Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT8689

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
C0401462-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof wijst de (gewijzigde) vordering van Dexia af; verklaart voor recht dat de tussen Dexia en [appellant] gesloten aandelenlease-overeenkomst bij brief van [echtgenote appellant] d.d. 4 februari 2003 buitengerechtelijk is vernietigd;

veroordeelt Dexia om aan [appellant] te betalen E. 4.929,41, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2003 tot de dag der algehele voldoening;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. GR

rolnr. C0401462/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 5 juli 2005,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van

11 oktober 2004,

procureur: mr. T.W.H.M. Weller,

tegen:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 18 augustus 2004 tussen appellant - [naam] - als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en geïntimeerde - Dexia - als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 57928/HA ZA 03-706)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Op de eerste roldatum is Dexia niet in het geding verschenen, waarop het hof verstek tegen haar heeft verleend.

2.2. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, in conventie de vordering van Dexia alsnog zal afwijzen en in reconventie de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen.

2.3. [appellant] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 2.1 tot en met 2.6 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.2.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellant] heeft met de rechtsvoorganger van Dexia, Bank Labouchère h.o.d.n. Legio-Lease (hierna: de bank), een schriftelijke overeenkomst gesloten genaamd WinstVerDriedubbelaar met betrekking tot door de bank op 24 februari 2000 gekochte aandelen ABN Amro, Ahold en ING, alsmede een tweetal door de bank nog te kopen pakketten aandelen ABN Amro, Ahold en ING.

De bank heeft deze overeenkomst op 25 februari 2000 ondertekend, en [appellant] omstreeks 14 maart 2000.

b. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 36 maanden, te rekenen vanaf de eerste aankoop van de aandelen op 24 februari 2000.

c. In de overeenkomst is bepaald dat [appellant] de aandelen van de bank least tegen een leasesom van f. 62.636,23.

d. Op grond van artikel 3 van de overeenkomst is [appellant] deze leasesom aan de bank verschuldigd als volgt:

- 36 gelijke, opeenvolgende maandtermijnen van f. 301,75, voor het eerst te voldoen op of omstreeks de 1e van de maand volgend op de eerste aankoopdag van de aandelen;

- op of omstreeks de 35e maand: f. 100,--;

- aan het einde van de lease-overeenkomst het restant ad f. 51.673,08. Daarbij is bepaald dat dit restant in principe wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

e. Voorts is in de overeenkomst onder andere bepaald:

'5. Zodra lessee al datgene aan Legio-Lease heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden (bedoeld zijn de aandelen, hof) geworden.

8. Aan het einde van de looptijd heeft lessee het recht om deze lease-overeenkomst te verlengen voor een periode van 36 maanden.'

f. De op de overeenkomst toepasselijke Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease bepalen onder meer:

'2. Legio-Lease en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Teneinde te bewerkstelligen dat lessee alsdan van rechtswege eigenaar van de waarden wordt, worden de in de overeenkomst genoemde waarden voorwaardelijk overgedragen aan lessee en wel onder de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Deze voorwaardelijke overdracht geschiedt doordat genoemde waarden onverwijld na verkrijging ervan door Legio-Lease ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van Bank Labouchere, overeenkomstig artikel 17 van de Wge, ter uitvoering van de in de eerste zin van dit artikel omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht. Legio-Lease behoudt het eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden te beschikken zonder dat dit ten nadele van lessee werkt. (...)

3. Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. (...)

10. Indien lessee aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zullen de waarden aan lessee worden uitgeleverd, tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst zal in dat geval door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt zo spoedig mogelijk na opdracht daartoe plaats.'

g. Bij aangetekende brief van 4 februari 2003 heeft [naam], de echtgenote van [appellant], aan Dexia medegedeeld dat zij voornoemde overeenkomst tussen [appellant] en - thans - Dexia vernietigt, omdat [echtgenote appellant] voor die overeenkomst geen toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub d BW heeft verleend aan [appellant].

h. Op 24 februari 2003, na afloop van de overeenkomst, heeft Dexia de aandelen met verlies verkocht. In verband daarmee heeft Dexia naar [appellant] een eindafrekening ad E. 12.984,13 gestuurd, te voldoen door [appellant].

i. Ondanks aanmaningen heeft [appellant] deze eindafrekening niet betaald.

