van belang, dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen enkele aanwijzing te destilleren is, waaruit kan worden afgeleid dat verdachte tijdens het plegen van de misdrijven van 12 juli 2003 vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Uit niets blijkt van een ruzie of een anderszins dreigende of gespannen sfeer op genoemd adres tussen verdachte en één van de slachtoffers. Integendeel, uit zowel de verklaring van [slachtoffer 3] als die van verdachte blijkt, dat [slachtoffer 1] en verdachte doende waren met een zakelijke transactie rond een personenauto, waarbij de afronding daarvan in het kantoor op genoemd adres in een rustige sfeer werd besproken. De omstandigheid dat verdachte niettemin met het hem ter beschikking staande vuurwapen heeft geschoten, wettigt de gevolgtrekking van het door verdachte bedaard nadenken voorafgaand aan dat schieten. Daar komt nog bij, dat de twee schoten in genoemd kantoor zeer kort na elkaar zijn afgevuurd. Gelet hierop, en nu verdachte er niet voor is teruggedeinsd om door het hoofd van een 9-jarig kind te schieten, is het hof van oordeel dat verdachte zich in het kantoor handelingsbewust en vastberaden heeft gedragen.

Ook de wijze waarop [slachtoffer 2] van het leven is beroofd is veelzeggend voor die vastberadenheid. Op haar zijn immers twee schoten gelost, waarvan één haar in het achterhoofd trof, terwijl het andere schot op een afstand van vrijwel nul centimeter tot de nek is afgevuurd. Uit voornoemde feiten en omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd, dan dat verdachte met het schieten planmatig en vastberaden heeft gehandeld, hetgeen voor wat betreft de feiten onder 1 en 2 telkens dient te leiden tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

De poging tot gekwalificeerde doodslag

Met betrekking tot het onder 3 primair bewezenverklaarde oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren overweegt het hof, dat uit de zojuist beschreven handelwijze van verdachte in het kantoor moet worden afgeleid, dat de verdachte [slachtoffer 3], die op dat moment getuige was van het door verdachte afvuren van een schot in het hoofd van [slachtoffer 1], van het leven heeft willen beroven om zichzelf ter zake van de moord op [slachtoffer 1] straffeloosheid te verzekeren.

De overtuiging van het hof

Op grond van onder meer de hiervoor reeds kort aangeduide bewijsmiddelen - een volledig overzicht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zal in de aanvulling op het verkort arrest worden opgenomen - heeft het hof de overtuiging bekomen dat de verdachte het

onder 1, 2 en 3, telkens primair tenlastegelegde heeft begaan.

In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vindt ook de verklaring van de verdachte, dat niet hij, maar een hem onbekende man de schutter is geweest, haar weerlegging.

De overtuiging dat de verdachte als de dader van het onder 1, 2 en 3 telkens primair tenlastegelegde moet worden aangemerkt, wordt in het bijzonder nog versterkt door de ongeloofwaardige verklaringen die de verdachte omtrent het gebeurde heeft afgelegd en diens, in het licht van zijn verklaring dat hij slechts getuige was van de schietpartij, onbegrijpelijke gedragingen.

Het hof acht verdachtes verklaring dat hij, nadat de transactie met [slachtoffer 1] op het kantoor was afgewikkeld, desgevraagd van [slachtoffer 1] toestemming had gekregen om in de woning naar het toilet te gaan, ongeloofwaardig in het licht van de door de [getuige 6] ter terechtzitting van het hof van 9 december 2004 afgelegde verklaring, die onder meer inhoudt (pagina 21 van het proces-verbaal terechtzitting):

"Ik weet zeker dat [slachtoffer 1] niemand gebruik zou laten maken van zijn toilet. Het toilet was zijn heiligdom. Zelfs ik mocht er geen gebruik van maken."

Het hof hecht geloof aan de door deze getuige afgelegde verklaring, die naar eigen zeggen bij de familie [familienaam slachtoffers] "kind aan huis" was, hetgeen bevestigd wordt door andere getuigen ([getuige 7], dossierpagina 533, en [getuige 8], dossierpagina 529). In aanmerking nemend dat zelfs een huisvriend van de familie [familienaam slachtoffers] geen gebruik mocht maken van het toilet, acht het hof niet geloofwaardig dat [slachtoffer 1] aan een relatief onbekende wel toestemming zou hebben gegeven om naar het toilet te gaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verklaring van de verdachte, dat hij in de woning van de familie [familienaam slachtoffers] op zoek ging naar het toilet, slechts ten doel te maskeren dat hij in werkelijkheid de woning van de familie [familienaam slachtoffers] heeft betreden (waarbij de verdachte mogelijk sporen, zoals vingerafdrukken, zou achterlaten) om in de woning [slachtoffer 2] het zwijgen op te leggen, teneinde te voorkomen dat zij de verdachte zou kunnen aanwijzen als degene die in het kantoor op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] had geschoten.

Met betrekking tot de naar het oordeel van het hof onbegrijpelijke gedragingen van de verdachte onderscheidt het hof twee afzonderlijke situaties, te weten de situatie tijdens en de situatie na de schietpartij.

