Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9293

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
20-003847-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het openbaar ministerie heeft blijkens de dagvaarding in eerste aanleg aan verdachte ten laste gelegd dat hij als bestuurder van een motorvoertuig tegen het verkeer heeft ingereden op een autosnelweg. Deze gedraging is aan te merken als een overtreding van het bepaalde van artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en mag niet door de politie met een transactie of door middel van een sanctie ingevolge de Wet Mulder worden afgedaan.

De vervolgingsbeslissing staat ter beoordeling van het openbaar ministerie. Krachtens het in artikel 167, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt en wat het voorwerp van het geding zal zijn. De rechter oordeelt uitsluitend over en op grondslag van de door de officier van justitie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Het enkele gegeven dat hetgeen de desbetreffende verbalisant op 29 maart 2003 heeft waargenomen, te weten het (anders dan is tenlastegelegd) achteruit rijden op een autosnelweg, wel degelijk valt aan te merken als een Mulderfeit, doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003847-04

Uitspraak dd.: 15 april 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Breda, sector kanton locatie Tilburg van 30 maart 2004, in de strafzaak onder parketnummer 02-401439-03 tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1979,

wonende te [adres] [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd en verdachte zal veroordelen tot een geldboete van EUR 140,--, subsidiair 2 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat dit vonnis in strijd met het bepaalde in artikel 359, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet een behoorlijke aanduiding van de inhoud van de bewijsmiddelen bevat voor zover deze tot het bewijs van het ten laste gelegde geldt.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 maart 2003 te Waalwijk als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A59, welke weg als auto(snel)weg was aangeduid, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, immers reed hij toen en daar op de vluchtstrook van die weg tegen de rijrichting in.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat de door de desbetreffende verbalisant vermeende geconstateerde gedraging, te weten het achteruit rijden op de snelweg, dient te worden aangemerkt als een zogenaamd Mulderfeit, een gedraging die administratiefrechtelijk afgedaan had moeten worden en waarvoor strafvervolging uitgesloten is.

Het hof overweegt als volgt.

Het openbaar ministerie heeft blijkens de dagvaarding in eerste aanleg aan verdachte ten laste gelegd dat hij als bestuurder van een motorvoertuig tegen het verkeer heeft ingereden op een autosnelweg. Deze gedraging is aan te merken als een overtreding van het bepaalde van artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en mag niet door de politie met een transactie of door middel van een sanctie ingevolge de Wet Mulder worden afgedaan.

De vervolgingsbeslissing staat ter beoordeling van het openbaar ministerie. Krachtens het in artikel 167, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt en wat het voorwerp van het geding zal zijn. De rechter oordeelt uitsluitend over en op grondslag van de door de officier van justitie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Het enkele gegeven dat hetgeen de desbetreffende verbalisant op 29 maart 2003 heeft waargenomen, te weten het (anders dan is tenlastegelegd) achteruit rijden op een autosnelweg, wel degelijk valt aan te merken als een Mulderfeit, doet daar niet aan af.

Het verweer treft derhalve geen doel.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof acht in het bijzonder niet bewezen dat verdachte niet zoveel mogelijk rechts heeft gereden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr Harmsen, voorzitter,

mrs Van de Loo en De Lange, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Van der Velden, griffier,

en op 15 april 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.