4.2.2. Bij inleidende dagvaarding heeft Dexia gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld om aan Dexia te betalen

E. 14.618,38, te vermeerderen met de contractuele rente ad 0,96% per maand over E. 12.984,13, althans met de wettelijke rente, vanaf 30 augustus 2003.

4.2.3. Dexia heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] op grond van de overeenkomst de eindafrekening ad E. 12.984,13 aan Dexia is verschuldigd, de - naar het hof begrijpt - tot en met 29 augustus 2003 vervallen contractuele rente van in totaal E. 704,86, en de vanaf 30 augustus 2003 te vervallen contractuele rente. Daarnaast is [appellant] E. 929,39 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW verschuldigd, aldus Dexia.

4.2.4. [appellant] heeft de vordering van Dexia gemotiveerd bestreden, onder meer stellende dat bedoelde overeenkomst tussen (thans) Dexia en [appellant] een huurkoopovereenkomst is, een species van een overeenkomst van koop op afbetaling, waarvoor [appellant] ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW de toestemming van zijn echtgenote [naam] behoefde. Nu [echtgenote appellant] die toestemming niet heeft verleend en op die grond de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd, is [appellant] niet gehouden de eindafrekening te voldoen.

4.2.5. Voorts heeft [appellant] in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. a. primair: voor recht zal verklaren dat de tussen Dexia en [appellant] gesloten aandelenlease-overeenkomst bij brief van [echtgenote appellant] d.d. 4 februari 2003 buitengerechtelijk is vernietigd;

b. subsidiair: de overeenkomst zal vernietigen wegens dwaling;

c. meer subsidiair: de overeenkomst zal ontbinden, althans voor recht zal verklaren dat Dexia jegens [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en deswege schadeplichtig is;

II. a. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is jegens [appellant];

b. Dexia zal veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van E. 4.929,41, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

c. Dexia zal veroordelen in de proceskosten.

4.2.6. [appellant] heeft aan zijn vorderingen onder andere ten grondslag gelegd dat de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst door [echtgenote appellant] meebrengt dat [appellant] en Dexia hersteld dienen te worden in de staat waarin zij zich voor het aangaan van de overeenkomst bevonden. Dexia dient daarom de door [appellant] op grond van de vernietigde overeenkomst betaalde termijnen van in totaal E. 4.929,41 aan hem terug te betalen.

4.2.7. Dexia heeft de vorderingen van [appellant] gemotiveerd bestreden.

4.2.8. Verder heeft Dexia in conventie haar eis voorwaardelijk gewijzigd. Dexia heeft, voor het geval haar vordering in conventie wordt afgewezen en de vorderingen van [appellant] in reconventie worden toegewezen, gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld om aan Dexia te betalen een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde aandelen minus de waarde van die aandelen op de datum van vernietiging of ontbinding van de overeenkomst.

4.2.9. Dexia heeft aan deze - door [appellant] gemotiveerd bestreden - voorwaardelijke vordering ten grondslag gelegd dat aannemelijk is dat de overeenkomst niet zou zijn vernietigd indien de aandelenkoersen zouden zijn gestegen in plaats van gedaald. [appellant] is daarom op grond van artikel 6:278 BW verplicht om door bijbetaling het waardeverschil op te heffen tussen de, als gevolg van de vernietiging van de overeenkomst, over en weer ongedaan te maken prestaties.

4.2.10. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank [appellant] in conventie veroordeeld om aan Dexia te betalen

E. 13.688,99 (eindafrekening en contractuele rente tot en met 29 augustus 2003), te vermeerderen met de contractuele rente van 0,96% per maand over E. 12.984,13 vanaf 30 augustus 2003. Verder heeft de rechtbank in conventie de door Dexia gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. Voorts heeft de rechtbank in reconventie alle vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie.

De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geen betrekking heeft op overeenkomsten van koop op afbetaling van vermogensrechten, zoals de onderhavige aandelenlease- overeenkomst. Het beroep van [appellant] op de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst door [echtgenote appellant] wegens het ontbreken van toestemming, kan daarom geen doel kan treffen.

