Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT7762

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-04-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
03/01875
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur slechts gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat de aanmaning, waarvan vaststaat dat hij verzonden is, belanghebbende niet heeft bereikt. Naar het oordeel van het hof heeft de Inspecteur aldus echter niet het van hem te verlangen bewijs geleverd. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de aanmaning belanghebbende niet heeft bereikt en dat de boete ten onrechte is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/01875

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel belastingdienst Z van de Rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde verzuimboete bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft in het openbaar plaatsgehad op 18 maart 2005 te Eindhoven.

Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 1 april 2005, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak

- vernietigt de opgelegde verzuimboete,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3,--,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,--, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

De gronden voor de beslissing

1. Aan belanghebbende is een verzuimboete opgelegd ter zake van het niet tijdig doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001. De boete bedraagt € 1.134,-

2. Belanghebbende bestrijdt deze boete, stellende dat hij nimmer een aanmaning tot het doen van aangifte heeft ontvangen en dat hij direct gereageerd heeft nadat hem de herinnering tot het doen van aangifte had bereikt, dat hij wegens ziekte verhinderd was tijdig aangifte te doen en dat de Belastingdienst zelf te laat het aangiftebiljet heeft verzonden.

3. Op grond van het bepaalde in artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de inspecteur een boete van ten hoogste € 1.134,- opleggen aan de belastingplichtige die de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, AWR gestelde termijn heeft gedaan. In voornoemd artikel 9, derde lid, staat - voor zover hier van belang - dat de inspecteur de belastingplichtige kan aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen. Het voorgaande betekent dat de in artikel 67a AWR bedoelde verzuimboete eerst kan worden opgelegd indien de in de aanmaning gestelde termijn voor het doen van aangifte is verstreken.

4. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de onderhavige aanmaning is verzonden op 17 juli 2002. Het hof is niet gebleken van de onjuistheid van die stelling en neemt de juistheid ervan daarom aan. Belanghebbende betwist echter dat hij de aanmaning heeft ontvangen. De Inspecteur heeft hier tegenover aangevoerd dat dit onwaarschijnlijk is nu de aanmaning wel is verzonden.

5. Naar het oordeel van het hof kan de verzuimboete van artikel 67a AWR niet worden opgelegd als de aanmaning de belastingplichtige niet heeft bereikt. In dat geval immers kan hem geen verwijt worden gemaakt ter zake van het feit dat hij de in die aanmaning gestelde termijn niet heeft nageleefd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de belastingplichtige pas is aangemaand in de zin van artikel 9, derde lid, AWR als de desbetreffende aanmaning hem heeft bereikt. De omstandigheid dat de belastingplichtige deze aanmaning pas toegezonden krijgt nadat hij in gebreke is gebleven de bij de uitnodiging tot het doen van aangifte gestelde termijn na te leven, doet hieraan niet af. De boete wordt immers niet belopen wegens het overschrijden van laatstgenoemde termijn.

6. Voorts is het hof van oordeel dat het bewijsrisico ter zake van de ontvangst van de aanmaning bij de inspecteur behoort te rusten. Het vermoeden van onschuld brengt immers mee dat de inspecteur de feiten en omstandigheden waar de boete op steunt stelt en bij betwisting aannemelijk maakt.

7. In het onderhavige geval heeft de Inspecteur slechts gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat de aanmaning, waarvan vaststaat dat hij verzonden is, belanghebbende niet heeft bereikt. Naar het oordeel van het hof heeft de Inspecteur aldus echter niet het van hem te verlangen bewijs geleverd. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de aanmaning belanghebbende niet heeft bereikt en dat de boete ten onrechte is opgelegd.

De proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf ad € 3,00.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 april 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 5 april 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.