Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT7186

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
03/02751
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling Gemeentebelastingen van de gemeente Apeldoorn (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de opgelegde aanslag in de baatbelasting voor het jaar 1995.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/746
FutD 2005-1156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/02751

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling Gemeentebelastingen van de gemeente Apeldoorn (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de opgelegde aanslag in de baatbelasting voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is opgelegd ter zake van het genot krachtens eigendom van de onroerende zaak Hoofdstraat xx te Apeldoorn en bedraagt ƒ 6.968,40.

Na bezwaar heeft de ambtenaar de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem, dat die uitspraak en de aanslag heeft vernietigd.

Burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 december 2003, nr. 37.395 (hierna: het arrest) de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest.

De ambtenaar heeft, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een memorie ingediend.

Belanghebbende heeft, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, op de inhoud van die memorie gereageerd.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het hof van 1 oktober 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de ambtenaar.

De ambtenaar heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.3 van de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem.

Voorts stelt het hof op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Bij de onderhavige baatbelasting worden onder meer de kosten ter zake van de volgende voorzieningen verhaald.

De verrichte werkzaamheden hebben uiteindelijk bestaan uit de herinrichting van en het verleggen van kabels en leidingen in de Hoofdstraat tussen de Paul Krugerstraat en de doorsteek naar het zwembad. De voorzieningen hebben ertoe geleid dat de Hoofdstraat tussen de Paul Krugerstraat en de doorsteek naar het zwembad voetgangersgebied is geworden en dat de leidingen en kabels naar de as van de weg zijn verlegd.

Tevens zijn de kruising Nieuwstraat-Beekpark-Hoofdstraat en de kruising Roggestraat-Vosselmanstraat gereconstrueerd voor een bedrag groot ƒ 63.000,-- en is de kruising Hoofdstraat-Vosselmanstraat aangepast voor een bedrag groot ƒ 15.000,--. In verband met de gewijzigde verkeerssituatie moest aan een pand op de hoek Roggestraat-Beekpark geluidswerende isolatie worden aangebracht voor een bedrag groot ƒ 15.000,--.

Een post "verwervingen, architecten, begeleiding en diversen" heeft uiteindelijk ƒ 125.000,-- bedragen en de meerkosten PTT bedroegen uiteindelijk ƒ 43.613,--.

2.2. Het bestemmingsplan ter plaatse is gewijzigd in die zin dat horeca exploitatie niet meer aan een maximale oppervlakte is gebonden en de diverse bedrijven de mogelijkheid hebben aan de straatzijde een terras of een serre of een combinatie daarvan te plaatsen. Deze wijziging kent aan de percelen de bestemming Centrumvoorziening IX c.q. V toe en is definitief tot stand gekomen op 17 oktober 1993.

2.3. Blijkens het goedkeurend advies van Gedeputeerde Staten van Gelderland aan de minister van binnenlandse zaken betreffende de onderhavige baatbelasting, bedragen de totale kosten van de voorzieningen ƒ 788.000,-- en kan daarvan 50% middels de onderhavige baatbelasting worden verhaald.

2.4. De Verordening baatbelasting Hoofdstraat-Noord (hierna: de Verordening) is door de gemeente Apeldoorn vastgesteld bij besluit van 23 mei 1991 en goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 12 juni 1992 en is laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 maart 1995, goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van 6 juli 1995.

Voorzover te dezen van belang luidt die Verordening als volgt:

"Begripsomschrijving

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(...)

b. voetgangersdomein: het noordelijk gedeelte van de Hoofdstraat, dat tevens een functie heeft als fietsroute en waar bedienend verkeer is toegestaan.

Aard van de heffing en belastbaar feit

Artikel 2

1. Onder de naam "baatbelasting Hoofdstraat-Noord" wordt een belasting geheven terzake van onroerende zaken die gebaat zijn door de herinrichting en de reconstructie van het voetgangersdomein, vermeld in artikel 1, onder b, zulks ter verkrijging van een billijke bijdrage in de kosten van de genoemde voorzieningen, die zijn tot stand gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

2. De gebate onroerende zaken zijn aangegeven op een bij deze verordening behorende gewaarmerkte kaart."

De heffingsmaatstaf is het aantal strekkende meters waarmee de eigendommen grenzen aan het op de bij de verordening behorende kaart aangegeven voetgangersdomein.

