Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT7695

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
R05-00041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderwerp: partneralimentatie / verbleekte behoefte

De vrouw vraagt verhoging van de partneralimentatie tot € 1.558, -- per maand.

De alimentatie is (met ingang van medio 1997), laatstelijk begin 1998 vastgesteld op ƒ 850, -- (€ 385,71) per maand.

Van die alimentatie, naast haar eigen inkomsten uit arbeid, vermogen en verhuur, heeft de vrouw tot op heden - derhalve al bijna acht jaren - geleefd, zonder noemenswaardig op haar vermogen in te teren. De vrouw heeft niet eerder dan in deze procedure om verhoging van de partneralimentatie gevraagd.

Gezien (1) het tijdsverloop sinds de echtscheidingsdatum, (2) het feit dat de vrouw al vanaf 1997 haar uitgavenpatroon heeft aangepast aan de haar ter beschikking staande middelen en aldus voor de vrouw al geruime tijd een zekere mate van financiële onafhankelijkheid heeft bestaan en in aanmerking nemende (3) dat de vrouw een toename van haar behoefte met een bedrag van circa € 1.100, -- bruto per maand ten opzichte van haar financiële situatie sedert 1997 op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt en (4) zij evenmin heeft gemotiveerd dat zij zich sedert 1997 het nodige heeft moeten ontzeggen, is het hof van oordeel dat de behoefte van de vrouw niet langer in overwegende mate dient te worden gerelateerd aan de stand die partijen tijdens hun huwelijk hebben gevoerd, maar aan de mate van welstand waarin de vrouw de laatste jaren heeft geleefd.

Volgt (onder meer): vernietiging en afwijzing alsnog van het verzoek van de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 123
EB 2005, 71
JIN 2005/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R05/00041

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appèl,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appèl,

de man,

procureur mr. P.J.A.M. Baudoin,

t e g e n

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appèl,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appèl,

de vrouw,

procureur mr. A.H. van Gerwen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 15 oktober 2004 door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 13 januari 2005, heeft de man verzocht, verkort weergegeven, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 24 november 2003 nader vast te stellen op nihil.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 februari 2005 heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden. Tevens heeft de vrouw hierbij voorwaardelijk incidenteel appèl ingesteld en daarin verzocht, verkort weergegeven, voormelde beschikking te vernietigen en de door de man aan haar te betalen partner-alimentatie met ingang van 1 februari 2004 nader vast te stellen op E. 1.558, -- per maand. De voorwaarde waaronder de vrouw incidenteel hoger beroep heeft ingesteld wordt hierna onder 4.3. vermeld.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 maart 2005, heeft de man het verzoek van de vrouw in het voorwaardelijk incidenteel appèl bestreden.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 mei 2005.

Bij die gelegenheid zijn partijen, de advocaat van de man en de procureur van de vrouw gehoord.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de productie, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op

28 mei 2004;

- een brief met bijlagen van de advocaat van de man van 29 april 2005.

2.6. Het hof heeft, gelet op het bezwaar van de zijde van de vrouw daartegen, geen kennisgenomen van de inhoud van de brieven met bijlage(n) van de advocaat van de man van 3 en 9 mei 2005. Deze brieven zijn ingediend met overschrijding van de in het landelijk rekestenreglement opgenomen termijn voor het indienen van stukken, voor welke overschrijding geen bevredigende verklaring is gegeven. De voorzitter heeft van deze beslissing bij de aanvang van de mondelinge behandeling mededeling gedaan. Aan het eind van de mondelinge behandeling zijn deze stukken aan de advocaat van de man geretourneerd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel beroep.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van voormelde rechtbank van 19 februari 1993 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken.

Die beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 7 september 1993.

4.2. De door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is voor het laatst vastgesteld bij beschikking van voormelde rechtbank van 27 januari 1998 op ƒ 850, -- (E. 385,71) per maand met ingang van 20 juni 1997. Door toepassing van de wettelijke indexering beliep die bijdrage ten tijde van het inleidend verzoekschrift E. 469,96 per maand.

