Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT8294

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2005
Datum publicatie
28-06-2005
Zaaknummer
C0300938/MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is geen overeenkomst, ook geen deelovereenkomst, tot financiële afwikkeling tot stand gekomen die zich leent voor nakoming. De omstandigheid dat tussen partijen op onderdelen van deze afwikkeling overeenstemming bestond, rechtvaardigt niet de nakoming van deze onderdelen.

Daarbij heeft het hof gelet op het groot aantal twistpunten, en de aard en omvang daarvan, dat in de onderhavige procedure nog aan de rechter wordt voorgelegd terwijl het huwelijk al zestien jaar geleden is geëindigd en het feit dat partijen er indertijd kennelijk voor hebben gekozen te trachten een allesomvattende verdeling tot stand te brengen in een notarieel vast te leggen overeenkomst, welke overeenkomst niet tot stand is gekomen, en de onderhandelingen over de afwikkeling kennelijk zijn afgebroken zonder resultaat.

In dit verband is voorts van belang dat de vrouw geen nakoming vordert van een overeenkomst waarbij de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld, maar verdeling (punt 6 inleidende dagvaarding).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. AvL

rolnr. C0300938/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

negende kamer, van 11 januari 2005,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van

24 mei 2003,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. Ph.C.M. van de Ven,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij genoemd exploot,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

als vervolg op het op 13 april 2004 gewezen tussenarrest op het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging op het hoger beroep van de door de rechtbank te Maastricht onder zaaknummer 53313 HA ZA 99-1234 gewezen vonnissen van 18 oktober 2001, 7 maart 2002, 12 december 2002 en 2 april 2003 tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

5. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

5.1. Na het tussenarrest heeft de man een memorie van antwoord in de hoofdzaak genomen waarin hij de grieven bestrijdt.

5.2. Partijen hebben vervolgens de processtukken wederom aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

6. De gronden van het hoger beroep

6.1. Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

6.2. Het hof is van oordeel dat de in de memorie van grieven voorgestelde grieven de hoofdzaak betreffen (hetgeen de man ook zo heeft opgevat door inhoudelijk in te gaan op de grieven) en niet het incident, zodat het preliminaire verweer van de man, als zou de vrouw in de hoofdzaak geen grieven hebben ingediend, wordt verworpen.

7. De beoordeling van de hoofdzaak

7.1. Grief I komt op tegen de beslissing van de rechtbank aangaande de peildatum voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen, in het bijzonder de echtelijke woning.

7.1.1. Daartoe voert de vrouw eerst aan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de peildatum 8 mei 1987. Zij wijst daartoe onder meer op de conceptakte van notaris mr. Pas (bedoeld zal zijn notaris Haanen) en een brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 5 oktober 1990 aan notaris mr. Schutgens. Zij biedt aan genoemden als getuigen te doen horen.

De man betwist de overeenstemming. De rechtbank is hem hierin gevolgd.

7.1.2. Het hof verwerpt het standpunt van de vrouw. Zelfs als zou komen vast te staan dat partijen overeenstemming hadden bereikt over deze peildatum, dan nog is daarmee nog niet gegeven dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, waarvan nakoming kan worden gevorderd.

7.1.3. Het hof stelt het volgende voorop. De vraag of ten aanzien van een overeenkomst, bij het totstandkomen waarvan een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent een of meer onderdelen een overeenkomst doet ontstaan zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, is afhankelijk van de bedoeling van partijen, zoals deze moet worden aangenomen op grond van de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval (HR 2 februari 2001, NJ 2001/179).

7.1.4. Naar het oordeel van het hof is geen overeenkomst, ook geen deelovereenkomst, tot financiële afwikkeling tot stand gekomen die zich leent voor nakoming. De omstandigheid dat tussen partijen op onderdelen van deze afwikkeling overeenstemming bestond, rechtvaardigt niet de nakoming van deze onderdelen.

Daarbij heeft het hof gelet op het groot aantal twistpunten, en de aard en omvang daarvan, dat in de onderhavige procedure nog aan de rechter wordt voorgelegd terwijl het huwelijk al zestien jaar geleden is geëindigd en het feit dat partijen er indertijd kennelijk voor hebben gekozen te trachten een allesomvattende verdeling tot stand te brengen in een notarieel vast te leggen overeenkomst, welke overeenkomst niet tot stand is gekomen, en de onderhandelingen over de afwikkeling kennelijk zijn afgebroken zonder resultaat.

In dit verband is voorts van belang dat de vrouw geen nakoming vordert van een overeenkomst waarbij de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld, maar verdeling (punt 6 inleidende dagvaarding).

7.1.5. De vrouw voert in de tweede plaats aan dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat bij de waardering van de bestanddelen, in het bijzonder de echtelijke woning, wordt uitgegaan van de peildatum van 8 mei 1987 (de datum waarop partijen uiteen zijn gegaan) nu de vrouw de kosten van de echtelijke woning heeft voldaan en de man zich niet heeft bekommerd om de dochter van partijen en geen partner of kinderalimentatie heeft betaald.

7.1.6. Het hof verwerpt dit betoog. In de periode ná de ontbinding van het huwelijk is de man onverminderd mede-eigenaar geweest van de woning en heeft hij derhalve mede de risico's daaraan verbonden gedragen. Dat de vrouw de kosten heeft gedragen - hetgeen de man overigens betwist - doet daar niet af, terwijl van de vrouw ook mocht worden verwacht dat zij deze kosten als bewoonster en gebruikmakend van de mede-eigendom van de man (waarover de man in die tijd niet het genot had) draagt.