De belasting wordt geheven over de jaren 1992 tot en met 2001.

De belasting kan ineens worden geheven naar één bedrag. De belasting wordt dan gesteld op de contante waarde van de nog verschuldigde jaarbedragen berekend met een rente van 8,8%.

2.5. De belastingopbrengst heeft volgens de aanslagregeling in de jaren 1992 tot en met 1996 ƒ 56.328,-- per jaar bedragen en vanaf 1997 bedraagt die ƒ 58.288,-- per jaar. Het verschil tussen de opbrengst vóór en ná 1996 wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat ten aanzien van Hoofdstraat yy geen aanslagen meer voor de jaren 1992 tot en met 1996 kunnen worden opgelegd.

In totaal wordt uiteindelijk 200,75 meter gevellengte in de heffing betrokken.

2.6. Belanghebbende is het enkel toegestaan een terras aan te leggen aan de voorzijde van haar onroerende eigendom, een serre is niet toegestaan.

De aanslag is berekend naar een grondslag van 24 meter.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Na verwijzing is tussen partijen in geschil het antwoord op de volgende vragen.

3.1.1. Kan in het onderhavige geval baatbelasting worden geheven nu het bestemmingsplan dat aan de betreffende onroerende zaken de bestemming Centrumvoorziening IX c.q. V toewijst, op het moment dat de Verordening is vastgesteld nog niet onherroepelijk vast stond?

3.1.2. Worden alle registergoederen die baat hebben ook in de heffing betrokken?

3.1.3. Mogen de kosten ter zake van de volgende posten middels de onderhavige baatbelasting worden verhaald?

- kruising Roggestraat-Vosselmanstraat;

- kruising Hoofdstraat-Vosselmanstraat;

- geluidwerende isolatie pand Roggestraat-Beekpark;

- post "verwerving, architecten, begeleiding en diversen" en

- meerkosten PTT.

3.1.4. Is de heffingsgrondslag juist vastgesteld, nu belanghebbendes onroerende zaak grenst deels aan het huidig bestemmingsplangebied "voetgangersdomein" en deels aan bestemmingsplangebied "stadserf"?

3.1.5. Is het tarief juist vastgesteld, nu belanghebbende stelt dat zij geen baat heeft bij de horecavoorzieningen, doch eerder last daarvan omdat het haar niet is toegestaan een serre aan te bouwen?

Belanghebbende beantwoordt alle vragen ontkennend, de ambtenaar bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting de volgende argumenten toegevoegd.

Belanghebbende:

Bij de onderhavige onroerende zaak is enkel een terras mogelijk, een serre is niet toegestaan. Hierdoor is de oppervlakte die daarmee gemoeid is maar zeer beperkt bruikbaar. Mede gezien deze omstandigheid is het tarief disproportioneel, wij betalen nagenoeg de meeste baatbelasting, er is sprake van een zeer grote gevellengte, en daarmee heffingsgrondslag, maar hebben het minst baat bij de voorzieningen terwijl de meeste andere belastingplichtigen een beperkte gevellengte hebben en wel maximaal baat, de mogelijkheid van een serre, hebben bij de getroffen voorzieningen.

Inmiddels is de onroerende zaak een gemeentelijk monument geworden hetgeen verdere beperkingen in het gebruik met zich brengt.

Het klopt dat over de gehele lengte van de voorgevel de bestrating is vernieuwd en dat ter hoogte van de Beekpark het trottoir met circa 2 meter is verbreed.

De stukjes verworven grond betrof reeds grond met trottoir erop die door voetgangers werd gebruikt.