4.3. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft de man verzocht de bijdrage met ingang van 2 december 2003 nader vast te stellen op nihil. Bij verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, heeft de vrouw verzocht de bijdrage met ingang van 27 januari 2004 nader vast te stellen op E. 1.588, -- per maand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdrage met ingang van 1 februari 2004 nader vastgesteld op

E. 1.450, -- per maand.

Daartegen komt de man op. Hij vraagt het hof zijn dit geding inleidende verzoek alsnog toe te wijzen. Uitsluitend in het geval het hof tot het oordeel komt, dat rekening dient te worden gehouden met enig resultaat uit de VOF waarin de man vennoot is, komt ook de vrouw tegen de beslissing van de rechtbank op. In dat geval vraagt zij haar aan de rechtbank gerichte zelfstandig verzoek alsnog volledig toe te wijzen.

Behoefte

4.4. Met de man en anders dan de vrouw en de rechtbank is het hof van oordeel, dat de behoefte van de vrouw niet langer in overwegende mate dient te worden gerelateerd aan de staat en stand die partijen tijdens hun huwelijk hebben gevoerd.

Bij beschikking van dit hof van 26 januari 1995 is de partneralimentatie tot 13 september 1994 vastgesteld op ƒ 5.000, --

(E. 2.268,90) bruto per maand. Dat rechtvaardigt de conclusie dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw toen in ieder geval dat bedrag beliep. Daaraan doet niet af dat het hof bij die beschikking voorts de bijdrage met ingang van 13 september 1994 heeft vastgesteld op ƒ 3.500, -- (E. 1.588,23) per maand, omdat die verlaging verband hield met de draagkracht van de man.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 27 januari 1998 de bijdrage met ingang van 20 juni 1997 verlaagd tot ƒ 850, --

(E. 385,71) per maand.

Van die alimentatie, naast haar eigen inkomsten uit arbeid, vermogen en verhuur, heeft de vrouw tot op heden - derhalve al bijna acht jaren - geleefd, zonder noemenswaardig op haar vermogen in te teren. Dat zulks anders zou zijn, heeft de

vrouw niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt. De vrouw heeft niet eerder dan bij haar zelfstandig verzoek in eerste aanleg om verhoging van de partneralimentatie gevraagd.

Gezien het tijdsverloop sinds de echtscheidingsdatum, het feit dat de vrouw al vanaf 1997 haar uitgavenpatroon heeft aangepast aan de haar ter beschikking staande middelen en aldus voor de vrouw al geruime tijd een zekere mate van financiële onafhankelijkheid heeft bestaan en in aanmerking nemende dat de vrouw een toename van haar behoefte met een bedrag van circa E. 1.100, -- bruto per maand ten opzichte van haar financiële situatie sedert 1997 op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt en evenmin heeft gemotiveerd dat zij zich sedert 1997 het nodige heeft moeten ontzeggen, is het hof van oordeel dat de behoefte van de vrouw gerelateerd dient te worden aan de mate van welstand waarin de vrouw de laatste jaren heeft geleefd.

Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende.

Als de vrouw behoefte heeft aan meer financiële armslag, brengt het hof haar in herinnering dat de rechtbank reeds bij beschikking van 27 januari 1998 heeft overwogen dat het naar haar oordeel op de weg van de vrouw, die toen 43 jaar oud was, ligt om zich te oriënteren op een goede scholing, teneinde aldus haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt te vergroten. Weliswaar heeft de man in de toelichting op zijn tweede grief omtrent de verdiencapaciteit van de vrouw niet, althans onvoldoende, aan zijn stelplicht voldaan, zodat deze grief niet kan slagen, maar dat neemt als zodanig niet weg dat niet is gebleken dat de vrouw dit advies van de rechtbank ook maar enigszins ter harte heeft genomen of dat zij aantoonbaar solliciteert.

4.5. Op grond van het vorenstaande wijst het hof het zelfstandig verzoek van de vrouw in eerste aanleg alsnog af. Ook al zou hierna blijken, dat de voorwaarde waaronder vrouw de incidenteel appèl heeft ingesteld, zou worden vervuld, dan nog komt het hof niet toe aan haar verzoek, nu dit ertoe strekt dat een nog hogere partneralimentatie zal worden vastgesteld dan de rechtbank heeft gedaan en de vrouw daaraan geen behoefte heeft.

