Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6593

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
C0400784-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een eigenlijke dienstwoning is in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad van belang of de woning door GEL aan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld met het oog

op de aard van de door hem te verrichten arbeid en het bewonen van de woning dus behoort tot de voor de werknemer uit zijn dienstverband voortvloeiende verplichtingen (HR 17 maart 1961 NJ 1961/237)

Uit het verslag van de informele bespreking gehouden na de jaarvergadering 1984 (prod. 2 cva) en de aanstellingsbrief van 26 november 1984 (prod.1 inleidende dagvaarding) volgt dat de woning aan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld en [geïntimeerde] deze woning is gaan bewonen in samenhang met de uitbreiding van zijn werkzaamheden voor GEL. De na die uitbreiding te verrichten werkzaamheden - toezicht op de jacht, onderhoud en beheer van de bossen en uitoefening van het boerenbedrijf, zulks op een landgoed van 117 ha, waarvan 17 ha cultuurgrond - werden naar hun aard alle op de terreinen van GEL uitgevoerd. Het is aannemelijk dat, zeker na de uitbreiding van de werkzaamheden met de uitoefening van het boerenbedrijf, het totaal van de taken meebracht dat vaker op onverwachte momenten de aanwezigheid van [geïntimeerde] op die terreinen gewenst zou kunnen zijn. [geïntimeerde] was als enige op die terreinen woonachtig waardoor de bewoning door [geïntimeerde] van de litigieuze woning in belangrijke mate kon bijdragen aan een goede taakvervulling. Aannemelijk is dat de woning daarom door GEL aan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld. Ook zonder dat zulks expliciet in de arbeidsovereenkomst is opgenomen behoort aldus in het licht van HR 4 juni 1976 NJ 1977/40 en HR 29 juni 1979 NJ 1979/612 het bewonen van de woning tot de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. Uit NJ 1977/40 volgt verder dat daarbij niet van doorslaggevend belang is dat [geïntimeerde] al vóór het ter beschikking stellen van de woning in dienst van GEL werkzaam was en werkzaamheden op die terreinen uitvoerde.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 215
Burgerlijk Wetboek Boek 6 216
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2005/168 met annotatie van TG
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. C0400784/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

negende kamer, van 26 april 2005,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GRONDEXPLOITATIE LIMBURG B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

appellante bij exploot van dagvaarding

van 1 juni 2004,

hierna te noemen: GEL,

procureur: mr. G.R.A.G. Goorts,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. T.W.H.M. Weller,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector Kanton, locatie Venlo onder zaaknr. 112015/CV EXPL 03-2200 gewezen vonnis van 17 maart 2004 tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde.

1. Het verloop van geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar het tussenvonnis van 15 oktober 2003.

2. Het verloop van geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft GEL acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen in eerste aanleg met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, GEL door mr. G.R.A.G. Goorts en [geïntimeerde] door mr. J.A. Bloo. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Tussen partijen heeft een arbeidsovereenkomst bestaan, die per

31 december 2002 op verzoek van GEL door de kantonrechter is ontbonden. Aanvankelijk was [geïntimeerde] werkzaam als jachtopziener op de terreinen van GEL. In 1984 of 1985 zijn de werkzaamheden uitgebreid met bosbeheer en met het uitoefenen van het boerenbedrijf op de gronden van GEL. Per 1 oktober 1984 heeft GEL de op haar gronden gelegen en haar in eigendom toebehorende woning aan de [straat, nummer] te [plaatsnaam] aan [geïntimeerde] voor bewoning ter beschikking gesteld. In deze procedure gaat het kort gezegd om de vraag of de door [geïntimeerde] bewoonde woning aan de [adres] een eigenlijke dienstwoning is, hetgeen impliceert dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met zich brengt dat [geïntimeerde] per 31 december 2002 verplicht is deze woning op verzoek van GEL met de zijnen en het zijne te ontruimen, of dat er sprake is van een oneigenlijke dienstwoning waarop de bepalingen van het huurrecht met inbegrip van de huurbeschermingsbepalingen van toepassing zijn, waardoor het enkele feit van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet leidt tot ontruiming van het gehuurde.