Ambtenaar:

Belanghebbende heeft inderdaad enkel de mogelijkheid een terras aan te leggen, een serre is niet toegestaan. De voorzieningen betreffen enkel het geschikt maken en verfraaien van het gebied, zoals het sluiten voor alle verkeer behalve voetgangers en het verleggen van leidingen en kabels. Het bestemmingsplan staat daar los van. In welke mate belanghebbende gebruik maakt van de voorzieningen staat los van de mate waarin zij door die voorzieningen is gebaat.

Het gegeven dat de Hoofdstraat werd gesloten voor doorgaand verkeer maakte het noodzakelijk elders voorzieningen te treffen die de toegenomen verkeersdruk aldaar opving. Zo maakte die toegenomen verkeersdruk ook de geluidsisolatie aan het pand Roggestraat-Beekpark noodzakelijk.

De verworven grond betrof stukjes privé grond aan de Beekpark/Nieuwstraat om zodoende deze weg daar te kunnen verleggen ten behoeve van het voetgangersdomein aan de Hoofdstraat ter hoogte van de kruising met de Beekpark en Nieuwstraat. Aankoop daarvan was noodzakelijk. Op de kaart die wij u tonen is te zien dat de grond moest worden gekocht om de weg te verleggen en dat het verleggen van de weg nodig was om het voetgangersdomein te vergroten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging dan wel vermindering van de aanslag.

De ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat eerst tot belastingheffing kan worden overgegaan nadat het (deel-)bestemmingsplan, waarbij aan de onroerende zaken de bestemming als genoemd in 3.1.1 wordt toegewezen, onherroepelijk is geworden. Het hof verwerpt deze stelling. De baatbelasting betreft het verhaal van kosten van de bij de Verordening genoemde voorzieningen. Bij die voorzieningen is niet genoemd het voorzien in een bepaalde bestemming volgens het vigerend bestemmingsplan. Evenmin is de belastingplicht afhankelijk gesteld van een bepaalde bestemming van de onroerende zaak volgens het vigerend bestemmingsplan. Vraag 3.1.1 moet derhalve bevestigend worden beantwoord.

4.2. Het hof is van oordeel dat de ambtenaar met de bij de Verordening behorende kaart en de na verwijzing overgelegde gegevens betreffende de aanslagoplegging aannemelijk heeft gemaakt dat vanaf 1997 alle gebate objecten in de heffing zijn betrokken. Voor de jaren 1992 tot en met 1996 is het object met huisnummer yy abusievelijk niet in de heffing betrokken. De ambtenaar heeft na ontdekking, voorzover dit ingevolge het bepaalde in artikel 11, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen nog mogelijk was, deze vergissing hersteld. Het hof is van oordeel dat aan deze omissie niet het gevolg kan worden verbonden dat de Verordening dan wel de tariefstelling van die Verordening onverbindend zijn. De eventueel gebrekkige wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan een belastingverordening kan immers niet leiden tot de gevolgtrekking dat die verordening zelf onverbindend is. Vraag 3.1.2 moet dan ook bevestigend worden beantwoord.

4.3.1. Met betrekking tot de kosten verbonden aan de reconstructie van de kruising Roggestraat-Vosselmanstraat, de kosten verbonden aan de aanpassing van kruising Hoofdstraat-Vosselmanstraat en de kosten verbonden aan de geluidwerende isolatie van een pand aan de kruising Roggestraat-Beekpark overweegt het hof als volgt.

De ter plaatse getroffen voorzieningen werden noodzakelijk om de overlast ter plaatse, dan wel de verkeersonveiligheid aldaar, ten gevolge van het sluiten van de Hoofdstraat, te verminderen. Deze afsluiting had immers tot gevolg dat het verkeer dat normaal van de Hoofdstraat gebruik maakte, moest uitwijken. De baat van de daar ter plaatse getroffen voorzieningen is derhalve gelegen in het rustiger en veiliger verkeer op die betreffende plaatsen. De onroerende zaken aan de Hoofdstraat, gelegen binnen het bij de verordening aangegeven gebied, hebben geen enkele baat gehad bij die voorzieningen. De Hoofdstraat was en bleef ter plaatse afgesloten. Het hof is derhalve van oordeel dat de reconstructie, aanpassing en het aanbrengen van geluidsisolerend materiaal als hiervoor bedoeld, voorzieningen betreffen die geen baat leveren in de zin van artikel 2, eerste lid van de Verordening. De kosten van die voorzieningen kunnen in dat geval dan ook niet worden gerekend tot de kosten bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Verordening en zijn derhalve reeds op die grond niet verhaalbaar middels de onderhavige baatbelasting.

