Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT8618

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2005
Datum publicatie
04-07-2005
Zaaknummer
02/04699
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard het antwoord op de volgende vraag:

Dienen de in 1999 aan de partij gedane betalingen volledig te worden aangemerkt als aftrekbare giften ex artikel 47 van de Wet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/04699

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen Y van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst YY/ kantoor Y van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 met dagtekening

2 oktober 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 57.425,= (€ 26.058,33), welke aanslag, na daartegen op 15 november 2001 gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 56.920,= (€ 25.829,17).

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 maart 2005 te Maastricht.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van de heer drs. B, alsmede, namens de Inspecteur, de heer V.

1.4. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is sinds 1981 lid van het CDA (hierna ook: de partij). Sinds 1990 is hij benoemd als lid van de Gemeenteraad van de gemeente Y, alwaar hij deel uitmaakt van de CDA fractie. In 1999 genoot belanghebbende, naast winst uit onderneming en verhuur onroerende zaken, inkomsten uit arbeid uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten ex artikel 22, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) van totaal fl. 45.946,= (€ 20.849,39). Van dit bedrag was een gedeelte groot fl. 26.402,= (€ 11.980,71) ontvangen als presentiegeld als raadslid van de gemeente Maastricht.

2.2. Vanaf 1990 betaalt belanghebbende maandelijks een bedrag aan de partij. De jaarlijkse bijdragen worden door de partij ingezet voor promotie, permanente campagne en het functioneren van de afdeling Y gedurende het jaar en ter ondersteuning van de verkiezingscampagnes voor de Gemeenteraad, Provinciale Staten en Tweede Kamer. In 1999 is in totaal door belanghebbende een bedrag van fl. 3.039,= aan de partij afgedragen. Vanaf 1990 zijn de afdrachten aan de partij door belanghebbende in zijn aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen als aftrekbare giften in de zin van artikel 47, lid 1, onderdeel b, van de Wet, afgetrokken en als zodanig door de Inspecteur geaccepteerd.

2.3. Over het jaar 1996 heeft de Belastingdienst bij belanghebbende een regulier boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van zijn aangiften inkomstenbelasting 1996 en omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996. Het verslag van dit onderzoek behoort tot de gedingstukken. Onder punt 5.4. van dit verslag staat vermeld:

"Giften

De correcties op het onzuiver inkomen leiden tot een lagere giftenaftrek. De correctie bedraagt in 1996 f 251,-."

2.4. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 zijn door de Inspecteur de betalingen aan de partij ad fl. 3.039,= aangemerkt als aftrekbare kosten ex artikel 35 van de Wet en niet als gift ex artikel 47 van de Wet.

2.5. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur een gedeelte van de betaling aan de partij groot fl. 972,= alsnog geaccepteerd als gift. Een gedeelte groot fl. 2.067,=, dat volgens de berekeningen van de Inspecteur, gemaakt aan de hand van een financieel jaaroverzicht van het CDA/afdeling Y, door de partij is aangewend voor de storting in het zogenaamde verkiezingsfonds, is door hem als aftrekbare kosten ex artikel 35 van de Wet aangemerkt. Dit bedrag viel volledig onder het forfait van artikel 37 van de Wet.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.1. Het geschil betreft naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard het antwoord op de volgende vraag:

Dienen de in 1999 aan de partij gedane betalingen volledig te worden aangemerkt als aftrekbare giften ex artikel 47 van de Wet?

3.1.2. Belanghebbende is van oordeel, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Primair omdat de Wet zulks bepaalt.

Subsidiair doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat tijdens het boekenonderzoek betreffende het jaar 1996 (zie onder 2.3) de betalingen aan de partij als aftrekbare giften zijn geaccepteerd en sinds 1990 deze betalingen door de Inspecteur in belanghebbendes aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen als aftrekbare giften niet zijn gecorrigeerd.

Meer subsidiair beroept belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel, omdat bij de provinciale afdeling Limburg van de partij met meer dan 500 actieve bestuurders in raden, staten en waterschappen geen enkel geval bekend is, waarin de giftenaftrek niet als zodanig is geaccepteerd.