De (oorspronkelijke) vordering van Dexia in conventie

4.3. Het hof stelt ambtshalve voorop dat ook indien er veronderstellenderwijze van uit wordt gegaan dat de onderhavige overeenkomst een krediettransactie in de zin van artikel 1 Wet op het consumentenkrediet (WCK) betreft, de WCK niet geldt voor deze overeenkomst omdat de daarbij overeengekomen kredietsom (de leasesom ad f. 62.636,23) meer dan f. 50.000,-- bedraagt (zie artikel 3 WCK zoals dat luidde ten tijde van het sluiten van de overeenkomst).

4.4.1. Met grief I klaagt [appellant] erover dat de rechtbank het beroep op artikel 1:88 BW heeft verworpen. Deze grief slaagt, en wel om de volgende redenen.

4.4.2. Op 1 februari 2005 heeft dit hof in drie andere zaken waarbij Dexia partij was arrest gewezen (LJN AS4446, AS4448 en AS4449). In deze arresten heeft het hof (voorlopig) geoordeeld dat de in die zaken aan de orde zijnde aandelenlease- vereenkomsten, eveneens genaamd WinstVerDriedubbelaar, gekwalificeerd moeten worden als huurkoopovereenkomsten.

Het hof heeft in die arresten voorts (voorlopig) geoordeeld dat ook een koop op afbetaling van vermogensrechten, zoals aandelen, door lid 5 van artikel 7A:1576 BW een overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 BW is. Hierdoor heeft het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 sub d BW ook betrekking op het aangaan van bedoelde huurkoopovereenkomsten, zijnde species van koop op afbetaling.

4.4.3. Op de gronden zoals vermeld in genoemde arresten, welke zonder het daaraan verbonden voorlopig karakter als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, oordeelt het hof dat ook de onderhavige aandelenlease-overeenkomst een huurkoopovereenkomst is waarvoor het toestemmingsvereiste geldt. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat deze overeenkomst inhoudelijk (nagenoeg) gelijk is aan de overeenkomsten die aan de orde waren in bovengenoemde zaken (alleen de overeenkomst in de zaak die gepubliceerd is onder LJN AS4448 wijkt qua betalingsschema enigszins af van de litigieuze overeenkomst). Verder moet geconstateerd worden dat Dexia in het onderhavige appel op dit punt geen andere verweren heeft gevoerd dan de verweren die het hof in bedoelde arresten heeft beoordeeld en verworpen, zodat het hof ook daarom geen aanleiding ziet om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.

4.5.1. [appellant] behoefde voor het aangaan van de overeenkomst dus de toestemming van [echtgenote appellant]. Tussen partijen staat echter als onbetwist vast dat [echtgenote appellant] de vereiste toestemming niet heeft verleend, en dat [echtgenote appellant] op die grond buitengerechtelijk een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst. Weliswaar heeft Dexia nog aangevoerd dat zij niet in die vernietiging heeft berust, maar Dexia heeft deze stelling op geen enkele wijze nader onderbouwd. In rechte moet er daarom van uit worden gegaan dat [echtgenote appellant] de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd. Anders dan Dexia stelt, kan ook [appellant] zich beroepen op de rechtsgevolgen daarvan.

4.5.2. De vernietiging van de overeenkomst tussen Dexia en [appellant] heeft tot gevolg dat deze overeenkomst achteraf bezien reeds nietig is geweest vanaf het moment waarop zij werd gesloten. Daarmee is de grondslag komen te ontvallen aan de (oorspronkelijke) vordering van Dexia in conventie tot betaling van de eindafrekening vermeerderd met contractuele rente, welke vordering immers is gegrond op de vernietigde overeenkomst. Zulks brengt mee dat het beroepen vonnis, waarbij deze vordering is toegewezen, in zoverre niet in stand kan blijven en dat de vordering van Dexia dus alsnog zal worden afgewezen.

De vorderingen van [appellant] in reconventie

4.6.1. Gelet op het bovenstaande zal het hof de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat de aandelenlease-overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, toewijzen.