4.3.2. Belanghebbende stelt dat de post "verwervingen, architecten, begeleiding en diversen" onvoldoende is gespecificeerd waardoor geen inzicht in de kosten kan worden gekregen, zodat die post geheel buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het hof merkt ten aanzien van deze stelling het volgende op.

Blijkens de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting gaat het bij deze post om uitgaven voor het verwerven van stukken grond en kosten van de architect en de begeleiding, mede door deze, voor en tijdens de realisering van de voorzieningen.

Voorzover het de verwervingen van grond betreft gaat het blijkens het verhandelde ter zitting, mede aan hand van de kaart bepaald, om grond in handen van particulieren die moest worden aangekocht voor het verleggen van de weg ter hoogte van de kruising Nieuwstraat-Beekpark-Hoofdstraat. Dit is naar het oordeel van het hof voldoende om de kosten van deze verwerving in dit geval in redelijkheid aan te merken als kosten in de zin van artikel 222 Gemeentewet zodat verhaal middels een baatbelasting mogelijk is. De grond was nodig als ondergrond van de infrastructuur te weten de weg en het trottoir om zodoende de oppervlakte van het te realiseren voetgangersdomein ter hoogte van genoemde kruising voldoende groot te maken. Naar het oordeel van het hof kunnen die kosten van verwerving in dit geval tevens redelijkerwijs worden aangemerkt als kosten in de zin van artikel 2, eerste lid van de Verordening. De omstandigheid dat in het verleden die stukken grond door voetgangers werd gebruikt, al dan met toestemming van de toenmalig eigenaar, doet hier niet aan af.

De post betreft, naar het hof begrijpt, voor het overige de kosten van de architect en de begeleiding, mede door deze, voor en tijdens de realisering van de voorzieningen. Blijkens de stukken is er sprake van een gedetailleerd, door architect Sjoert Soeters uit Amsterdam ontworpen plan dat ziet op het gebied Hoofdstraat tussen de Paul Krugerstraat en de doorsteek naar het zwembad. Ook ten aanzien van deze kosten is het hof van oordeel dat dit voldoende is om de kosten in redelijkheid aan te merken als kosten in de zin van artikel 222 Gemeentewet en tevens als kosten in de zin van artikel 2, eerste lid van de Verordening, zodat verhaal middels de onderhavige baatbelasting mogelijk is.

Het hof is voorts van oordeel dat bedoelde kosten mede naar de totale omvang, in dit geval voldoende gespecificeerd zijn. Belanghebbendes stelling te dier zaken moet daarom worden verworpen.

4.3.3. Met betrekking tot de kosten van de PTT blijkt uit de stukken van het geding dat enkel de daadwerkelijke kosten tot verhaal hebben geleid. Het uiteindelijk verschuldigd gebleken bedrag heeft geleid tot de tariefsverlaging van 27 april 1995. Belanghebbendes grief dat wellicht meer kosten verhaald worden dan er zijn gemaakt moet daarom worden verworpen.

4.3.4. Op grond van het in 4.3.1 tot en met 4.3.3 overwogene komen de kosten voor de in 4.3.1 genoemde voorzieningen tot een bedrag van ƒ 63.000,--, ƒ 15.000,-- en ƒ 15.000,--, tezamen ƒ 93.000,--, niet voor verhaal in aanmerking. De kosten van de voorzieningen kunnen derhalve tot 50% van ƒ 695.000,-- middels de onderhavige baatbelasting worden verhaald. Vraag 3.1.3 moet op grond van het vorenstaande gedeeltelijk bevestigend en gedeeltelijk ontkennend worden beantwoord.