Voor wat betreft eerstgenoemde situatie gaat het om de tijdsspanne waarin de verdachte, nadat hij (naar zijn zeggen) de woning van de familie [familienaam slachtoffers] had betreden om naar het toilet te gaan, achter zich plotseling twee schoten hoorde. Hieromtrent heeft de verdachte, onder meer bij gelegenheid van de schouw op 8 december 2004, verklaard dat hij op dat moment naar rechts is weggedoken en zich in de keuken van de familie [familienaam slachtoffers] voor de schutter verborgen heeft gehouden. Bij die gelegenheid heeft de verdachte voorts de positie ingenomen die hij volgens zijn verklaring ook op 12 juli 2003 zou hebben ingenomen. De voorzitter heeft hetgeen daarbij door het hof is waargenomen in het proces-verbaal doen opnemen met de woorden:

"de verdachte [neemt] gehurkt, met zijn handen gevouwen op zijn hoofd, (aan de kant van de binnenplaats) tegen het eerste keukenkastje aan en met de rug in de richting van de tussenruimte (toevoeging hof: bedoeld wordt de aanbouw van de woning, waar de eettafel van de familie [familienaam slachtoffers] is gesitueerd) gekeerd, de positie in die hij volgens zijn verklaring op 12 juli 2003 heeft ingenomen".

Naar het oordeel van het hof is het volstrekt onwaarschijnlijk dat iemand, die achter zich knallen hoort, die hij aanstonds herkent als schoten uit een vuurwapen, zou trachten zich op de door de verdachte getoonde wijze verborgen te houden voor het mogelijk van achteren (te weten vanuit de tussenruimte) komend gevaar. In de positie die de verdachte zegt te hebben ingenomen, was hij voor de schutter een weerloos doelwit en ontbrak het de verdachte aan mogelijkheden adequaat te kunnen handelen, indien het gevaar, waarvoor hij naar eigen zeggen beducht was, zich zou realiseren.

De gedragingen van de verdachte na afloop van de schietpartij - uit de verklaringen van onder meer de verdachte zelf, de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] blijkt dat de verdachte na de schietpartij hardlopend de oprit van de woning van de familie [familienaam slachtoffers] af kwam, naar de auto op het parkeerterrein van [bedrijf van slachtoffer 1] liep, instapte en hard weg reed - kunnen op het eerste gezicht nog worden geduid als gedragingen van iemand die zojuist getuige is geweest van een schietpartij en daardoor in grote paniek is geraakt. Maar in het licht van de volgende feiten en omstandigheden zijn deze gedragingen redelijkerwijs niet als zodanig te duiden.

Zo heeft de verdachte de getuigen [getuige 3] en [getuige 4], die op het tegenover de woning van de familie [familienaam slachtoffers] gelegen parkeerterrein van [bedrijf van slachtoffer 1] een auto aan het bekijken waren en die de verdachte naar eigen zeggen wel heeft gezien, niet gewaarschuwd dat zich in de woning aan de overzijde een man met een vuurwapen ophield. Evenmin heeft de verdachte de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] gevraagd de politie te waarschuwen en medische hulp in te roepen, terwijl hij toch begrepen moet hebben dat er bij de schietpartij in ieder geval gewonden konden zijn gevallen. Ook zelf heeft de verdachte de hulpdiensten niet gewaar-schuwd, zelfs niet toen hij zich in de auto van de plaats van het misdrijf had verwijderd en voor hemzelf het gevaar geweken was. Daarentegen is de verdachte naar zijn woning gereden, maar ook daar heeft hij de hulpdiensten niet verwittigd. Evenmin heeft hij de politie of zijn vriendin en haar broer geïnformeerd omtrent hetgeen waarvan hij kort daarvoor getuige was geweest. Wel heeft de verdachte de bagage van zijn vriendin en haar broer in de auto geladen, waarna zij onmiddellijk naar Roemenië zijn vertrokken.

Naar het oordeel van het hof passen deze gedragingen bij een dader, die tracht aan zichzelf de straffeloosheid te verzekeren, en niet bij een getuige die in paniek verkeert naar aanleiding van hetgeen hem is overkomen. Dit oordeel wordt versterkt door het gedrag van de verdachte gedurende de dagen na de schietpartij. In dit verband noemt het hof:

- het gegeven dat de verdachte zijn beste vriend, [betrokkene 2], een dag te vroeg opbelt om hem te feliciteren met zijn verjaardag ([betrokkene 2] is geboren op 13 juli) en het gegeven dat de verdachte met een betrekkelijk onnozele vraag - in ieder geval afgezet tegen de ernst van hetgeen hem korte tijd daarvoor was overkomen - over het aantal PK's van de auto telefonisch contact opneemt met een vriend/collega, [betrokkene 3]. Naar het oordeel van het hof kan de verdachte met deze telefoongesprekken geen andere bedoeling hebben gehad dan zich op slinkse wijze via [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te laten informeren omtrent de ontwikkelingen in Sittard;

- het gegeven dat de verdachte, wanneer hij in de loop van de middag en avond van 12 juli 2003 wordt opgebeld door [betrokkene 4], [betrokkene 3], en [betrokkene 5], zich volstrekt van den domme houdt met betrekking tot de schietpartij. Zelfs zegt de verdachte tegen zijn werkgever, [betrokkene 5] (zie telefoontap op dossierpagina's 305 en 306) dat de schietpartij moet hebben plaatsgevonden nadat hij, verdachte, bij [bedrijf van slachtoffer 1] was weggegaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zich op deze manier uit te laten slechts ten doel gehad te voorkomen dat hij in verband werd gebracht met de schietpartij;

- het gegeven dat de verdachte, hoewel hij zijn vriendin en haar broer in Wenen heeft achtergelaten met de bedoeling aanstonds naar Nederland terug te keren en zich bij de politie te melden, eerst nog twee dagen in Recklinghausen (Duitsland) bij [betrokkene 6] blijft bivakkeren. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voor deze vertraging geen redelijke uitleg gegeven, hoewel hij begrepen moet hebben - ook als zijn lezing zou worden gevolgd dat hij van de schietpartij slechts getuige was geweest - dat de politie in Nederland hem dringend wilde spreken. Niet uitgesloten moet worden geacht dat de verdachte deze tijd nodig heeft gehad om sporen uit te wissen (zoals het [laten] uitwassen van het T-shirt, dat hij ten tijde van de schietpartij droeg; zie in dit verband de verklaring van [betrokkene 6] op dossierpagina 1548) en om het verhaal te bedenken dat hij vanaf dat moment als de waarheid is gaan presenteren.

Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten

Voor zover in het vorenstaande niet reeds is ingegaan op enige door de verdediging ten aanzien van de feiten onder 1, 2 en 3 ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, overweegt het hof dienaangaande nog als volgt.

Toedracht en motief

De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen bewezenverklaring kan volgen, aangezien een sluitend beeld omtrent de toedracht van de gebeurtenissen ontbreekt en het motief "diefstal van de auto" niet kan worden aangenomen.

In dit verband is aangevoerd dat de redenering van de eerste rechter, zoals opgenomen onder de strafmaatoverwegingen in het beroepen vonnis, dat de juiste toedracht van de gebeurtenissen de rechtbank niet bekend is en dat de rechtbank naar de motieven van de verdachte om op deze drie mensen te schieten enkel kan gissen, de ruimte laat voor de niet met de bewijsmiddelen, maar wel met de bewezenverklaring strijdige mogelijkheid, dat een ander dan de verdachte de dader is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De conclusie van het hof, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3, telkens primair tenlastegelegde heeft begaan, berust niet op louter aannames omtrent hetgeen op 12 juli 2003 op het [adres] gebeurd kan zijn. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen, waaruit volgt dat de verdachte op 11 juli 2003 de beschikking had over een pistool, dat hij op 12 juli 2003, toen hij op het kantoor van [slachtoffer 1] een transactie afwikkelde betreffende de koop van een auto, een pistool bij zich droeg en dat hij dat pistool uit zijn broekzak te voorschijn heeft gehaald, dat op het adres, waar de verdachte zich bevond, schoten zijn gevallen en dat de verdachte zich onmiddellijk daarna heeft verwijderd van de plaats van het misdrijf, waar vervolgens drie slachtoffers zijn aangetroffen, allen met schotverwondingen in het hoofd, geven immers een zó sluitend beeld van het gebeurde, dat het naar het oordeel van het hof zó onwaarschijnlijk is dat een ander dan de verdachte de schutter was, dat het deze mogelijkheid uitgesloten acht. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat uit de verklaring van [slachtoffer 3] volgt dat er, buiten haarzelf, de verdachte en haar opa, geen ander in het kantoor aanwezig was.

Het hof acht niet onwaarschijnlijk dat verdachtes motief om [slachtoffer 1] neer te schieten van financiële aard was, aangezien de koopsom van de auto niet bij de familie [familienaam slachtoffers] is aangetroffen, doch wat zijn precieze motief was, is het hof niet duidelijk geworden. De conclusie van de verdediging, die er op neerkomt dat geen bewezenverklaring kan volgen wanneer het motief niet bekend is geworden, vindt echter geen steun in het recht.

Voor wat betreft de poging tot doodslag op [slachtoffer 3] en het doodschieten van [slachtoffer 2] ligt voor de hand dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd met het doel hen uit te schakelen, omdat zij getuigen waren van het neerschieten van [slachtoffer 1], maar ook hier geldt, dat aan de bewezenverklaring van de feiten onder 2 en 3 naar het oordeel van het hof niets in de weg staat, indien de verdachte uit andere motieven zou hebben gehandeld.

De verklaring van verdachte

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de aannemelijkheid van de verklaring van verdachte, dat niet hij, maar een hem onbekende man de schutter is geweest, wordt ondersteund door:

A) het ontbreken van forensisch bewijs;

B) de aannemelijkheid van een andere persoon als dader;

C) de resultaten van de schouw op 8 december 2004;

D) de psycholoog [deskundige 2].

Ad A)

De verdediging stelt zich - samengevat - op het standpunt, zo begrijpt het hof, dat, gelet op de huidige stand van de wetenschap op het gebied van geavanceerd DNA-onderzoek, uit het forensisch onderzoek van de [deskundige 3] voor de verdachte belastend materiaal naar voren had moeten komen indien het er was geweest, zodat, nu er geen enkel de verdachte belastend materiaal is aangetroffen, de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het hof op grond van voormelde wettige bewijsmiddelen tot de conclusie is gekomen dat de verdachte degene is geweest die de fatale schoten heeft afgevuurd. Voor de bewezenverklaring is het antwoord op de vraag waarom bij het forensisch onderzoek geen sporen zijn aangetroffen die de verdachte zouden kunnen belasten, maar evenmin sporen die de verdachte zouden kunnen ontlasten, derhalve niet relevant. Dat neemt niet weg dat het hof, met de verdediging, over het antwoord op die vraag slechts kan gissen. Een mogelijk antwoord kan worden gevonden in de rapportage van de deskundige Eikelen-boom d.d. 27 februari 2005 en diens verklaring ter terechtzitting van 29 juni 2005, waaruit volgt dat een zinvol onderzoek naar aanraaksporen, zweet en speeksel (DNA) van de schutter op de bovenkleding van [slachtoffer 2], op (grote delen van) het overhemd van het slachtoffer [slachtoffer 1] en op het T-shirt van het slachtoffer [slachtoffer 3] onmogelijk was geworden tengevolge van contaminatie met (grote hoeveelheden) bloed en/of schimmels.

