Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT8828

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
07-07-2005
Zaaknummer
R200500288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de bestreden beschikking is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is ten behoeve van de man een omgangsregeling met de minderjarige kinderen van partijen vastgesteld onder de voorwaarde dat de man zijn paspoort bij de vrouw achterlaat wanneer hij de kinderen bij haar ophaalt tot het moment dat hij de kinderen weer bij de vrouw heeft teruggebracht. De man kan zich onder meer met deze voorwaarde niet verenigen en is van de beschikking in hoger beroep gekomen.

Het hof acht gelet op het feit dat de man niet heeft betwist dat er tijdens het huwelijk van partijen discussies waren over de wijze van opvoeding van de kinderen, op het feit dat tijdens het huwelijk in ieder geval bij de man de intentie bestond om met het gezin terug te keren naar Marokko en gelet op het feit dat de kinderen ingeschreven staan op het paspoort van de man enige inbreuk op de privacy van de man gerechtvaardigd en het hof zal de man verplichten tijdens de omgang met de kinderen zijn paspoort waarop de kinderen staan ingeschreven aan de vrouw af te staan. Overigens wordt de man door de verplichting zijn paspoort aan de vrouw te overhandigen op geen enkele wijze getroffen in zijn identificatieplicht, nu is gebleken dat de man ook over andere documenten beschikt, waarmee hij zichzelf kan identificeren. Het hof merkt hierbij nadrukkelijk op dat indien de man mocht weigeren zijn paspoort aan de vrouw te overhandigen, hetgeen de man volgens zijn eigen verklaring reeds eerder heeft gedaan, de vrouw gerechtigd is de man de omgang met de drie kinderen te weigeren.

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan haar oordeel onderworpen en vult de beschikking aan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 juni 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500288

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appèl,

geïntimeerde in incidenteel appèl,

de man,

mr. J.J.M. van Asten,

tegen

[naam geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appèl,

appellante in incidenteel appèl,

de vrouw,

mr. M.J.C. Zuurbier.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 22 december 2004, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 maart 2005, heeft de man zakelijk weergegeven verzocht voormelde beschikking te vernietigen doch -naar het hof begrijpt- uitsluitend voor zover daarbij een omgangsregeling is vastgesteld en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man gerechtigd is tot omgang in de vorm zoals hij in eerste aanleg heeft verzocht, zonder dat daarbij een voorwaarde wordt opgelegd.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 april 2005, heeft de vrouw verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans hem zijn verzoeken te ontzeggen.

Voorts heeft de vrouw hierbij incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de Raad voor de Kinderbescherming opdracht te geven een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden althans beperkingen met betrekking tot de door de man verzochte omgangsregeling.

2.3. Bij verweerschrift op het incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 6 mei 2005, heeft de man verzocht de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appèl, althans haar de verzoeken in incidenteel appèl te ontzeggen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2005. Bij die gelegenheid is de man gehoord, bijgestaan door zijn advocaat en ter zijde gestaan door een tolk de heer Luakili. Voorts is de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, gehoord. Als belanghebbende is namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad, mr. Werger ter zitting verschenen en gehoord.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel beroep.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel beroep.

4. De beoordeling

4.1. De man en de vrouw zijn op 26 augustus 1991 te [huwelijksplaats], Marokko, met elkaar in het huwelijk getreden. Tijdens dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, te weten:

- [minderjarige dochter 1.], [geboortejaar] te [geboorteplaats],

- [minderjarige zoon], [geboortejaar] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige dochter 2.], [geboortejaar] te [geboorteplaats].

De tussen de man en de vrouw op 22 december 2004 gegeven echtscheidingsbeschikking is op 13 mei 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Conform deze beschikking hebben de voornoemde kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Roermond onder meer bepaald dat de man, zolang hij niet over passende woonruimte beschikt, gerechtigd is tot omgang met de drie kinderen van partijen gedurende een middag per week, waarbij de man zijn paspoort bij de vrouw dient achter te laten wanneer hij de kinderen meeneemt totdat hij de kinderen weer bij de vrouw heeft teruggebracht. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat zodra de man passende woonruimte heeft de omgang van de man met de kinderen zal plaatsvinden gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 15.00 uur tot zondag 18.00 uur en een woensdagmiddag per veertien dagen van 12.00 uur tot 18.00 uur en tevens de helft van de vakanties en de helft van de feestdagen, waarbij de man steeds zijn paspoort dient achter te laten bij de vrouw wanneer hij de kinderen meeneemt, totdat hij de kinderen weer bij de vrouw heeft teruggebracht.

Zowel de man als de vrouw kunnen zich niet verenigen met deze beschikking en komen hiervan in hoger beroep.

4.2.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder meer overwogen dat de vrouw heeft ingestemd met de door de man verzochte omgangsregeling maar pas met ingang van het moment dat de man over passende woonruimte beschikt. De vrouw wil van de man de garantie dat hij de kinderen niet zal meenemen naar Marokko. De man zou daarmee in het verleden vaak hebben gedreigd.