4.4. Vaststaat dat de voorgevel van het pand geheel aan het trottoir grenst welk trottoir is verfraaid en ter hoogte van de Beekpark tevens is verbreed. Het hof is van oordeel dat de gehele voorgevel van het pand terecht in de heffing is betrokken. De gehele bij de Verordening aangewezen onroerende zaak heeft immers baat bij de getroffen voorzieningen.

De omstandigheid dat de onroerende zaak op een bij dat bestemmingsplan behorende kaart grenst aan zowel het bij die kaart genoemde "voetgangersdomein" als aan het daar genoemde "stadserf" is voor de onderhavige baatbelasting niet van belang. De baatbelasting wordt immers geheven op grond van de Verordening met een daarbij horende kaart. Voor de heffing van de baatbelasting is dan enkel die kaart bepalend. De heffingsgrondslag is naar het oordeel van het hof juist vastgesteld zodat vraag 3.1.4 bevestigend moet worden beantwoord.

4.5. Belanghebbende stelt dat de bestemmingswijziging hem niet baat nu zij geen horeca activiteiten in de onroerende zaak onderneemt. Bovendien stelt zij in verband met de steeds voor haar gevel gestalde fietsen, eerder last van de getroffen voorzieningen te hebben. Ten slotte is zij van mening dat zij minder baat heeft bij de getroffen voorzieningen nu zij enkel een terras mag aanleggen en de bouw van een serre aan haar onroerende zaak niet is toegestaan.

Met betrekking tot de bestemmingswijziging merkt het hof op dat die bestemmingswijziging geen voorziening is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Verordening zodat voor de heffing van de baatbelasting het al dan niet gebaat zijn bij de bestemmingswijziging niet van belang is. Bovendien is voor de heffing van baatbelasting niet van belang in welke mate een belastingplichtige gebruik maakt, of wenst te maken, van de getroffen voorzieningen. Het gaat er immers om of de onroerende zaak is gebaat.

Belanghebbendes laatste twee grieven komen naar het hof begrijpt erop neer dat het verschil in baat tussen de overige belastingplichtigen en belanghebbende, tot uitdrukking moet komen in de tariefstelling. Het hof merkt hieromtrent op dat het verschil in baat niet wegneemt dat de getroffen voorzieningen, het verfraaien van de straat, het verleggen van de leidingen en kabels en daarmee de mogelijkheid voor de aanleg van een terras of serre, voor alle belastingplichtigen gelijk is. Het door belanghebbende niet mogen aanleggen van een serre vindt bovendien zijn oorzaak in het bestemmingsplan. Het hof is derhalve van oordeel dat het verschil in baat in het onderhavige geval onvoldoende is om te oordelen dat gemeente verplicht is tot het instellen van een gedifferentieerd tarief. Vraag 3.1.5 moet derhalve bevestigend worden beantwoord.

4.6. Op grond van al het vorenstaande komt voor verhaal in aanmerking 50% van ƒ 695.000,-- ofwel ƒ 347.500,--. De jaarlijkse annuïteit van ƒ 347.500,-- tegen 8,8% rekenrente bij een looptijd van 10 jaar bedraagt ƒ 53.671,75. Het totaal in de heffing betrokken aantal meters bedraagt 200,75 zodat het tarief per meter maximaal ƒ 267,36 kan bedragen. De bestreden uitspraak moet derhalve worden vernietigd en de onderhavige aanslag moet worden verminderd tot een bedrag van ƒ 6.416,64.

5. Proceskosten

Het hof acht termen aanwezig de ambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof stelt deze kosten vast op ƒ 2.662,50 voor de procedure bij het gerechtshof Arnhem (zie uitspraak gerechtshof Arnhem onder 6) en voor de procedure bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 1 punt maal ƒ 710,-- maal wegingsfactor 1 ofwel ƒ 710,-- derhalve totaal ƒ 3.372,50 ofwel ? 1.530,37.

6. Beslissing

Het hof

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een ten bedrage van ƒ 6.416,64,

- veroordeelt de ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ? 1.530,37, en

- wijst de gemeente Apeldoorn aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 8 april 2005 door N. van Beelen, voorzitter, A.J. van Soest en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 8 april 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.