Ad B)

In het kader van de stelling dat aannemelijk is dat een ander dan de verdachte de dader is, stelt de verdediging stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de waarnemingen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] niet de mogelijkheid uitsluiten dat een ander dan de verdachte verantwoordelijk is voor de delicten onder 1, 2 en 3 en dat deze derde via de achterzijde de woning heeft verlaten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De eerste rechter heeft de verklaringen van genoemde getuigen gebruikt in het kader van de constructie van het bewijs, dat geen ander dan de verdachte via de voorzijde de woning van de familie [familienaam slachtoffers] heeft verlaten. Voor wat betreft de achterzijde van de woning heeft de rechtbank deze mogelijkheid uitgesloten geacht op basis van het door de technisch rechercheur Mans op de tuinpoort c.a. uitgevoerde sporenonderzoek, waaruit hem geen sporen van overklimming waren gebleken.

Anders dan de eerste rechter baseert het hof het bewijs, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, mede op de door [slachtoffer 3] bij gelegenheid van het studioverhoor afgelegde verklaring - waarover de eerste rechter nog niet kon beschikken -, waaruit volgt dat de verdachte, toen hij op het kantoor van [slachtoffer 1] was, een pistool uit zijn rechterbroekzak te voorschijn heeft gehaald. Aan deze verklaring kent het hof grote waarde toe en het hof komt derhalve niet via dezelfde bewijsconstructie als de eerste rechter tot een bewezenverklaring van genoemde feiten. Desalniettemin bezigt het hof de verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] voor het bewijs, omdat daaruit volgt dat de verdachte op het moment van de schietpartij op het [adres] aanwezig was. Weliswaar heeft de verdachte dat ook zelf verklaard, doch hij plaatst daarbij zijn aanwezigheid bij de schietpartij in het kader van zijn positie als getuige, aan welke uitleg het hof evenwel geen geloof hecht, onder meer in het licht van de hiervoor reeds geciteerde verklaring van de [getuige 6].

Met betrekking tot de verklaring van de [getuige 5] heeft de verdediging bovendien kritische opmerkingen geplaatst bij het waarnemingsvermogen van deze (jonge) getuige, alsmede bij de wijze waarop hij is verhoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het door de [getuige 5], geboren op 29 april 1991, opgegeven signalement van de verdachte, leidt het hof af dat deze getuige kennelijk over een scherp waarnemingsvermogen beschikt. Weliswaar heeft hij de verdachte op 12 juli 2003 ten minste twee keer gezien (voor het eerst toen de verdachte samen met [slachtoffer 1] van het postkantoor terugkeerde en de oprit van de woning opliep, en de tweede keer toen de verdachte na de schietpartij de oprit van de woning afrende), toch verklaart de [getuige 5] als enige gedetailleerd over onder meer de schoenen van de verdachte. Bij zijn aanhouding op 15 juli 2003 heeft de verdachte verklaard dat hij op dat moment dezelfde schoenen droeg als op 12 juli 2003 en dan blijkt de beschrijving van die schoenen door de [getuige 5] bijzonder nauwkeurig daarmee overeen te stemmen.

Ter gelegenheid van de schouw op 8 december 2004 heeft het hof waargenomen dat de plek bij de paaltjes, waar de [getuige 5] volgens zijn verklaring op 12 juli 2003 stond, geen belemmering vormde om de oprit en de toegang tot de binnenplaats van de woning van de familie [familienaam slachtoffers] goed te kunnen overzien. Dat de [getuige 5] voorafgaand aan de schietpartij steeds op die plek op de oprit van zijn ouderlijk huis heeft gestaan en gespeeld, wordt bevestigd in de verklaring van [slachtoffer 3].

Met betrekking tot de wijze waarop de [getuige 5], die enkele maanden voor dat verhoor de leeftijd van twaalf jaar had bereikt, door de politie is gehoord, overweegt het hof dat het weliswaar de voorkeur zou hebben verdiend deze jonge getuige in een speciale verhoorstudio te horen, maar gezien voornoemd scherp waarnemingsvermogen van de getuige en de (relatief eenvoudige) aard van zijn waarnemingen, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de [getuige 5]. Het hof heeft overigens bij de waardering van zijn verklaring de behoedzaamheid betracht die gelet op de leeftijd van deze getuige passend is.

In het kader van de stelling dat aannemelijk is dat een ander dan de verdachte de dader is, heeft de verdediging voorts nog aangevoerd, dat in het dossier een verklaring ligt van de [getuige 9] (dossierpagina 1759), waaruit volgt dat hij korte tijd na de schietpartij in de brandgang achter de woning van de familie [familienaam slachtoffers] een man zag lopen, die zijn rechterhand in de rechterbroekzak hield en daarin mogelijk iets vasthield. De verdediging stelt vervolgens dat het door deze getuige opgegeven signalement van de betreffende man vrijwel naadloos aansluit op het door de verdachte opgegeven signalement van de schutter.

