Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT7157

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
R200500326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof ’s-Hertogenbosch, 8 juni 2005, R2005/00326, Omgangsregeling en het BOR-traject

De vader heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend , strekkende tot een proefomgangsregeling tussen hem en zijn dochter en zo mogelijk ook een eerste omgang met zijn zoontje.

Het ontbreekt partijen aan een goede communicatie. Ter zitting in hoger beroep hebben partijen de tussen hen ontstane impasse doorbroken en hebben zij verklaard deel te willen nemen aan het BOR-project te Maastricht, inhoudende dat er één dagdeel per veertien dagen omgang plaatsvindt tussen de vader en de dochter. Aan het einde van het BOR- traject, na zes maanden, dient er een evaluatie plaats te vinden om te bezien of er een nadere omgangsregeling overeen kan worden gekomen tussen partijen.

Indien na afloop van het BOR- project partijen er onverhoopt niet in slagen overeenstemming te bereiken omtrent een omgangsregeling, kan de meest gerede partij zich met een nieuw omgangsverzoek tot de kinderrechter wenden. Het hof houdt de zaak dan ook niet aan in afwachting van de resultaten van het BOR-project.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juni 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200500326

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de vader,

procureur mr. J.M. Jonkergouw,

t e g e n

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de moeder,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 23 december 2004, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 maart 2005, heeft de vader verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende - het bij akte in hoger beroep gewijzigde - verzoek van de vader omtrent de vaststelling van een omgangsregeling en informatieverstrekking alsnog geheel of gedeeltelijk toe te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie meent te moeten of te kunnen nemen.

Het verzoek van de vader tot het treffen van een omgangsregeling uit de eerste aanleg luidt als volgt:

* vaststelling van een proefomgangsregeling ten aanzien van [minderjarige dochter], onder begeleiding van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

* vaststelling van een eerste omgang ten aanzien van [minderjarige zoon], onder begeleiding van de raad.

De vader wenst in onderhavig hoger beroep voormeld verzoek te wijzigen c.q als volgt te vermeerderen:

* primair wenst de vader dat er een (proef)omgangsregeling zal worden vastgesteld tussen de vader en [minderjarige dochter] (bij voorkeur wekelijks gedurende 3 uren per keer), welke omgang na een gewenningsperiode van drie maanden zal worden omgezet naar een reguliere omgang van elke woensdag tussen 12.00 uur en 18.00 uur, om de veertien dagen een weekeinde vanaf vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen. Tevens verzoekt de vader dat er na drie maanden gewenning tevens een eerste omgang gelast wordt tussen de vader en [minderjarige zoon], desnoods onder begeleiding en in de speelkamer van de raad.

* subsidiair wenst de vader dat de moeder hem elk kwartaal de levensloop van [minderjarige dochter] en [minderjarige zoon], op de gebieden opvoeding, verzorging, school, hobby's en overige vrije tijdsbesteding, uitgebreid schriftelijk zal toe- lichten onder gelijktijdige toezending van twee foto's van beide kinderen, waarvan steeds één pasfoto en één gewone foto.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 april 2005, heeft de moeder verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met de afwijzing van de door de vader verzochte vermeerdering van de omgang.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 mei 2005. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. B. van Aarle,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. I.G.H. Aarts-Mulder,

- de heer Horn, namens de raad.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroep- en verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 8 december 2004;

- de brief van de procureur van de vader d.d. 4 april 2005, met bijlagen;

- de brief van de procureur van de vader d.d. 7 april 2005, met bijlage;

- het faxbericht van de procureur van de vader d.d. 19 mei 2005, met bijlagen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit de affectieve relatie van de vader en de moeder zijn op [geboortejaar] [minderjarige dochter] en op [geboortejaar][minderjarige zoon] geboren. De vader heeft beide kinderen erkend. De relatie tussen partijen is in 2002 beëindigd.

