Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT8619

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
04-07-2005
Zaaknummer
02/05160
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof is derhalve van oordeel dat voor een verrekening van de Mexicaanse bronheffing en de Braziliaanse fictieve bronheffing in Nederland geen plaats is. Zowel het primaire, als het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van belanghebbende moeten worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/05160

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ xx,= zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ xx,= (ongewijzigd), met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van ƒ yy,=.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 218,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 februari 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende drijft in 1997 een onderneming met behulp van een in België gevestigde vaste inrichting. Tot het vermogen van de vaste inrichting behoren vorderingen op groepsmaatschappijen in Brazilië en Mexico.

2.2. In 1997 ontvangt belanghebbende uit Brazilië en Mexico rentebedragen op deze groepsvorderingen van respectievelijk ƒ x,= en ƒ y,=. In Mexico is een bedrag van ƒ a,= aan bronbelasting ingehouden. In Brazilië is geen bronheffing ingehouden. Voor Brazilië geldt op grond van artikel 23, lid 4, onderdeel b, van het Belastingverdrag met Brazilië (Trb. 1990, 67, hierna: het Verdrag met Brazilië) een zogenaamde "tax sparing credit" van 20%.

De winst van de vaste inrichting bedraagt in het onderhavige jaar ƒ aa,=.

2.3. De Inspecteur heeft met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2002, nr. 36 155, BNB 2002/184, noch de bronheffing ingehouden in Mexico, noch de "tax sparing credit" inzake de Braziliaanse rente verrekend.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2002, nr. 36 155, BNB 2002/184 ook in casu van toepassing?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is de Mexicaanse bronheffing ad ƒ a,= op grond van het bepaalde in artikel 10, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb) aftrekbaar van belanghebbendes winst?

Belanghebbende is van oordeel dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord en de tweede vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Het Belastingverdrag tussen België en Brazilië kent ook de tax sparing credit van 20%.

In België is het zogenaamde coördinatieregime van toepassing. België verleent weliswaar aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de buitenlandse bronheffing en ook voor de Braziliaanse tax sparing credit, maar doordat de belasting in België minimaal is, is er niet voldoende ruimte voor verrekening.

Het arrest BNB 2002/184 is hier niet van toepassing omdat de teksten van de Belastingverdragen met Brazilië (artikel 23, lid 3) en met Mexico (artikel 22, lid 3, van het Belastingverdrag met Mexico, Trb. 1993, 160, hierna: het Verdrag met Mexico) anders zijn geredigeerd dan het Belastingverdrag met Japan, dat in BNB 2002/184 aan de orde was.

Voorts is met het arrest BNB 2002/184 nog niet de vraag beantwoord, of er een rangorderegeling is in de verrekening. Ik bepleit eerst de verrekening van de bronheffing respectievelijk de verlening van de tax sparing credit en daarna pas de vrijstelling van de vaste inrichting winst.

De Inspecteur

In BNB 2002/184 had de betreffende inspecteur de kostenaftrek verleend, maar dat was mijns inziens ten onrechte.

In mijn verweerschrift heb ik vermeld dat in Mexico ƒ ab,= bronbelasting is ingehouden; dit moet zijn ƒ a,=, zoals ook in het beroepschrift staat.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en - primair - de verrekening van de Mexicaanse bronheffing ad ƒ a,=, respectievelijk de verlening van de tax sparing credit inzake de Braziliaanse rente ad 20% van ƒ x,=, dat is ƒ z,=, naast de vrijstelling van de Belgische vaste inrichting winst, zodat de aanslag vóór de berekening van de heffingsrente dient te worden verminderd met ƒ zz,=.

Subsidiair concludeert belanghebbende tot overbrenging van de niet verrekende bronheffing respectievelijk tax sparing credit overeenkomstig artikel 5, lid 3, Besluit voorkoming dubbele belasting 1989, naar het volgende jaar.

Meer subsidiair concludeert belanghebbende dat de voorkomingsbreuk, zoals omschreven in artikel 24, paragraaf 2, van het Belastingverdrag met België, Trb. 1970, 192 (hierna: het Verdrag met België), dient te worden vermenigvuldigd met het belastingbedrag, dat is verschuldigd ná aftrek van de Mexicaanse bronheffing respectievelijk de verlening van de Braziliaanse tax sparing credit, zodat de aanslag dient te worden verminderd met ƒ zzz,=.

Nog meer subsidiair concludeert belanghebbende tot kostenaftrek inzake de Mexicaanse bronheffing ad ƒ a,=, zodat de aanslag met ƒ c,= dient te worden verminderd.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat België aan de vaste inrichting op grond van de belastingverdragen gesloten tussen België en Mexico, respectievelijk Brazilië, aftrek heeft verleend voor de op de Mexicaanse rente ingehouden bronheffing, respectievelijk voor de fictieve bronheffing inzake de Braziliaanse rente (tax sparing credit). Dit is ook in overeenstemming met het streven verrekening van de buitenlandse bronheffing te laten plaatsvinden met de belasting die de vaste inrichting verschuldigd is in het land waarin deze zich bevindt (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 21 september 1999, zaak nr. C-307/97 (Saint Gobain), BNB 2000/75).

4.2. Het Hof is van oordeel dat, hoewel de letterlijke tekst van artikel 23, lid 3, van het Verdrag met Brazilië respectievelijk van artikel 22, lid 3,van het Verdrag met Mexico afwijkt van de letterlijke tekst van het Verdrag met Japan, zoals aan de orde was in BNB 2002/184, ook deze twee laatstgenoemde artikelen de door de Hoge Raad in dat arrest gememoreerde strekking hebben en dat ook bij de toepassing van de Verdragen met Brazilië en Mexico rekening dient te worden gehouden met alle voor de berekening van de verrekening van belang zijnde regels, waaronder ook eventuele andere op de desbetreffende inkomensbestanddelen van toepassing zijnde regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.

4.3. Het Hof is derhalve van oordeel dat voor een verrekening van de Mexicaanse bronheffing en de Braziliaanse fictieve bronheffing in Nederland geen plaats is. Zowel het primaire, als het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van belanghebbende moeten worden verworpen.

4.4. Nog meer subsidiair verdedigt belanghebbende het standpunt dat de Mexicaanse bronheffing op grond van het bepaalde in artikel 10, onderdeel d, Wet Vpb, op haar winst in mindering kan worden gebracht. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. Artikel 10, onderdeel d, Wet Vpb, bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij het bepalen van de winst niet in aftrek komen belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de winst worden geheven, indien voor de belastingplichtige te dier zake een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. Nu voor belanghebbende enerzijds het Verdrag tussen Nederland en België en anderzijds het Verdrag tussen België en Mexico van toepassing is, is naar het oordeel van het Hof voor de kostenaftrek als bedoeld in meergenoemd artikel 10 geen plaats.

4.5. Tevens merkt het Hof op dat, nu de rente begrepen is in het resultaat van de vaste inrichting, de bronheffing ter zake toegerekend dient te worden aan het resultaat van de vaste inrichting. Ook indien derhalve de kosten wel in aftrek zouden worden toegelaten, zou dit zowel de generale winst als het vrij te stellen resultaat van de vaste inrichting en het belastingbedrag, waarmee de voorkomingsbreuk moet worden vermenigvuldigd, beïnvloeden, zodat dit per saldo niet tot een lager bedrag aan de in Nederland verschuldigde belasting zou leiden.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en M.J.W. Ellis, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 16 juni 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 16 juni 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.