4.1.2 GEL stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een eigenlijke dienstwoning. Omdat [geïntimeerde] na beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet bereid was op verzoek van GEL vrijwillig de woning te verlaten, vordert zij in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat de litigieuze woning een eigenlijke dienstwoning is. Voorts vordert zij ontruiming door [geïntimeerde] van die woning en - na vermeerdering van eis - van de rondom die woning gelegen percelen. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een oneigenlijke dienstwoning en heeft zich tegen de vorderingen van GEL verweerd.

4.1.3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een dienstwoning in eigenlijke zin en heeft om die reden de vorderingen van GEL afgewezen met veroordeling van GEL in de kosten.

4.1.4. GEL is tegen de uitspraak van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. Haar eerste grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter over de vaststaande feiten. De tweede tot en met zesde grief richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de woning geen dienstwoning in eigenlijke zin is en tegen de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen. De zevende grief richt zich tegen afwijzing van de na vermeerdering van eis door GEL gevorderde ontruiming door [geïntimeerde] van de percelen rondom de dienstwoning. De achtste grief heeft betrekking op de proceskostenveroordeling.

[geïntimeerde] heeft alle grieven bestreden en heeft geconcludeerd tot verwerping daarvan en bekrachtiging van het bestreden vonnis.

4.2. Het hof overweegt omtrent de grieven het volgende:

4.2.1. In grief I stelt GEL dat de kantonrechter ten onrechte als tussen partijen vaststand heeft aangenomen dat [geïntimeerde] met ingang van 1 januari 1984 door GEL in het kader van de arbeidsovereenkomst niet alleen werd belast met werkzaamheden als jachtopziener en het beheer van de bossen, maar ook met het uitoefenen van het boerenbedrijf op de percelen van GEL. Volgens GEL is [geïntimeerde] met ingang van 1 januari 1985 in dienst getreden van GEL.

Deze grief is in zoverre gegrond dat op grond van de stellingen van partijen en op basis van de overgelegde producties niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst tussen GEL en [geïntimeerde] op 1 januari 1984 is ingegaan. De overgelegde producties, in het bijzonder de bij inleidende dagvaarding overgelegde aanstellingsbrief, de eveneens bij dagvaarding overgelegde ontbindingsbeschikking en het bij cva als prod.2 overgelegde gespreksverslag, bieden eerder aanknopingspunten voor de aanname dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 januari 1985 is ingegaan.

Overigens leidt de gegrondverklaring van deze grief op zichzelf nog niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

4.2.2. De overige door de kantonrechter als vaststaand aangenomen feiten (onder 2 van het vonnis waarvan beroep) zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat deze feiten het hof tot uitgangspunt dienen.

4.2.3. Het hof zal de tweede tot en met de zesde grief gezamenlijk behandelen. Zij hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een eigenlijke dienstwoning.

4.2.4. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een eigenlijke dienstwoning is in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad van belang of de woning door GEL aan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld met het oog

op de aard van de door hem te verrichten arbeid en het bewonen van de woning dus behoort tot de voor de werknemer uit zijn dienstverband voortvloeiende verplichtingen (HR 17 maart 1961 NJ 1961/237)

Uit het verslag van de informele bespreking gehouden na de jaarvergadering 1984 (prod. 2 cva) en de aanstellingsbrief van 26 november 1984 (prod.1 inleidende dagvaarding) volgt dat de woning aan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld en [geïntimeerde] deze woning is gaan bewonen in samenhang met de uitbreiding van zijn werkzaamheden voor GEL. De na die uitbreiding te verrichten werkzaamheden - toezicht op de jacht, onderhoud en beheer van de bossen en uitoefening van het boerenbedrijf, zulks op een landgoed van 117 ha, waarvan 17 ha cultuurgrond - werden naar hun aard alle op de terreinen van GEL uitgevoerd. Het is aannemelijk dat, zeker na de uitbreiding van de werkzaamheden met de uitoefening van het boerenbedrijf, het totaal van de taken meebracht dat vaker op onverwachte momenten de aanwezigheid van [geïntimeerde] op die terreinen gewenst zou kunnen zijn. [geïntimeerde] was als enige op die terreinen woonachtig waardoor de bewoning door [geïntimeerde] van de litigieuze woning in belangrijke mate kon bijdragen aan een goede taakvervulling. Aannemelijk is dat de woning daarom door GEL aan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld. Ook zonder dat zulks expliciet in de arbeidsovereenkomst is opgenomen behoort aldus in het licht van HR 4 juni 1976 NJ 1977/40 en HR 29 juni 1979 NJ 1979/612 het bewonen van de woning tot de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. Uit NJ 1977/40 volgt verder dat daarbij niet van doorslaggevend belang is dat [geïntimeerde] al vóór het ter beschikking stellen van de woning in dienst van GEL werkzaam was en werkzaamheden op die terreinen uitvoerde.