4.2. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht d.d. 30 december 2002, is op verzoek van de moeder bepaald dat de vader bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [minderjarige dochter] en [minderjarige zoon] dient te voldoen ten bedrage van E. 125,-- per kind, per maand. Op 17 oktober 2003 heeft de vader bij de rechtbank Maastricht een verzoek ingediend, strekkende tot een proefomgangsregeling tussen hem en [minderjarige dochter], onder begeleiding van de raad en een eerste omgang tussen hem en [minderjarige zoon], eveneens onder begeleiding van de raad. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd. Ter mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 december 2003, met betrekking tot voornoemd verzoek, zijn partijen een tijdelijke regeling betreffende de omgang tussen de vader en [minderjarige dochter] overeengekomen, te weten de eerste vier keren een omgang van 12:00 uur tot 14:00 uur, daarna vanaf 17 januari 2004 tot en met 31 januari 2004 van 12:00 uur tot 15:00 uur.

4.3. Deze tijdelijke regeling is niet van de grond gekomen. Bij de behandeling van het verzoek tot een omgangsregeling van 19 maart 2004 heeft de rechtbank de raad verzocht proefcontacten te laten plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige dochter] en te bezien of [minderjarige zoon] hier op den duur bij betrokken kan worden. In het rapport van de raad d.d. 26 augustus 2004 heeft de raad, na een positief verloop van de proefcontacten, de rechtbank geadviseerd een omgangsregeling vast te stellen waarbij:

- [minderjarige dochter] ieder weekend naar de vader gaat van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagavond 19:00 uur, uitgezonderd de weekenden dat de vader moet werken en niet in staat is zijn dochter op te halen. De vader zal na het weekend laten weten of het volgende weekend door kan gaan;

- [minderjarige dochter] de helft van de vakanties en de feestdagen bij de vader zal verblijven;

- [minderjarige dochter] met vaderdag bij de vader en met moederdag bij de moeder zal verblijven.

4.4. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank bepaald dat aan het verzoek van de vader ten aanzien van proefcontacten met [minderjarige dochter] is voldaan en heeft het verzoek van de vader voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen, dat uit het raadsrapport is gebleken dat de herstelcontacten tussen de vader en [minderjarige dochter] positief zijn verlopen. [minderjarige dochter] en de vader zijn zichtbaar op elkaar gesteld en [minderjarige dochter] geniet van de omgang met de vader. Bovendien lijkt het herstelde contact een positief effect te hebben op haar gedrag. Voorts heeft de raad in haar rapport gesteld dat er ten aanzien van [minderjarige zoon] op dit moment geen ruimte lijkt om een omgangsregeling op te starten. De rechtbank heeft het voorts betreurd dat de vader in het weekend van 5 december 2004 de situatie bij de moeder thuis heeft laten escaleren door een familielid van de moeder met een mes te bedreigen, waarna de vader door de politie is aangehouden. Een dergelijk optreden van de vader, dat ook door de kinderen is gezien, is op geen enkele wijze in het belang van de kinderen en tijd is dan ook nodig om de rust te herstellen. Omgang is volgens de rechtbank niet in het belang van [minderjarige zoon], met name nu er geen mogelijkheden voor bestaan om dit te realiseren daar de geplande opbouw via contacten (tezamen) met [minderjarige dochter] voorlopig niet plaats zullen vinden. Tegen deze beschikking komt de vader op.

4.5. In zijn beroepschrift stelt de vader, dat de rechtbank op basis van een onjuist weergegeven gedraging van zijn kant tot het oordeel is geraakt dat omgang niet in het belang van de kinderen zou zijn. Immers, volgens de vader heeft hij nimmer in aanwezigheid van de kinderen een confrontatie gezocht met een familielid van de moeder. Tevens geeft de vader aan, het familielid niet te hebben bedreigd met een mes. Volgens de vader is hij na een aanvaring met de vader van de moeder ter afkoeling in hechtenis genomen en is hij tevens beschuldigd van het plegen van vernielingen, doch kan zich niet herinneren deze vernielingen te hebben aangericht.

Voor zover de rechtbank wel gemotiveerd tot een dergelijk oordeel is geraakt, dient volgens de vader te worden vastgesteld dat een periode van drie maanden voldoende is om tot herstel van de rust te kunnen geraken. Voorts stelt de vader dat indien de proefomgang met [minderjarige dochter] opnieuw doorgang zal vinden, het niet meer dan logisch is om [minderjarige zoon] ook in de omgang te doen betrekken.