De stellingen met betrekking tot de alimentatie kunnen evenmin afdoen aan deze omstandigheden en leveren geen argument om af te wijken van de gebruikelijke peildatum.

7.1.7. De conclusie is dan dat grief 1 faalt.

7.2. Grief II keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw aan de man verschuldigd is wegens overbedeling het bedrag van E. 88.380,35.

7.2.1. Deze grief grondt de vrouw, onder verwijzing naar een brief van de advocaat van de man van 5 oktober 1990, op de tussen partijen bereikte overeenstemming toentertijd van de waarde van de woning.

7.2.2. Het hof verwerpt dit standpunt op dezelfde gronden als bij grief 1 uiteengezet, kort gezegd, inhoudende dat de enkele omstandigheid dat partijen op onderdelen overeenstemming hadden bereikt over de financiële afwikkeling - in de omstandigheden van het geval - ontoereikend is om te oordelen dat sprake is van een overeenkomst waarvan nakoming kan worden gevorderd. Overeenstemming op onderdelen heeft het karakter van een uitgangspunt voor de totstandkoming van een definitieve allesomvattende overeenkomst. Daarvan kan niet afzonderlijk nakoming worden gevraagd, noch kan dat resultaat (zestien jaar later) dienen tot uitgangspunt bij de beslissing op de vordering.

7.2.3. Grief 2 faalt mitsdien.

7.3. Grief III heeft betrekking op de obligaties. De vrouw heeft de helft van de waarde van de aan partijen toebehorende obligaties gevorderd (fl. 2.000,-), welke vordering door de rechtbank is afgewezen.

7.3.1. Ter onderbouwing van de grief verwijst de vrouw naar het gestelde in de toelichting op de grieven 1 en 2. Deze grief zal het lot van die grieven moeten delen.

7.3.2. Anders dan de vrouw betoogt heeft de rechtbank niet ongemotiveerd de vordering van de vrouw afgewezen, maar geoordeeld (rov. 3.11 van het tussenvonnis van 18 oktober 2001) dat er ten tijde van de ontbinding van het huwelijk geen obligaties waren, zodat deze ook niet konden worden verdeeld, zoals verlangd (punt 6 onder e van de inleidende dagvaarding). De vrouw heeft geen nader bewijs aangeboden van haar stellingen te dezer zake.

7.3.3. Grief 3 faalt derhalve.

7.4. Grief IV heeft betrekking op het spaargeld. De vrouw heeft de helft van het aan partijen toebehorende spaargeld gevorderd (fl. 17.600,-). Ook deze vordering heeft de rechtbank afgewezen.

7.4.1. Ter onderbouwing van de grief verwijst de vrouw naar het gestelde in de toelichting op de grieven 1 en 2. Deze grief zal het lot van die grieven moeten delen.

7.4.2. Anders dan de vrouw betoogt heeft de rechtbank niet ongemotiveerd de vordering van de vrouw afgewezen, maar geoordeeld (rov. 3.12 van het tussenvonnis van 18 oktober 2001) dat niet vastgesteld kan worden dat de man - bij zijn vertrek - over dit spaargeld beschikte. In hoger beroep is dat evenmin kunnen blijken, nu de vrouw daartoe niets aanvoert noch te bewijzen aanbiedt.

7.4.3. Grief 4 faalt derhalve.

7.5. Grief V heeft betrekking op het salaris van de man over de periode mei 1984 tot en met 1987.

7.5.1. De vrouw heeft deze vordering doen steunen op benadeling van de huwelijksgemeenschap van partijen, naar het hof met de rechtbank (rov. 3.16 tussenvonnis van 18 oktober 2001) begrijpt op artikel 1:164 BW. Ingevolge lid 3 van deze bepaling vervalt het recht om op deze grond te vorderen drie jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De beschikking is ingeschreven op 21 maart 1988; de inleidende dagvaarding dateert van 19 november 1999. De vordering is mitsdien vervallen.

7.5.2. Grief 5 faalt.

7.6. Grief VI luidt:

zonder nadere motivering heeft de Rechtbank te Maastricht in haar eindvonnis van 2 april 2003 de vordering van [appellant] afgewezen om [geïntimeerde] te veroordelen om te gedogen dat een deskundige wordt benoemd, teneinde de omvang en de waarde vast te stellen van de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behorende en te verrekenen zaken, voorzover partijen daaromtrent geen overeenstemming hebben bereikt.

7.6.1. De grief faalt om drie redenen.

De grief voldoet niet aan de eisen die daaraan gesteld kunnen worden nu niet uiteengezet wordt van welke zaken de waarde zou moeten worden vastgesteld.

De vrouw verwijst in haar toelichting op de grief slechts naar de toelichting op de voorafgaande grieven. Deze grief dient daarom het lot van die grieven te delen.

De bevoegdheid tot toe- of afwijzen van het verzoek een deskundige te benoemen is van discretionaire aard. De rechter in feitelijke instantie is vrij al dan niet een deskundigenbericht te gelasten. De rechtbank hoeft niet te motiveren waarom zij geen deskundige benoemt.

7.7. De conclusie

7.7.1. Nu de grieven falen, dienen de vonnissen waarvan beroep te worden bekrachtigd. In de omstandigheid dat partijen gewezen echtgenoten zijn ziet het hof aanleiding de proceskosten op na te melden wijze te compenseren.

8. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 11 januari 2005 en ondertekend door de griffier en de rolraadsheer.