3.1.3. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. De Inspecteur verdedigt het standpunt, dat van het totale bedrag van fl. 3.039,=, dat in 1999 aan het CDA is betaald, een gedeelte groot fl. 2.067,=, zijnde 32%, niet als aftrekbare gift kan worden aangemerkt, omdat dat bedrag door het CDA bestemd is als storting in het verkiezingsfonds voor verkiezingen. Het percentage van 32 heeft de Inspecteur als volgt berekend:

fl. 15.000 (dotatie verkiezingsfonds) fl. 37.242,= (bijdragen raadsleden)

-------------------------------------- X --------------------------------

fl. 41.636,= (werkelijke uitgaven CDA) fl. 41.828,= (werkelijke inkomsten CDA)

De Inspecteur baseert zijn standpunt op de jurisprudentie van de Hoge Raad van 16 september 1992, nr. 28 584, BNB 1992/386, 19 juni 1985, nr. 23 135, BNB 1985/236, 16 juli 1984, nr. 22 578, BNB 1984/246 en 29 juni 1983, nr. 21 642, BNB 1983/287.

3.2. Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat indien de vraag bevestigend moet worden beantwoord, het belastbaar inkomen vastgesteld dient te worden op fl. 54.853,= (€ 24.891,20).

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Ik heb het aanslagbiljet niet, maar ik ga er vanuit, dat er geen rechtsmiddelenverwijzing op stond vermeld.

- De betalingen aan het CDA betroffen partijdonaties en geen kosten van een persoonlijke campagne om herkozen te worden zoals bedoeld in BNB 1992/386.

- Over 1996 heeft de Belastingdienst bij mij een intensieve controle uitgevoerd, daarbij zijn ook de aftrekbare giften aan de orde geweest.

- Mijn bijdrage aan de partij was niet hoger dan van een ander lid, omdat ik lid was van de gemeenteraad. Ik ben al sinds 1981 lid van het CDA. Ik ben toen spontaan lid geworden uit overtuiging, niet om in de gemeenteraad te komen. De partij geeft wel richtlijnen voor de hoogte van de bijdrage, maar het is niet meer dan een richtlijn. Het is volkomen vrijwillig. Politieke partijen doen beroep op hun leden voor hun uitgaven, minimum is fl. 0,=. Er bestaat wel een minimum van € 25,= voor de lidmaatschapscontributie, maar zoals ik al in mijn pleitnota heb aangegeven, zijn er leden,die geen contributie betalen. Een verplichting om te betalen zou ook in strijd zijn met de eed, die ik afgelegd heb.

- De zelfstandigenaftrek is niet in geschil.

- Ik doe geen beroep op proceskostenvergoeding.

De Inspecteur

- Ik heb evenmin een kopie van de aanslag. Ook ik ga er vanuit, dat op het aanslagbiljet geen rechtsmiddelenverwijzing stond vermeld en dat belanghebbende derhalve terecht ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar.

- De vraag is, of de partijdonaties aftrekbare giften zijn of aftrekbare kosten. Belanghebbende is gemeenteraadslid en daarom is er sprake van verstrengeling met zijn arbeidsinkomsten.

- Het CDA is een vereniging; een contributie van een vereniging, waarvan men lid is, is geen aftrekbare gift.

- Als belanghebbende geen lid van het CDA was, kon hij niet in de gemeenteraad zitting nemen. Hij betaalt meer dan een gewoon lid.

- Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet worden gehonoreerd, omdat belanghebbende slechts één naam noemt, die van de heer Q. Ik zou terug moeten naar de Belastingdienst om een onderzoek te plegen naar andere leden van het CDA in Limburg.