4.2.5. De omstandigheid dat het ter beschikking stellen van de woning door de fiscus als loon in natura werd aangemerkt waarover door [geïntimeerde] loonbelasting moesten worden betaald, maakt de voormelde conclusie niet anders. Het is immers niet strijdig met het karakter van een eigenlijke dienstwoning dat door de werknemer een vergoeding voor de bewoning daarvan wordt betaald.

Evenmin doet aan het oordeel van het hof af dat, zoals bij gelegenheid van de pleidooien is gebleken, de omvang van de werkzaamheden van [geïntimeerde] voor GEL sedert 2001 zijn afgenomen o.a. door zijn arbeidsongeschiktheid en door

het in deelteelt aan derden uitgeven van een deel van de gronden. Nu [geïntimeerde] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst het genot van de woning heeft verkregen, behoudt de woning het karakter van eigenlijke dienstwoning zolang [geïntimeerde] in dienst van GEL nog werkzaamheden op de terreinen van GEL blijft uitvoeren. Van een wezenlijke verandering van de overeenkomst na 2001 is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest.

4.2.6. Terecht heeft GEL met grief 7 een grief aangevoerd tegen het feit dat de kantonrechter geen beslissing heeft gegeven ten aanzien van de door GEL na vermeerdering van eis gevorderde ontruiming van de dertig (in de vordering nader aangeduide) rondom de woning liggende percelen. [geïntimeerde] heeft zich niet verzet tegen de vermeerdering van eis.

De gevorderde ontruiming van de percelen is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft deze percelen immers thans zonder recht of titel in gebruik. Het hof merkt hierbij op dat in de appeldagvaarding weliswaar de ontruiming van de percelen niet is opgenomen maar uit de inhoud van de memorie van grieven volgt dat GEL deze vordering uitdrukkelijk heeft willen handhaven. Uit de memorie van antwoord volgt dat [geïntimeerde] dit ook aldus heeft begrepen.

4.2.7. Nu de grieven van GEL gegrond zijn kan het vonnis van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van GEL alsnog toewijzen.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart voor recht dat de aan GEL toebehorende woning met het adres [adres], gemeente Bergen (L) een dienstwoning in eigenlijke zin is; veroordeelt [geïntimeerde] de dienstwoning met het adres [adres], gemeente [gemeente] binnen 4 weken na betekening van dit arrest met al de zijnen en de van zijnentwege aanwezige personen en zaken te ontruimen en leeg en bezemschoon onder afgifte van de sleutels aan GEL op te leveren met machtiging van GEL om deze ontruiming zonodig met behulp van de sterke arm te effectueren zo [geïntimeerde] nalatig mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen;

veroordeelt [geïntimeerde] het terrein kadastraal bekend gemeente [gemeente] [nummers], binnen 4 weken na betekening van dit arrest met al de zijnen en de van zijnentwege aanwezige personen en zaken te ontruimen en de aanwezige opstallen leeg en bezemschoon onder afgifte van de sleutels aan GEL op te leveren met machtiging van GEL om deze ontruiming zonodig met behulp van de sterke arm te effectueren zo [geïntimeerde] nalatig mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van GEL voor wat betreft de eerste aanleg worden begroot op E. 305,20 aan verschotten en E. 332,50 aan salaris gemachtigde en voor wat betreft de appelprocedure op E. 311,40 aan verschotten en E. 2682,-- aan salaris procureur;

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Drijkoningen en Theuws en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op

26 april 2005.