Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6389

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
30-05-2005
Zaaknummer
02/00870
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In artikel 2, eerste lid, onderdeel a, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ is bepaald dat bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voorzover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen. De bewijslast dat sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond rust op belanghebbende. Gesteld noch gebleken is dat inkomsten en uitgaven met betrekking tot de grond als ondernemingsbaten en -lasten zijn opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting. Voorts heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij geen omzet in geld behaalt, maar dat groente en fruit in de vorm van ruilhandel onder meer aan vrienden en bekenden ten goede komt. Als voorbeeld heeft belanghebbende genoemd het meerijden met een kennis naar de Friese paardenshow, waarvoor de kennis als vergoeding wat fruit heeft ontvangen. Er vindt, aldus belanghebbende, geen onderhandeling plaats over de prijs.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voor zover belanghebbende voordeel behaalt door middel van de exploitatie van de onderhavige grond, dit voordeel niet wordt behaald in het economische verkeer, doch veeleer zijn oorsprong vindt in de persoonlijke sfeer. Hieruit volgt dat van een bedrijfsmatige exploitatie van de grond geen sprake is.

Het hof acht voorts voldoende aannemelijk dat met hetgeen belanghebbende aanvoert met betrekking tot het ontbreken van enkele nutsvoorzieningen - de onroerende zaak beschikt niet over een aansluiting op de riolering en heeft geen kabel - bij de waardebepaling reeds in voldoende mate rekening is gehouden. Het hof doet dit oordeel steunen op de in het taxatierapport neergelegde objectgegevens van de onroerende zaak en de referentie-objecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/00870

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente P (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak Aweg 1 te Y (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1999 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 april 2005 te Eindhoven. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, ter bijstand vergezeld van de heer A, alsmede, de verweerder.

Na de behandeling van de zaak heeft het hof heden, 15 april 2005, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden voor de beslissing

1. Bij voormelde beschikking heeft de verweerder de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 243.679,= en bij de bestreden uitspraak heeft hij deze waarde gehandhaafd.

2. Ingevolge art. 17, tweede lid, Wet WOZ moet de waarde van een onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 1999.

3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4. De verweerder, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op een taxatierapport en ter ondersteuning daarvan op de opbrengst behaald bij verkoop van enkele met de onroerende zaak vergeleken objecten (hierna: referentieobjecten). Het taxatierapport is voorzien van beeldmateriaal van zowel de onderhavige onroerende zaak als van de referentieobjecten. Ter ondersteuning van het taxatierapport heeft de verweerder een matrix betreffende de onroerende zaak en de referentieobjecten overgelegd.

5. Het hof heeft onvoldoende reden aan de betrouwbaarheid van het taxatierapport te twijfelen. Belanghebbende heeft zijn standpunt niet onderbouwd met een taxatierapport van een deskundige of andere bewijsmiddelen van gelijk gewicht.

6. Het hof acht aannemelijk de stellingen van de verweerder, dat hij bij de bepaling van de grondwaarde de gehanteerde staffels heeft getoetst aan de in de matrix vermelde transactiecijfers van referentieobjecten, dat nu het hanteren van een staffel slechts een hulpmiddel is bij het bepalen van de waarde van de onroerende zaak deze waarde niet te hoog is vastgesteld, mede gelet op de omstandigheid, dat de staffeling van de grond bij alle vergelijkbare objecten op een identieke wijze heeft plaatsgevonden en dat daarbij voor de grond in het buitengebied een lagere prijs is gehanteerd dan voor de grond in de bebouwde kom. Aldus heeft de verweerder naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt, dat de waarde van de onroerende zaak in zoverre niet te hoog is vastgesteld. Voorts overweegt het hof dat, waar belanghebbende stelt dat de gehanteerde grondprijs lager ligt dan de in 1999 geldende uitgifteprijs voor bouwgrond, die uitgifteprijs van de grond niet zonder meer als uitgangspunt kan worden genomen voor de waarde in het economisch verkeer van de grond.

7. In artikel 2, eerste lid, onderdeel a, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ is bepaald dat bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voorzover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen. De bewijslast dat sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond rust op belanghebbende. Gesteld noch gebleken is dat inkomsten en uitgaven met betrekking tot de grond als ondernemingsbaten en -lasten zijn opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting. Voorts heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij geen omzet in geld behaalt, maar dat groente en fruit in de vorm van ruilhandel onder meer aan vrienden en bekenden ten goede komt. Als voorbeeld heeft belanghebbende genoemd het meerijden met een kennis naar de Friese paardenshow, waarvoor de kennis als vergoeding wat fruit heeft ontvangen. Er vindt, aldus belanghebbende, geen onderhandeling plaats over de prijs.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voor zover belanghebbende voordeel behaalt door middel van de exploitatie van de onderhavige grond, dit voordeel niet wordt behaald in het economische verkeer, doch veeleer zijn oorsprong vindt in de persoonlijke sfeer. Hieruit volgt dat van een bedrijfsmatige exploitatie van de grond geen sprake is.

8. Het hof acht voorts voldoende aannemelijk dat met hetgeen belanghebbende aanvoert met betrekking tot het ontbreken van enkele nutsvoorzieningen - de onroerende zaak beschikt niet over een aansluiting op de riolering en heeft geen kabel - bij de waardebepaling reeds in voldoende mate rekening is gehouden. Het hof doet dit oordeel steunen op de in het taxatierapport neergelegde objectgegevens van de onroerende zaak en de referentie-objecten.

9. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot het oordeel dat het taxatierapport waarop de verweerder zich beroept op onjuiste uitgangspunten berust, zodat het er op grond hiervan voor moet worden gehouden dat de door de verweerder verdedigde waarde juist is.

De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van E. Woltman, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2005.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 29 april 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.