Het hof overweegt hieromtrent:

In de visie van de verdediging wijken de beide signalementen uitsluitend van elkaar af voor wat betreft de gezichtsbeharing. Uit de tabel op dossierpagina 1755 blijkt dat er in ieder geval ook voor wat betreft de (lengte van de) broek een wezenlijk verschil bestaat tussen de opgegeven signalementen. Daar komt nog bij dat de [getuige 9] de man in de brandgang heeft gezien op het moment dat de traumahelicopter reeds was gearriveerd (dit was om circa 14.20 uur; zie dossierpagina 0054), derhalve circa 50 minuten nadat de schietpartij had plaats-gevonden (om 13.34 uur was de schietpartij gemeld bij de Centrale Ambulance Post, zie dossierpagina 007). Het hof acht niet aannemelijk dat de dader zich zou hebben blootgesteld aan het risico van ontdekking door zich gedurende zo lange tijd op of nabij de plaats van het misdrijf op te houden. Op grond van het vorenstaande, en in het licht van de door [slachtoffer 3] afgelegde verklaring, gaat het hof niet mee in de veronderstelling dat de man in de brandgang mogelijk de schutter zou kunnen zijn.

In het kader van de stelling dat aannemelijk is dat een ander dan de verdachte de dader is, heeft de verdediging voorts nog naar voren gebracht dat de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen tegenstrijdig zijn, op grond waarvan deze niet van betekenis kunnen worden geacht voor de aanname dat de verdachte hen op

11 juli 2003 een vuurwapen heeft getoond.

Het hof verwijst hier kortheidshalve naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de betrouw-baarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is overwogen.

Ten slotte is van de zijde van de verdachte, in het kader van de stelling dat aannemelijk is dat een ander dan de verdachte de dader is, nog gesteld dat, vanwege het formaat van het vuurwapen, dat volgens het NFI bij de schietpartij zou zijn gebruikt en gelet op de foto's op de dossierpagina's 1782 - 1804, het [slachtoffer 1] moet zijn opgevallen indien de verdachte een dergelijk vuurwapen bij zich droeg.

Het hof overweegt hieromtrent:

Aangenomen kan slechts worden dat [slachtoffer 1] het pistool, dat de verdachte bij zich droeg, niet in een eerder stadium van de besprekingen heeft gezien. Dat betekent echter geenszins, dat de verdachte het pistool dan ook niet bij zich kan hebben gedragen, zoals de verdediging kennelijk wil betogen. De kleding van de verdachte, in het bijzonder de broek, biedt immers volop mogelijkheden om een pistool van geringe omvang bij zich te dragen, zonder dat dit opviel. In dit verband acht het hof relevant dat zowel [getuige 1] als [getuige 2], aan wie bij gelegenheid van hun verhoor door de rechter-commissaris een in grootte oplopende serie pistolen is getoond, ieder voor zich één of twee van de kleinere modellen uit die serie, hebben aangewezen als het wapen dat - qua grootte - overeenkomt met het pistool dat hen op 11 juli 2003 door de verdachte is getoond en dat ook [slachtoffer 3] verklaart over een klein pistool.

Ad C)

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de aannemelijkheid van een ander als dader wordt ondersteund door het gegeven dat het, gezien de waarnemingen van het hof tijdens de schouw op 8 december 2004, zeer wel mogelijk is dat de werkelijke dader, althans gezien vanuit de positie van [slachtoffer 1], de woning ongemerkt heeft kunnen betreden, en voorts door het gegeven dat de verdachte zich voor de werkelijke dader onopgemerkt heeft kunnen houden op een, gezien vanuit de eetkamer - waar hij zich ten tijde van de eerste schoten bevond - voor de hand liggende plaats, te weten in de keuken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het komt het hof, gezien de toelichting in onderdeel 52 onder (i) van de pleitnotities, voor dat de verdediging hier kennelijk bedoelt dat het, gezien vanuit de positie van [slachtoffer 1], zeer wel mogelijk is dat de werkelijke dader het kantoor ongemerkt heeft kunnen benaderen. Zou immers bedoeld zijn dat de werkelijke dader ongemerkt de woning heeft kunnen betreden, zoals in de pleitnotities vermeld, dan lijkt de visie van de verdediging reeds niet te rijmen met de volgorde van de gebeurtenissen zoals die in zijn verklaringen door de verdachte is beschreven.

Uitgaande van de kennelijke bedoeling van de verdediging, overweegt het hof dat uit de verklaringen van de [getuige 5] en van [slachtoffer 3] volgt, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat zij vóór de schietpartij niemand anders dan de verdachte (en [slachtoffer 1]) op de oprit van de woning van de familie [familienaam slachtoffers] hebben gezien.

Ook voor wat betreft de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte over de wijze waarop hij zich voor de werkelijke schutter verborgen zou hebben gehouden in de keuken, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor daaromtrent reeds is overwogen.

Ad D)

Door de verdediging is ten slotte nog aangevoerd dat de aannemelijkheid van een ander als dader wordt ondersteund door de rapportage die de psycholoog [deskundige 2] op 9 juni 2005 omtrent de verdachte heeft uitgebracht. Door de verdediging is in dit verband in de eerste plaats aangevoerd dat aan de persoonsbeschrijving van de verdachte in het rapport van de psycholoog argumenten kunnen worden ontleend op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verklaring van de verdachte, dat een hem onbekende derde de schutter was, aannemelijk is, nu deze niet door bewijs in absolute zin wordt weerlegd.

Daarnaast meent de verdediging dat de conclusie dat een aanwijsbaar motief bij de verdachte ontbrak door het onderzoek van [deskundige 2] wordt ondersteund en dat in het onderzoek geen gedragsdeskundig argument aan het licht is gekomen, dat een dwingende verklaring kan opleveren voor de aanname dat de verdachte de dader is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In algemene zin hebben de bevindingen van [deskundige 2] omtrent de persoonlijkheids-structuur van de verdachte voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten geen directe betekenis. De deskundige kan immers slechts in algemene termen ingaan op de vraag of, en zo ja, in hoeverre te verwachten valt dat delicten als de onderhavige door een individu met een bepaalde karakterstructuur gepleegd zouden kunnen worden.