4.3. Het hof zal nu het verzoek van de vrouw in incidenteel appèl in de onderhavige zaak de meest verstrekkende consequenties heeft, aanvangen met de behandeling van de grief in incidenteel appèl alvorens de grieven in principaal appèl te behandelen.

4.3.1. In haar incidenteel appèl stelt de vrouw dat de door de man verzochte en door de rechtbank vastgestelde omgangs- regeling niet langer in het belang van de kinderen is en zij verzoekt de raad in te schakelen teneinde bemiddelings- gesprekken te voeren danwel een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden, althans onmogelijkheden met betrekking tot de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling. De vrouw heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat de man zich niet aan de onderling gemaakte afspraken houdt. Zij heeft aangegeven dat de man de kinderen herhaaldelijk, ondanks zijn belofte daartoe, niet kwam ophalen. Als gevolg hiervan is er vanaf maart 2005 geen omgang meer tussen de man en de kinderen geweest. De vrouw stelt dat, hoewel zij heeft getracht de kinderen te stimuleren om omgang met de man te hebben, met name de oudste twee kinderen thans bezwaren hebben tegen omgang met de man.

In zijn verweerschrift heeft de man erkend dat er vanaf maart 2005 geen omgang meer heeft plaatsgevonden, doch hij betwist dat de reden hiervoor is gelegen in het feit dat hij de gemaakte afspraken niet zou nakomen. Het was juist de vrouw die weigerde de kinderen aan hem mee te geven. De man heeft vervolgens van de politie vernomen dat hij in afwachting van de uitspraak van de rechter geen omgang meer met de kinderen mocht hebben. Naar de stelling van de man is het bezwaar van de vrouw uitsluitend daarin gelegen dat zij meent dat de man vaker dan éénmaal per week omgang met de kinderen zou moeten hebben.

Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd aangegeven dat zij heel graag wil dat de kinderen omgang met de man hebben en dat zij de kinderen hun vader niet wil onthouden. Voorts heeft zij aangegeven dat ook de kinderen graag omgang met de man willen, maar dat de teleurstelling veroorzaakt door het niet nakomen van de gemaakte afspraken nadelige effecten op de emotionele gesteldheid van de kinderen heeft.

Gelet op het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof dat het juist in het belang van de kinderen is dat er omgang met de man plaatsvindt en dat het in het verlengde daarvan van belang is dat er een gestructureerde en gespecificeerde omgangsregeling tot stand komt. Partijen hebben zich dit gerealiseerd en hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de nadere invulling van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling voor de periode dat de man niet over passende woonruimte beschikt, in die zin dat de man iedere zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur gerechtigd is tot omgang met de drie kinderen van partijen, waarbij hij de kinderen thuis bij de vrouw ophaalt en ze aldaar na afloop van de omgang ook weer terugbrengt.

Nu omgang met de man in het belang van de kinderen is en het hof ook overigens geen redenen aanwezig acht om de raad te verzoeken een onderzoek te verrichten, zal het hof het verzoek van de vrouw in incidenteel appèl afwijzen.

4.3.2. In zijn beroepschrift in principaal appèl heeft de man gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een beperkte omgangsregeling zal gelden zolang de man niet over passende woonruimte beschikt. De man geeft aan dat hij thans op een kamer woont en dat hij beseft dat hij de kinderen niet in een dergelijke woonruimte kan laten overnachten. Hoewel hij naar een woonruimte zoekt die hem deze mogelijkheid wel biedt, geniet hij hierbij geen urgentie, zodat het nog geruime tijd zal duren voor hij in aanmerking komt voor dergelijke woonruimte. Indien wordt bepaald dat de man in beginsel recht heeft op de uitgebreidere omgangsregeling, zou de man daarmee urgentie genieten en eerder in aanmerking komen voor een zelfstandige woonruimte. Voorts heeft de rechtbank naar de stelling van de man ten onrechte geen definitie gegeven van het begrip "passende woonruimte", zodat de man vreest dat er in de toekomst tussen partijen discussie zal ontstaan over de invulling van dit begrip.

In haar verweerschrift beaamt de vrouw dat de man thans niet beschikt over een woonruimte waarin hij de kinderen gedurende een weekend goed kan opvangen en waar zij een goede slaapplaats hebben, zodat zij het onder die omstandigheden niet in het belang van de kinderen acht dat zij gedurende een weekend bij de man verblijven. Het feit dat het nog geruime tijd zal duren alvorens de man over zelfstandige woonruimte beschikt doet daar naar de stelling van de vrouw niet aan af. Overigens zal de vrouw aan deze zelfstandige woonruimte geen nadere eisen stellen dan dat de kinderen tijdens een omgangsweekend aldaar een behoorlijke slaapplaats hebben.

