Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT8829

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
07-07-2005
Zaaknummer
R05-635
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In dit verband is de bijzondere aard van de verlofprocedure van belang, namelijk een procedure van eenvoudige aard waarin de wederpartij - uitzonderingen daargelaten - niet wordt gehoord en de gegrondheid van het verzoek summier wordt onderzocht. Het verlof strekt niet tot beslechting van een geschil tussen partijen, maar tot bewaring van beweerde rechten in afwachting van een beslissing door een bodemrechter. Geschillen tussen partijen over het gegeven verlof, de beslaglegging en de gevolgen worden beslist door de voorzieningenrechter in kort geding dan wel de bodemrechter.

Met deze bijzondere en eenvoudige aard van de verlofprocedure, en de mogelijkheid voor de wederpartij om in rechte - zowel in kort geding als in een bodemprocedure, telkens in drie instanties - een verleend verlof te laten toetsen, valt niet te verenigen dat de verzoeker ook nog in twee instanties (hoger beroep en cassatie) zou kunnen strijden over de voorwaarden waaronder het verlof wordt verleend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 700
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2006/14 met annotatie van mevr. mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rekestnummer R05/635

BESCHIKKING

VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 5 juli 2005,

gewezen in de zaak van:

mr. JOHANNES HENDRICUS THEODOOR VELDMAN,

wonende te [woonplaats],

handelend in zijn hoedanigheid van curator in het op 22 februari 2005 uitgesproken faillissement van

de STICHTING SOLIDARITEIT,

appellant bij beroepschrift dat bij het hof is binnengekomen op 15 juni 2005,

verder te noemen: de curator resp. Solidariteit,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda op 10 juni 2005 onder zaaknummer 147 249 kg Rk 05-635 gegeven en bij twee brieven van 13 juni 2005 aangevulde beschikkingen houdende verlof - onder nadere bedingen - tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank Tilburg-Goirle UA, gevestigd te [vestigingsplaats] ten laste van

de STICHTING VRIENDEN VAN DE SOLIDARITEITSWERKPLAATS,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder te noemen: Vrienden,

onder afwijzing van het verzoek dat als eis in de hoofdzaak mede kan gelden verzoekers verschijnen op 27 augustus 2005 als tussenkomende partij in een zaak tussen een werknemer van Solidariteit en Vrienden.

1. Bij verzoekschrift d.d. 10 juni 2005 heeft de curator onder meer verzocht conservatoir beslag te mogen leggen onder de Rabobank te Tilburg ten laste van Vrienden, en daarbij de vordering te begroten op E. 225.000,-. Dit verzoek is in zoverre toegewezen. Het hoger beroep heeft geen betrekking op deze toewijzing.

2. Tevens heeft de curator, kennelijk met het oog op het bepaalde in artikel 700 lid 3 Rv, verzocht:

'dat als eis in hoofdzaak mede kan gelden verzoekers verschijnen als tussenkomende partij op 27 augustus 2005, althans onder zodanige bepalingen als u in goede justitie zult vermenen te behoren.'

3. Aan dit verzoek heeft de curator het volgende ten grondslag gelegd:

'10. De kwestie is urgent, want een oud-werknemer van Solidariteit heeft ten laste van Vrienden beslag gelegd op 24 februari 2005 onder dezelfde Rabobank Tilburg, op grond van - gedeeltelijk, behoudens het beroep van de curator op de pauliana - gelijke gronden als de curator onder 9, heeft aangegeven.

11. De curator is voornemens in de voor het onder 10. genoemde beslag te voeren hoofdprocedure, eerstmaals dienend op 27 augustus 2005 tussen te komen.'

4. De voorzieningenrechter heeft evenwel het verlof verleend:

'onder de voorwaarde dat de hoofdzaak aanhangig zal worden gemaakt binnen 14 dagen na de eerste beslaglegging.'

5. Op daartoe strekkende telefonische verzoeken van de curator heeft de voorzieningenrechter bij twee fax-brieven van 13 juni 2005 vervolgens beslist:

'De eis mag niet worden ingesteld middels voeging.

U dient zelfstandig de eis in hoofdzaak aanhangig te maken.'

en

'De eis mag niet worden ingesteld door middel van tussenkomen.

U dient de eis in hoofdzaak zelfstandig aanhangig te maken.'

6. Tegen deze afwijzende beslissingen - en naar de curator ter zitting heeft bevestigd, mede tegen de faxbrieven - heeft de curator hoger beroep ingesteld. De curator acht zich gegriefd door de - zoals hij stelt - volstrekt niet toegelichte afwijzing van het verzoek om de hoofdzaak te kunnen vervolgen als tussenkomende partij in een geding waarvoor de dagvaarding reeds is uitgebracht.