In het onderhavige geval heeft de psycholoog geconcludeerd dat er geen aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid bij de verdachte van een persoonlijkheidsstoornis, dat de verdachte geen blijk geeft van directe agressie in de vorm van fysieke of verbale uitingen, dat er evenmin aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van indirecte (ingehouden) agressie, dat de verdachte eerder berustend is en vlak, dan agressief en gegriefd, en uit het onderzoek niet als gewelddadig naar voren komt en dat de verdachte zeer consistent is in zijn verklaringen omtrent de feiten. Anders dan de verdediging meent, staan deze conclusies er niet aan in de weg - en zij kunnen daaraan ook niet in de weg staan - dat het hof op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte degene is geweest die de feiten heeft begaan, hoe onvoorstelbaar dat op grond van de persoonlijkheid van de verdachte wellicht ook moge zijn.

Het hof deelt evenmin het verdedigingsstandpunt, dat de wijze waarop de verdachte volgens de [deskundige 2] met stresssituaties omgaat ("Als vrachtwagenchauffeur is hij in zijn eentje onderweg en is er niemand in de buurt om steun bij te zoeken en/of af te reageren. Stress moet door betrokkene zelf worden verwerkt en hij doet dit simpelweg door in de vrachtwagen te stappen en te gaan rijden. Autorijden maakt hem rustig en helpt hem om met vervelende gebeurtenissen om te gaan.") een argument oplevert voor de inzichtelijkheid van het gedrag van de verdachte, nadat hij als getuige werd geconfronteerd met de schietpartij.

De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij in blinde paniek vanuit de woning van de familie [familienaam slachtoffers] naar het parkeerterrein van [bedrijf van slachtoffer 1] is gerend, daar in de auto is gestapt en naar huis is gereden. Vervolgens is de verdachte, zonder de politie en de GGD te waarschuwen, met zijn vriendin en haar broer in de auto op weg gegaan naar Roemenië, zonder met zijn reisgenoten tijdens de autorit te spreken over hetgeen bij [bedrijf van slachtoffer 1] was voorgevallen. Naar het oordeel van het hof is verdachtes bovenomschreven handelen te duiden als vluchtgedrag en het is, naar het oordeel van het hof, gelet op de wijze waarop de verdachte volgens de deskundige met stresssituaties omgaat, zeer wel in te passen in het daderschap.

Technisch forensisch onderzoek

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat de conclusie uit het forensisch technisch onderzoek, inhoudende dat sporen van overklimming op de tuinpoort ontbreken, niet ten nadele van de verdachte mag worden uitgelegd, in die zin dat de verklaring van de verdachte, dat een ander dan hijzelf heeft geschoten - die vervolgens via de poort aan de achterzijde van de woning moet zijn weggevlucht - aan de hand van deze conclusie wordt ontkracht. De verdediging heeft in dit verband gewezen op evidente omissies in het forensisch onderzoek, onder meer hierin bestaande dat eerst op 16 juli 2003 een technisch onderzoek is verricht op de tuinpoort naar mogelijke sporen van overklimming, terwijl, indien dit onderzoek eerder zou hebben plaatsgevonden, wellicht de verklaring van de verdachte ondersteunende sporen van overklimming waren aangetroffen, die op 16 juli 2003 niet zijn aangetroffen.

In dit verband heeft de verdediging er op gewezen, dat de werkhypothese van de [deskundige 3], waarin is aangenomen dat het mogelijk is dat een individu met bloed aan zijn schoenen over de tuinpoort is geklommen, in diens bevindingen bevestigd wordt, nu bij het onderzoek van de tuinpoort door de deskundige een aanwijzing is verkregen op de aanwezigheid van een kleine hoeveelheid bloed.

Ook heeft de verdediging er nog op gewezen dat een vingerafdruk, die is aangetroffen op de aluminium deur tussen de oprit en de binnenplaats van de woning van de familie [familienaam slachtoffers] niet is onderzocht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof begrijpt de verdediging aldus, dat een beroep wordt gedaan op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hoewel daarbij door de verdediging niet duidelijk en gemotiveerd wordt aangegeven tot welk in genoemd artikel omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden (HR 30 maart 2004, NJ 2004/376), zal het hof ook op dit onderdeel van het verdedigingsstandpunt nader ingaan.

Zoals hiervoor reeds overwogen, speelt in de bewijsconstructie van het hof de verklaring van [slachtoffer 3], waarover, zoals gezegd, de eerste rechter nog niet kon beschikken, een prominente rol. Derhalve komt het hof niet, zoals de eerste rechter, langs de weg van het ecarteren van andere mogelijkheden tot de conclusie dat "de verdachte als de dader van de schietpartij moet worden aangemerkt". Aangezien het hof de bewezenverklaring niet (mede) doet steunen op de resultaten van het technisch forensisch onderzoek en eventuele omissies daarin derhalve niet ten nadele van de verdachte strekken, kan een verdere bespreking daarvan achterwege blijven.