Gelet op het voorgaande bestaat tussen partijen overeenstemming over het feit dat de huidige woonruimte van de man niet geschikt is om de kinderen daarin een weekend te laten verblijven, zodat het hof de door de man verzochte weekend- regeling niet zal toewijzen. Het hof merkt daarbij op dat het verzoek tot een uitgebreidere omgangregeling met als enig doel eerder zelfstandige woonruimte te krijgen een oneigenlijke grond heeft, zodat dit verzoek dient te worden afgewezen. Nu de vrouw voorts heeft aangegeven dat zij zich op het moment dat de kinderen behoorlijk kunnen overnachten in de woonruimte van de man niet zal verzetten tegen de omgang gedurende een volledig weekend, verwacht het hof niet dat er tussen partijen discussie zal ontstaan over de invulling van het begrip "passende woonruimte" zodat ook het hof het niet noodzakelijk acht dit begrip nader te definiëren.

4.3.3. Voorts heeft de man in zijn beroepschrift gesteld dat de rechtbank ten onrechte aan de omgangsregeling de voorwaarde heeft verbonden dat de man zijn paspoort bij de vrouw dient achter te laten wanneer hij de kinderen meeneemt tot het moment dat hij de kinderen weer bij de vrouw terugbrengt. Hij voert daartoe aan dat de vrees van de vrouw dat hij de kinderen met zich zal meenemen naar Marokko ongegrond is, zodat er naar zijn mening onvoldoende grond is een dergelijke voorwaarde bij de omgangsregeling te formuleren. Daarnaast voert hij aan dat deze voorwaarde in strijd met de Wet op de identificatieplicht is opgelegd, nu hij indien hij uitvoering geeft aan de bij de omgangsregeling geformuleerde voorwaarde, niet langer aan zijn identificatieplicht kan voldoen.

In reactie daarop heeft de vrouw aangegeven dat de man tijdens het huwelijk met het gehele gezin wilde terugkeren naar Marokko en dat er tussen partijen tijdens het huwelijk regelmatig discussies waren over de westerse wijze van opvoeding van de kinderen door de vrouw. Zij stelt dat de man veelvuldig heeft gedreigd de kinderen mee te zullen nemen naar Marokko en zij geeft aan dat de kinderen in het paspoort van de man zijn bijgeschreven. De door de rechtbank gestelde voorwaarde maakt het moeilijker voor de man de kinderen mee te nemen naar Marokko. Tenslotte voert de vrouw aan dat de man beschikt over andere documenten waarmee hij zichzelf kan identificeren, zodat het naleven van de voorwaarde de man niet dwingt om in strijd met de wet te handelen.

Desgevraagd heeft de man ter zitting verklaard dat niet hij alleen, doch partijen sámen hadden besloten terug te zullen keren naar Marokko. De man heeft verklaard dat een groot gedeelte van zijn broers en zussen nog in Marokko wonen, doch dat hij thans in Nederland wenst te blijven en momenteel in afwachting is van een verblijfsdocument. Anders dan in zijn beroepschrift heeft de man ter zitting erkend dat de kinderen op zijn paspoort zijn bijgeschreven.

Gelet op het feit dat de man niet heeft betwist dat er tijdens het huwelijk van partijen discussies waren over de wijze van opvoeding van de kinderen, op het feit dat tijdens het huwelijk in ieder geval bij de man de intentie bestond om met het gezin terug te keren naar Marokko en op het feit dat de kinderen ingeschreven staan op het paspoort van de man, acht het hof enige inbreuk op de privacy van de man gerechtvaardigd en zal het hof hem verplichten tijdens de omgang met de kinderen zijn paspoort aan de vrouw af te staan. De man wordt door de verplichting zijn paspoort aan de vrouw te overhandigen overigens op geen enkele wijze getroffen in zijn identificatieplicht, nu ter zitting aan het hof is gebleken dat de man ook over andere documenten beschikt, waarmee hij zichzelf kan identificeren.

Het hof merkt hierbij nadrukkelijk op dat de man wanneer hij de kinderen voor de omgang bij de vrouw thuis ophaalt, zijn paspoort waarop de drie kinderen van partijen zijn bijgeschreven aan de vrouw dient te overhandigen en dat hij dit paspoort weer van de vrouw terugkrijgt wanneer hij de kinderen na afloop van de omgang weer bij haar thuis brengt. Indien de man mocht weigeren zijn paspoort aan de vrouw te overhandigen, hetgeen de man volgens zijn eigen verklaring reeds eerder heeft gedaan, is de vrouw gerechtigd de man de omgang met de drie kinderen te weigeren.

4.3.4. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appèl;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 22 december 2004 voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en vult aan:

bepaalt dat de omgang tussen de man en de drie minderjarige kinderen van partijen zal plaatsvinden iedere zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur zolang de man niet over een passende woonruimte beschikt, waarbij de man de kinderen bij de vrouw thuis ophaalt en hen daar na afloop van de omgang ook weer terugbrengt;

bepaalt dat de man zijn paspoort waarop de drie kinderen van partijen zijn bijgeschreven voorafgaand aan de omgang aan de vrouw dient te overhandigen en dat de vrouw dit paspoort aan de man dient terug te geven wanneer de man de kinderen na afloop van de omgang weer bij de vrouw thuis brengt;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Koens, Van Zinnen en Schyns en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.