- Ik ben zelf acht jaar lid geweest van een gemeenteraad voor een partij, daarom weet ik uit eigen wetenschap, dat de contributie niet vrijwillig is.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van het belastbaar inkomen tot fl. 54.853,=

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt het Hof als volgt. Niet in geschil is, dat de dagtekening van de aanslag 2 oktober 2001 was en dat het bezwaarschrift, gedagtekend 15 november 2001, op 15 november 2001 bij de Inspecteur is binnengekomen. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken en begint te lopen met ingang van de dag na die, waarop het besluit op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikelen 6:7 en 6:8, lid 1, Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb). De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde in dit geval op 13 november 2001. Het bepaalde in artikel 6:9, lid 2, van de Awb, is niet van toepassing, nu gelet op de dagtekening van het bezwaarschrift - twee dagen na 13 november 2001 - niet gezegd kan worden, dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft op grond van het bepaalde in artikel 6:11, Awb, niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld, dat de indiener in verzuim is geweest. Tussen partijen is niet in geschil, dat een rechtsmiddelenverwijzing op het aanslagbiljet ontbrak. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende daarom niet in verzuim is geweest door zijn bezwaarschrift buiten de termijn van artikel 6:7, Awb, in te dienen. De Inspecteur heeft belanghebbende derhalve terecht ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Ten aanzien van het geschil

4.2. Vast staat, dat belanghebbende als lid van het CDA in 1999 een bedrag van fl. 3.039,= heeft gedoneerd aan de partij. Naar het oordeel van het Hof behoort dit bedrag tot de aftrekbare giften als bedoeld in artikel 47, lid 1, onderdeel b, van de Wet, ongeacht de vraag, voor welke doeleinden de partij dit bedrag intern heeft aangewend (functioneren van de afdeling, ondersteuning van de verkiezingscampagnes enz.). Het standpunt van de Inspecteur, dat die donatie als aftrekbare kosten inzake het gemeenteraadlidmaatschap dient te worden aangemerkt, berust naar het oordeel van het Hof op de verkeerde lezing door de Inspecteur van de jurisprudentie van de Hoge Raad.

4.3. Volgens die jurisprudentie behoren slechts de rechtstreeks voor de (her)verkiezing van een gemeenteraadslid gedane uitgaven, andere dan afdrachten aan (plaatselijke afdelingen van) een politieke partij, zoals reis- en verblijfskosten voor spreekbeurten, derhalve uitgaven verbonden aan activiteiten gericht op de eigen (her)verkiezing, tot de aftrekbare kosten (zie ook Hoge Raad 4 november 1992, nr. 28 491, BNB 1993/44). Van dergelijke rechtstreeks voor de (her)verkiezing van belanghebbende gedane uitgaven, andere dan afdrachten aan de partij, is niet gebleken.

4.4. De Inspecteur heeft nog gesteld, dat de bijdragen aan de partij een verplicht karakter hebben en daarom niet als aftrekbare giften kunnen worden aangemerkt. Het Hof kan dit standpunt van de Inspecteur niet volgen. Wat er ook zij van het al of niet verplichte karakter van de bijdragen - belanghebbende heeft het verplichte karakter immers gemotiveerd bestreden - artikel 47, lid 4 van de Wet bepaalt, dat als giften aangemerkt worden bevoordelingen uit vrijgevigheid en al dan niet verplichte bijdragen, voor zover daardoor geen op geld waardeerbare aanspraken ontstaan. In de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van het vierde lid van artikel 47 zijn met name de contributies aan politieke partijen als voorbeeld genoemd (MvT, Wet van 21 mei 1991, Stb. 263, kamerstukken II, 21 135, nr. 3, blz. 2/3). Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld, dat het al of niet betalen van de contributie geen invloed heeft op zijn kandidaatstelling door de partij.

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende, overeenkomstig zijn primaire standpunt. Het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

Voor dit geval zijn partijen het er over eens, dat het belastbare inkomen vastgesteld dient te worden op fl. 54.853,= (€ 24.891,20).

5. Griffierecht en proceskosten

Gelet op artikel 8:74, lid 1, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

Hoewel het beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 24.891,21 (fl. 54.853,=),

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=,

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 2 mei 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 2 mei 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.