Met betrekking tot het onderzoek van de [deskundige 3] merkt het hof op dat de werkhypothese van de deskundige niet bevestigd wordt door de resultaten van het onderzoek. Weliswaar heeft de [deskundige 3] bij zijn onderzoek een aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van een kleine hoeveelheid bloed, doch uit de ter terechtzitting van 29 juni 2005 door deze deskundige afgelegde verklaring volgt, dat dit bloed, gezien de geringe hoeveelheid materiaal die is aangetroffen, niet geïdentificeerd kon worden en dat bovendien het bloedspoor niet kan worden gedetecteerd in de tijd, in die zin dat het op 12 juli 2003, maar ook ruim vóór dan wel ná die datum op de poort kan zijn terechtgekomen. In zoverre zegt het spoor op de poort dus niets over de mogelijkheid dat op 12 juli 2003 een individu met bloed aan zijn schoenen over de poort is geklommen.

Voor wat betreft de vingerafdruk op de aluminium tussendeur, mist het standpunt van de verdediging feitelijke grondslag. Uit het dossier (pagina 1142) volgt immers dat dit spoor

(PD-01-17) wél is onderzocht, met dien verstande dat het niet kan worden herleid tot de op de signalering vermelde personen, te weten [verdachte] en [betrokkene 6].

Proceshouding verdachte

De verdediging heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat ook de proceshouding van de verdachte bijdraagt aan de aannemelijkheid van zijn verklaring, dat hij niet meer was dan getuige van de schietpartij. In dit verband is van de zijde van de verdachte aangevoerd dat de verdachte in alle opzichten heeft meegewerkt aan onderzoeken die met betrekking tot de feiten onder 1, 2 en 3 hem belastend materiaal opgeleverd zouden kunnen hebben.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof geeft de verdediging aan de bereidheid van de verdachte om mee te werken aan onderzoekshandelingen een te beperkte uitleg. Immers, verdachtes bereidwillige houding om aan de onderzoeken mee te werken kan ook worden gezien tegen de achtergrond van zijn ontkenning dat hij iets met de feiten te maken heeft, in welke ontkenning hij zich kennelijk heeft vastgebeten. Ook kan de verdachte aan de onderzoeken meegewerkt hebben uit opportunisme, in die zin dat zijn medewerking aan de onderzoeken gezien zou kunnen worden als een bewijs van zijn onschuld.

Slotsom

Uit voorgaande bespreking van de door de verdediging met betrekking tot de feiten onder 1, 2 en 3 naar voren gebrachte standpunten volgt dat het hof geen rechtsgevolgen verbindt aan een of meer van de door de verdediging geponeerde stellingen.

B. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 4

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde is van de zijde van de verdachte ter terecht-zitting in hoger beroep het verweer gevoerd, dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, omdat bij hem het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de kluis (met inhoud) ontbrak. Hiertoe is aangevoerd, dat verdachte zich in de periode van 14 juni 2003 tot 15 juni 2003 weliswaar in het bedrijfspand van [bedrijf] heeft laten insluiten, maar dat hij bij die gelegenheid slechts de mogelijkheid wilde onderzoeken om op een later moment de kluis weg te nemen.

Het hof verwerpt dit verweer onder verwijzing naar de verklaring die de verdachte ter terecht-zitting in hoger beroep van 9 december 2004 heeft afgelegd. Verdachte heeft toen feit 4 volledig erkend, waarbij hij heeft verklaard dat het hem niet lukte de kluis met inhoud weg te nemen aangezien de kluis te groot was en dat hij anders die kluis zeker had meegenomen. Uit deze verklaring, waaraan het hof de verdachte houdt, volgt voornoemd oogmerk.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 en 2 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in de artikelen 287 en 45, eerste lid, van dat wetboek.

Het bewezen verklaarde onder 4 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311 (oud), eerste lid, aanhef en onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in de artikelen 310 en 45, eerste lid, van dat wetboek.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Hetgeen bewezen is verklaard wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft verdachte van het onder 3 primair en onder 4 tenlastegelegde vrijgesproken en verdachte ter zake van feit 1 primair (moord op [slachtoffer 1]), feit 2 primair (moord op [slachtoffer 2]) en feit 3 subsidiair (poging tot doodslag op [slachtoffer 3]) veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. De verdachte en de officier van justitie zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, en wel ter zake van voormelde twee moorden, ter zake van feit 3 primair (te weten: poging tot de in artikel 288 Wetboek van Strafrecht omschreven gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 3]), alsmede ter zake van de onder 4 tenlastegelegde poging tot diefstal met braak.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde alsmede de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, op grond waarvan niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan de hierna te melden onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van twee moorden. Moord wordt algemeen als één van de meest ernstige delicten uit het Wetboek van Strafrecht beschouwd. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, waarbij verdachte door het hoofd van [slachtoffer 3] heeft geschoten met als bedoeling om na zijn betrapping op heterdaad bij het plegen van de moord op [slachtoffer 1] aan zichzelf de straffeloosheid te verzekeren. Deze poging tot gekwalificeerde doodslag is eveneens een uitzonderlijk ernstig misdrijf, nu aan verdachte het zware morele verwijt valt te maken dat hij het leven van een ander - in dit geval: het leven van een destijds 9-jarig kind - welbewust heeft willen opofferen aan zijn persoonlijk belang.

Het betreft hier drie gruwelijke en schokkende feiten, die op klaarlichte dag zijn gepleegd jegens nietsvermoedende en weerloze mensen. De daden kunnen als onvoorstelbaar worden aangemerkt, waarbij met name het gegeven dat de dader er niet voor is teruggedeinsd om een kind door het hoofd te schieten de grenzen van het voorstellingsvermogen te boven gaat.

