Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6401

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
30-05-2005
Zaaknummer
03/02591
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de verhoging van de hypothecaire lening betrekking heeft op de bouw van de eigen woning, c.q. op de verbouwing daarvan. Het hof acht op grond van hetgeen belanghebbende ter zake heeft aangevoerd en ter zitting heeft verklaard, aannemelijk dat hij de vooropgezette bedoeling had de bouw, respectievelijk verbouwing, van zijn woning uiteindelijk te financieren met een verhoging van de bestaande hypothecaire lening, en dat hij daaraan voorafgaande de kosten van de bouw/verbouwing heeft voorgefinancierd uit eigen middelen. Gesteld noch gebleken is dat de opbrengst van de verhoging van de hypothecaire lening is gebezigd voor enig ander doel dan ter aanvulling van het als gevolg van de voorfinanciering van de bouw verminderde spaargeld. Het hof verwerpt de stelling van de Inspecteur dat een lening geen element van terugwerkende kracht in zich kan dragen, welke stelling het hof aldus verstaat dat een hypothecaire lening welke is gesloten na de aankoop, bouw, of verbouwing van een eigen woning, in zijn algemeenheid geen causaal verband met die eigen woning kan hebben. Uitgaande van een en ander oordeelt het hof dat de verhoging van de hypothecaire lening met f 200.000,= geheel is aan te merken als een schuld ter zake van de eigen woning, zodat de daarop betrekking hebbende rente aftrekbaar is van het inkomen uit werk en woning.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/02591

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, elfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst / Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur), op zijn bezwaarschrift betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 1 april 2005 te Tilburg.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de heer J. en mevrouw N., namens de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 15 april 2005, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een naar het totaal van een inkomen uit werk en woning ad € 42.457,= en een inkomen uit sparen en beleggen ad € 1.228,=, tesamen vormend het verzamelinkomen van € 43.685,=,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,=,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 4,80, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

De gronden

1. Belanghebbende heeft in 1994 een perceel grond met daarop een woning gekocht. Hij heeft destijds de aankoop daarvan met een hypothecaire lening gefinancierd. Deze hypothecaire lening had per einde 2000 een grootte van f 199.000,=.

2. In de jaren 2000 en 2001 is de woning geheel afgebroken en is een nieuwe woning gebouwd op het perceel.

3. Belanghebbende heeft de met de bouw van de nieuwe woning gemoeide kosten aanvankelijk uit eigen middelen (spaargeld) gefinancierd. Hij heeft op 9 april 2001 een offerte voor een verhoging aangevraagd van de reeds bestaande hypothecaire lening met f 200.000,= tot f 399.000,=.

De aanvraag tot de hierbedoelde verhoging is naar belanghebbende stelt verzonden op 21 mei 2001. Op 5 juni 2001 werd de verhoging van de hypothecaire lening verstrekt.

4. In geschil is het antwoord op de vraag of het bedrag waarmee de hypothecaire lening in 2001 is verhoogd, kan worden aangemerkt als een schuld ter zake van de eigen woning, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur ontkent. Belanghebbende betoogt dat hij vanaf het begin de bedoeling had om de kosten van de bouw van de nieuwe woning te financieren met een hypothecaire lening maar dat de uitvoering van dit voornemen is uitgesteld onder meer doordat er bij hem onzekerheden waren gerezen met betrekking tot het totaal van de kosten van de bouw, hij onenigheid had met de bouwer over het gebouwde, hij gedurende de bouw op diverse adressen verbleef en telkens moest verhuizen en voorts dat er zich gedurende de periode van de bouw gezinsuitbreiding en ziekenhuisopname van zijn echtgenote voordeed.

5. De Inspecteur betoogt dat geen sprake is van een causaal verband tussen enerzijds de verbouwing/bouw, en anderzijds de verhoging van de hypothecaire lening voor een hoger bedrag dan f 35.410,=, nu dat laatste bedrag representeert het totaal van de nota's welke ter zake van de bouw zijn betaald na de verhoging van de hypothecaire lening op 5 juni 2001.

6. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de verhoging van de hypothecaire lening betrekking heeft op de bouw van de eigen woning, c.q. op de verbouwing daarvan. Het hof acht op grond van hetgeen belanghebbende ter zake heeft aangevoerd en ter zitting heeft verklaard, aannemelijk dat hij de vooropgezette bedoeling had de bouw, respectievelijk verbouwing, van zijn woning uiteindelijk te financieren met een verhoging van de bestaande hypothecaire lening, en dat hij daaraan voorafgaande de kosten van de bouw/verbouwing heeft voorgefinancierd uit eigen middelen. Gesteld noch gebleken is dat de opbrengst van de verhoging van de hypothecaire lening is gebezigd voor enig ander doel dan ter aanvulling van het als gevolg van de voorfinanciering van de bouw verminderde spaargeld. Het hof verwerpt de stelling van de Inspecteur dat een lening geen element van terugwerkende kracht in zich kan dragen, welke stelling het hof aldus verstaat dat een hypothecaire lening welke is gesloten na de aankoop, bouw, of verbouwing van een eigen woning, in zijn algemeenheid geen causaal verband met die eigen woning kan hebben. Uitgaande van een en ander oordeelt het hof dat de verhoging van de hypothecaire lening met

f 200.000,= geheel is aan te merken als een schuld ter zake van de eigen woning, zodat de daarop betrekking hebbende rente aftrekbaar is van het inkomen uit werk en woning.

7. Gezien het voorgaande is het gelijk aan belanghebbende. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven en de aanslag dient te worden verlaagd tot een naar een verzamelinkomen en de daarin begrepen bestanddelen conform aangifte.

Het griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 31,-, te worden vergoed.

De proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op de reiskosten openbaar vervoer 2e klasse, ten bedrage van € 4,80.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door N. van Beelen, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2005.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 22 april 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.