De grieven 1 t/m 3 van de man behoeven na het vorenstaande geen afzonderlijke bespreking.

Draagkracht

4.6. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de geldende partneralimentatie te betalen.

4.7. Het hof gaat uit van de door de rechtbank in aanmerking genomen gegevens betreffende de inkomsten en lasten van de man, behoudens voor zover daarvan hierna wordt afgeweken.

4.8. In de toelichting op zijn vijfde grief stelt de man dat de rechtbank haar beslissing (mede) had moeten baseren op het bedrijfsresultaat van zijn schildersbedrijf over het jaar 2004. De man stelt dat dit resultaat door de accountant voorlopig is vastgesteld op E. 58.000, --. Stukken waaruit dit blijkt heeft de man niet tijdig in het geding gebracht. Daarom gaat het hof evenals de rechtbank uit van het bedrijfsresultaat over 2003 van E. 78.249, --.

Met betrekking tot de stelling van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling dat de accountant van de man de jaarstukken 2003 heeft bijgesteld met als gevolg een resultaat dat E. 10.000, -- hoger ligt, zijn niet tijdig stukken in het geding gebracht. Het hof gaat aan die stelling voorbij, nu deze niet te controleren valt en de man deze heeft betwist.

4.9. In de jaarstukken 2003 is op de autokosten van E. 16.635, -- een bedrag in mindering gebracht van E. 11.746, -- ter zake van privé gebruik auto. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat dit ten onrechte is geschied. Dat betekent volgens hem dat moet worden uitgegaan van een bedrijfs-resultaat over 2003 van E. 78.249, -- minus E. 11.746, -- = E. 66.503, --. Het hof begrijpt dat het de bedoeling van de man is deze stelling als extra grief aan te voeren. Nu de vrouw hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt, zal het hof deze grief behandelen. Het hof acht deze stelling van de man niet naar behoren toegelicht, zodat deze terzijde wordt gesteld. Bovendien valt niet te achterhalen of, en zo ja welke, financiële consequenties deze post heeft gehad. De man heeft geen aangifte en aanslag IB 2003 in het geding gebracht.

4.10. De man heeft gesteld dat hij genoodzaakt is om terzake van pensioen-voorziening met ingang van 1 januari 2005 een betaling van E. 650, -- per maand te doen tegen E. 453,88 per maand tot die datum.

De vrouw heeft deze noodzaak betwist en de man heeft deze naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt.

4.11. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij terzake van begrafenispremie E. 29,88 per maand betaalt. De vrouw heeft verklaard dat met dat bedrag rekening kan worden gehouden.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat zijn ziektekosten thans E. 426,05 per maand belopen.

4.12. Zijn grief, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een levensverzekeringspremie van E. 101,41 per maand, heeft de man tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.

4.13. In zijn vierde grief en de daarop gegeven toelichting betoogt de man dat de rechtbank ook rekening had moeten houden met het negatief resultaat uit de VOF Spuiterij Gebroeders Smits.

Daarmee heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht geen rekening gehouden. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de VOF in augustus / september 2004 is verkocht. Hij stelt dat hij niets van de opbrengst bij verkoop, die hij overigens niet heeft genoemd, heeft ontvangen. De man heeft die stelling in het geheel niet met in rechte geloof verdienende stukken onderbouwd. Derhalve blijft de mogelijkheid open dat de man wel degelijk een bedrag terzake de verkoop heeft ontvangen, waarmee het negatief resultaat kan zijn gecompenseerd.

Vaststelling van de alimentatie

4.14. Op grond van het vorenstaande en rekening houdende met alle relevante fiscale aspecten, bestaat er geen reden tot verlaging van de geldende partneralimentatie. De man is ruimschoots tot betaling van die alimentatie in staat, ook als rekening wordt gehouden met E. 95,-- per maand terzake van overige eigenaarslasten, wat de rechtbank niet heeft gedaan.

Anders dan de rechtbank heeft het hof bij de fiscale aspecten geen rekening gehouden met aftrekbeperking, die niet van toepassing is.

Proceskosten.

4.15. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de op 15 oktober 2004 door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking, behoudens ten aanzien van de compensatie van de proceskosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af de inleidende verzoeken van de man en de vrouw;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Koens en Van Soest-van Dijkhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.