Ter terechtzitting in hoger beroep is in het bijzonder door de verdediging aan de orde gesteld, dat het gelet op de persoon van verdachte niet voorstelbaar is, dat verdachte in staat is geweest om de weerzinwekkende feiten van 12 juli 2003 te plegen. Daartoe is aangevoerd, dat tijdens het door [deskundige 2] uitgevoerde onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte geen gedragskundig argument aan het licht is gekomen dat een dwingende verklaring kan geven voor het daderschap van verdachte. Zo is één van de bevindingen van [deskundige 2], dat verdachte eerder berustend en vlak is dan agressief en gegriefd, terwijl verdachte evenmin uit het onderzoek als gewelddadig naar voren komt. Voorts blijkt uit het procesdossier, dat vele getuigen, die verdachte kennen, hem beschrijven als een rustige, vriendelijke, behulpzame en niet agressieve persoon.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Uit het onderzoek ter terechtzitting is ook van andere gedragingen van verdachte dan de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde gebleken, die niet of nauwelijks te rijmen zijn met dit positieve beeld dat anderen van verdachte hebben. Zo acht het hof het opmerkelijk, dat verdachte in juni 2003, derhalve zo'n vier weken voor de gebeurtenissen van 12 juli 2003, teneinde zich een aanzienlijk financieel voordeel te verwerven, een poging heeft gedaan om een kluis te stelen, waartoe verdachte zich in een bedrijf heeft laten insluiten. Verdachte heeft verder toegegeven gedurende langere tijd een hennepkwekerij te hebben gehad, terwijl uit de bewijsmiddelen voorts volgt dat verdachte op 11 juli 2003 over een vuurwapen beschikte. Het samenstel van voornoemde feiten en omstandigheden geeft uitdrukking aan een merkwaardig gedrag van verdachte dat volstrekt anders was dan zijn familie, vrienden en kennissen van hem gewend waren. Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte onder bepaalde omstandigheden, over de aard waarvan men thans slechts kan speculeren, een onvoorspelbaar gedrag ten toon kan spreiden. Het hof komt daarop in het onderstaande nog terug.

Verdachte heeft welbewust aan het leven van de [slachtoffer 1 en slachtoffer 2] een einde gemaakt door hen van dichtbij met een vuurwapen in het hoofd te schieten, terwijl [slachtoffer 2] bovendien van zeer nabij in de nek is geschoten. Ten gevolge van het schot door haar hoofd heeft [slachtoffer 3] ernstig hersenletsel opgelopen. Voor haar leven moest geruime tijd worden gevreesd; zij is gedurende 13 dagen in het ziekenhuis in coma gehouden. In het bijzonder voor de ouders van [slachtoffer 3] moet dit een afschuwelijke periode geweest zijn. Ook nu, ruim twee jaar later, is ongewis welke gevolgen het schot door het hoofd nog voor de ontwikkeling van [slachtoffer 3] zal hebben.

Door zijn handelen heeft verdachte aan de familie en vrienden van de slachtoffers een immens en onherstelbaar leed aangedaan. De door verdachte op zaterdag 12 juli 2003 in een woonwijk gepleegde misdrijven hebben tevens in de samenleving gevoelens van afgrijzen, angst en onveiligheid teweeg gebracht.

Voor hetgeen door de rechtbank is bewezen verklaard is reeds de in eerste aanleg opgelegde levenslange gevangenisstraf passend te achten. Nu het hof tot een bewezenverklaring komt van feiten van een nog grotere ernst kan geen andere sanctie worden opgelegd dan de hierna te melden straf. In dit verband overweegt het hof, dat de feiten van 12 juli 2003 getuigen van een grote doelgerichtheid van verdachte. Verdachte heeft voorts geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen.

Gelet op de hierboven genoemde onvoorspelbaarheid van het gedrag van verdachte en gezien de meedogenloosheid waarmee verdachte op 12 juli 2003 heeft gehandeld, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte in staat is om in de toekomst een soortgelijk feit te begaan. De ernst van met name de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten en de onvoorspelbaarheid van het gedrag van verdachte vorderen een reactie die voor de toekomst moet uitsluiten dat verdachte ooit nog de gelegenheid krijgt om een ander van het leven te beroven.

De hierboven genoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

De beslissing ten aanzien van de in beslag genomen personenauto

De advocaat-generaal heeft eveneens gevorderd, dat het hof de verbeurdverklaring zal gelasten van de in beslag genomen personenauto merk BMW met [kenteken]. Zij heeft daartoe gesteld, dat deze auto is te beschouwen als een voorwerp met betrekking tot welk het feit is begaan, zodat de grondslag bestaat van artikel 33a lid 1, aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht . Het hof is evenwel van oordeel, dat gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten de personenauto niet als zodanig kan worden aangemerkt. Nu evenmin een andere wettelijke grondslag aanwezig is voor de gevorderde verbeurdverklaring, komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is in onvoldoende mate komen vast te staan onder welke omstandigheden de verdachte in het bezit is gekomen van deze personenauto, waardoor thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het hof zal derhalve de bewaring van de personenauto ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 45, 287, 288, 289, 310 en 311 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het

onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven

is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezenverklaarde feiten opleveren:

- ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde telkens:

Moord.

- ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit, en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

- ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

verklaart verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte tot levenslange gevangenisstraf;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

personenauto, merk BMW, type 740i, voorzien van [kenteken].

Aldus gewezen door

mr. Van den Elzen, voorzitter,

mrs. Tuijn en Valkenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. Koningstein, griffier,

en op 14 juli 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.