4.6. In haar verweerschrift stelt de moeder dat de kinderen wel degelijk getuigen zijn geweest van het onverantwoorde gedrag van de vader op 4 december 2004. De moeder geeft aan voor dat deel van de gebeurtenissen die zich op die vierde december voor haar huis hebben voorgedaan, aangifte bij de politie te hebben gedaan. De moeder geeft verder aan dat de vader het ook in de werksfeer alles behalve nauw neemt met betrekking tot normen en waarden, waarbij zij refereert aan een incident uit 2002 bij een voormalig werkgever van de vader.

Voorts geeft de moeder aan, van meet af aan huiverig te zijn geweest om omgang tussen de vader en [minderjarige dochter] te laten plaatsvinden vanwege het vaak agressieve gedrag van de vader, maar ook omdat de vader tijdens de keren dat aanvankelijk omgang heeft plaatsgevonden, zich onverantwoordelijk jegens [minderjarige dochter] heeft gedragen, door gebrek aan zorg voor en zorgvuldigheid jegens haar.

Wat geldt voor de omgang met [minderjarige dochter] geldt volgens de moeder eens te meer voor de omgang met het veel jongere kind [minderjarige zoon], waarbij vermeld dient te worden dat vanaf de geboorte tot op heden nimmer omgang tussen de vader en [minderjarige zoon] heeft plaatsgevonden.

4.7. Het hof overweegt als volgt.

4.7.1. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het hof gebleken dat beide partijen van mening zijn dat er omgang tussen [minderjarige dochter] en de vader kan zijn, doch dat de communicatie tussen hen dusdanig verstoord is dat de realisering van de omgang problematisch is. Ter zitting is door partijen de impasse doorbroken en hebben zij verklaard, deel te willen nemen aan het BOR- project te Maastricht, inhoudende dat er één dagdeel per veertien dagen omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige dochter]. Exacte tijdstippen dienen in nader overleg, met de vrijwilliger die dit BOR- traject zal begeleiden, vastgesteld te worden. Het BOR gaat ervan uit dat de ouders zich in principe inzetten om te bereiken dat er na 6 maanden een vorm van zelfstandig contact plaats vindt. In de zes maanden waarin het BOR de omgang begeleidt zal dus ook worden bezien hoe en op welke wijze de omgang, indien mogelijk, uitgebreid kan worden. Aan het einde van het BOR- traject, na zes maanden, dient er dan ook een evaluatie plaats te vinden om te bezien of er een nadere omgangsregeling overeen kan worden gekomen tussen partijen.

Het hof vertrouwt erop dat, indien de omgang tussen de vader en [minderjarige dochter] goed wordt begeleid en enige tijd positief functioneert, de moeder haar medewerking zal verlenen om in het kader van de BOR- regeling ook [minderjarige zoon] bij de omgang te betrekken.

4.7.2 Het hof acht het voorts in het belang van de kinderen zeer gewenst dat de ouders trachten hun onderlinge communicatie te verbeteren, daar deze momenteel ernstig verstoord is. De kinderen kunnen belast worden met een loyaliteitsconflict, hetgeen voortvloeit uit deze slechte onderlinge communicatie. De bemiddelingsgesprekken bij de raad, waarvan er - zoals op de zitting van het hof is afgesproken - twee zullen plaatsvinden voorafgaand aan de start van de begeleide omgang via het BOR- project, zullen mede voor de communicatieverbetering tussen partijen gebruikt worden.

Het hof acht het vanzelfsprekend, dat het contact met de raad tevens gebruikt zal worden om met partijen te spreken over het vervolg van de omgangsregeling na afloop van het BOR- project.

Indien na afloop van het BOR- project partijen er onverhoopt niet in slagen overeenstemming te bereiken omtrent een omgangsregeling, kan de meest gerede partij zich met een nieuw omgangsverzoek tot de kinderrechter wenden.

4.8. Gelet op de aard van de zaak worden de proceskosten van dit hoger beroep gecompenseerd.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 23 december 2004;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de omgang tussen de vader en [minderjarige dochter] en - zo mogelijk - tussen de vader en [minderjarige zoon] wordt hervat, zoals omschreven is in rechtsoverwegingen 4.7.1. en 4.7.2. met begeleiding van de omgang door het BOR te Maastricht;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Smeenk-van der Weijden en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.