4.6.2. Voorts leidt het feit dat de overeenkomst is vernietigd ertoe dat de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds door de bank en [appellant] verrichte prestaties, met terugwerkende kracht daaraan is komen te ontvallen. Derhalve zal hetgeen partijen ter uitvoering van de overeenkomst hebben voldaan, in beginsel als onverschuldigd moeten worden terugbetaald. Ook de reconventionele vordering van [appellant] tot terugbetaling van de door hem betaalde termijnen ad

E. 4.929,41, is derhalve toewijsbaar.

De voorwaardelijke eiswijziging van Dexia in conventie

4.7.1. Nu de vordering van Dexia in conventie zal worden afgewezen en laatstbedoelde reconventionele vorderingen van [appellant] zullen worden toegewezen, is de voorwaarde vervuld waaronder Dexia haar eis in conventie heeft gewijzigd (zie overweging 4.2.8). Door de devolutieve werking van het appel dient deze gewijzigde vordering, die gegrond is op artikel 6:278 BW, alsnog te worden beoordeeld. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

4.7.2. In artikel 6:278 lid 1 BW is het volgende bepaald:

'De partij die ontbinding kiest van een reeds uitgevoerde overeenkomst, nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht, zich te haren gunste heeft gewijzigd, is verplicht door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding te herstellen, indien aannemelijk is dat zij zonder deze wijziging geen ontbinding zou hebben gekozen.'

Het bepaalde in lid 1 is ingevolge het tweede lid van artikel 6:278 BW van overeenkomstige toepassing ingeval:

'de partij te wier gunste de wijziging is ingetreden, op andere grond dan ontbinding de stoot tot ongedaanmaking geeft en aannemelijk is dat zij daartoe zonder deze wijziging niet zou zijn overgegaan'. (cursiveringen hof)

4.7.3. Het hof constateert echter dat in casu de stoot tot ongedaanmaking niet is gegeven door [appellant], maar door zijn echtgenote [naam], die in dit verband moet worden aangemerkt als een derde die geen partij is bij de overeenkomst. Reeds hierom kan het bepaalde in artikel 6:278 BW in dit geval geen toepassing vinden, nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat aan [echtgenote appellant] een andere keuzemogelijkheid ten dienste stond dan vernietiging van de overeenkomst, zoals voor toepasselijkheid van het bepaalde in lid 1, mede gezien de wetsgeschiedenis (TM, Parl. Gesch. 6, p. 1038-1039), is vereist. De op artikel 6:278 BW gegronde vordering van Dexia is derhalve niet toewijsbaar.

4.8. Gelet op al het bovenstaande behoeven de grieven II tot en met IV en de daarmee samenhangende overige reconventionele vorderingen van [appellant], geen bespreking meer.

Conclusie

4.9. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, behoudens voor zover de rechtbank hierbij in conventie de door Dexia gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft afgewezen (nu tegen deze afwijzing geen incidentele grief is gericht). Opnieuw rechtdoende zal het hof in conventie de (gewijzigde) vordering van Dexia (alsnog) afwijzen. In reconventie zal het hof de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht toewijzen dat de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd. Daarnaast zal het hof Dexia veroordelen om aan [appellant] te betalen

E. 4.929,41, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der inleidende dagvaarding, zijnde 6 oktober 2003, aangezien Dexia niet heeft betwist dat zij vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd.

Tenslotte zal het hof Dexia als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en in reconventie, alsmede in de proceskosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover de rechtbank hierbij in conventie de door Dexia gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

in conventie:

wijst de (gewijzigde) vordering van Dexia af;

in reconventie:

verklaart voor recht dat de tussen Dexia en [appellant] gesloten aandelenlease-overeenkomst bij brief van [echtgenote appellant] d.d. 4 februari 2003 buitengerechtelijk is vernietigd;

veroordeelt Dexia om aan [appellant] te betalen E. 4.929,41, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2003 tot de dag der algehele voldoening;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt Dexia in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en in reconventie, welke kosten aan de zijde van [appellant] worden begroot op E. 280,-- aan verschotten en E. 975,-- aan salaris procureur;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellant] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op E. 523,78 aan verschotten en E. 894,-- aan salaris procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Feith, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 juli 2005.