7. De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 29 juni 2005. Voor deze behandeling is de wederpartij niet opgeroepen, teneinde het verrassingsaspect, dat gemoeid kan zijn met beslaglegging, niet te frustreren.

8. De curator heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld - kort gezegd - dat het begrip 'verlof' in de laatste zin van artikel 700 lid 2 Rv beperkt moet worden geïnterpreteerd en niet omvat hoger beroep tegen de afwijzing van nevenverzoeken als de begroting van de vordering en de voorwaarde van lid 3 eerste zin van artikel 700 Rv. De uitsluiting van de hogere voorziening in de derde regel van lid 3 heeft alleen betrekking op de verlengingsbeschikking van de tweede zin, niet op de voorwaarde van de eerste zin van lid 3 van artikel 700 Rv.

9. Het hof deelt deze uitleg van de laatste zin van lid 2 niet. Onder 'een gegeven verlof' dient te worden verstaan het toewijzende verlof om beslag te mogen leggen onder de voorwaarden die de voorzieningenrechter stelt. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

9.1. In dit verband is de bijzondere aard van de verlofprocedure van belang, namelijk een procedure van eenvoudige aard waarin de wederpartij - uitzonderingen daargelaten - niet wordt gehoord en de gegrondheid van het verzoek summier wordt onderzocht. Het verlof strekt niet tot beslechting van een geschil tussen partijen, maar tot bewaring van beweerde rechten in afwachting van een beslissing door een bodemrechter. Geschillen tussen partijen over het gegeven verlof, de beslaglegging en de gevolgen worden beslist door de voorzieningenrechter in kort geding dan wel de bodemrechter.

9.2. Met deze bijzondere en eenvoudige aard van de verlofprocedure, en de mogelijkheid voor de wederpartij om in rechte - zowel in kort geding als in een bodemprocedure, telkens in drie instanties - een verleend te laten toetsen, valt niet te verenigen dat de verzoeker ook nog in twee instanties (hoger beroep en cassatie) zou kunnen strijden over de voorwaarden waaronder het verlof wordt verleend.

9.3. Daarbij komt dat de voorwaarde van lid 3 van artikel 700 Rv (de hoofdzaak dient binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn van ten minste acht dagen na het beslag te worden ingesteld), welke ertoe strekt de onderliggende vordering op korte termijn aanhangig te maken, terwijl beslaglegging zelf vaak geen uitstel duldt, niet of nauwelijks toelaat dat - voorafgaande - in meerdere instanties over de inhoud van die voorwaarde wordt geoordeeld.

9.4. Dat er wel hoger beroep open staat in het geval een verzoek om beslagverlof wordt afgewezen, is ingegeven door het feit dat die afwijzing niet in kort geding of in een bodemprocedure getoetst kan worden. Weliswaar is juist, zoals de curator betoogt, dat hetzelfde geldt voor de voorwaarden (gegeven in afwijking van het beslagverzoek) waaronder een verlof wordt verleend, maar de enkele omstandigheid dat de voorwaarden niet overeenkomstig het verzoek van de curator zijn, rechtvaardigt niet het hoger beroep. De curator kan immers de rechten die hij aan het verlof kan ontlenen ten volle uitoefenen.

10. Het hof neemt voorts nog het volgende in overweging.

De curator heeft de voorzieningenrechter verzocht toe te staan dat als eis in hoofdzaak mede kan gelden verzoekers verschijnen als tussenkomende partij. Dit verzoek is niet op de wet gebaseerd. Het is niet aan de voorzieningenrechter om te bepalen op welke wijze de curator de eis in hoofdzaak zal instellen. Lid 3 van artikel 700 Rv biedt slechts ruimte om de termijn te bepalen waarin de eis moet worden ingesteld. Door in de (tweede) faxbrief van 13 juni 2005 te bepalen dat de eis niet mag worden ingesteld door middel van een vordering tot tussenkomst, is de voorzieningenrechter getreden buiten het toepassingsgebied van lid 3. De curator heeft zijn verzoek evenwel niet gegrond op de leer van de doorbreking van het appelverbod, zodat dit aspect verder buiten beoordeling dient te blijven.

11. Het hof neemt ten overvloede nog in overweging dat de woorden 'eis in hoofdzaak' in lid 3 van artikel 700 Rv een ruime betekenis moet worden toegekend. Daaronder valt bijvoorbeeld arbitrage, de eis in reconventie en de verzoekschriftprocedure (MvT Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Reehuis/Slob 1992, p. 195 en 311). Naar het oordeel van het hof valt onder deze woorden mede te begrijpen het instellen van een eis nadat een vordering tot tussenkomst als bedoeld in artikel 217 Rv is toegewezen.

12. De uitspraak

Het hof:

verklaart de curator niet-ontvankelijk in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Aarts, Venhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 juli 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.