Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6386

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2005
Datum publicatie
30-05-2005
Zaaknummer
01/00754
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onroerende zaak-belasting - recreatieve 'woning'. Door belanghebbende is gesteld, en door de verweerder is niet, althans onvoldoende, weersproken, dat de verweerder permanente bewoning niet toestaat en dit ook niet gedoogt.

In zijn arrest van 13 februari 2004, nr. 38 598, gepubliceerd in BNB 2004/166, heeft de Hoge Raad aangegeven dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 221 van de Gemeentewet volgt dat de wetgever niet heeft bedoeld recreatieve woonschepen in de heffing van artikel 221 van de Gemeentewet te betrekken. Nu uit hetgeen in 4.2 is overwogen volgt dat permanente bewoning niet mogelijk is en ook niet wordt gedoogd, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat slechts recreatieve bewoning van de Marina mogelijk is. Dit impliceert dat de Marina een maatschappelijke functie heeft die niet vergelijkbaar is met die van een onroerende woning en de onderhavige aanslag roerende zaakbelasting dus niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/810
FutD 2005-1128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1. BELASTINGKAMER

Nr. 01/00754

2. HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

3. U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (Duitsland, hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de directeur van de sector bedrijfsmiddelen en organisatie van de gemeente Roermond (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de roerende-zaakbelastingen opgelegd naar een bedrag van ƒ 534,16, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de verweerder is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 60,= (€ 27,23). De verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de verweerder schriftelijk gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 november 2004 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de verweerder.

1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met vier bijlagen toegezonden aan het hof en aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het hof rekent deze pleitnota met vier bijlagen tot de stukken van het geding.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 221 van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad van de gemeente Roermond op 14 oktober 1999 besloten ten aanzien van het belastingjaar 2000 een "verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten" (hierna: de Verordening) vast te stellen . De Verordening luidt, voorzover hier van belang:

"Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik;

b. woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden;

c. bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte.

Artikel 2 Belastingplicht

1. Onder de naam "belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten" worden terzake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen geheven:

a. een gebruikersbelasting van degene die - naar de omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het kalenderjaar een ruimte al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht."

2.2. In het besluit van 16 november 1999, hetwelk is overgelegd als bijlage 2 bij het beroepschrift, maken Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond bekend dat in de Verordening de tarieven in vergelijking met de voor 1999 vastgestelde tarieven zijn gewijzigd en dat die wijzigingen vanaf 16 november 1999 zijn opgenomen in de Verzameling gemeentelijke regelgeving die ter inzage ligt bij voorlichting in de publiekshal van het stadhuis, hoek Markt-Swalmerstraat. Afschriften van deze besluiten zijn, tegen betaling van de verschuldigde leges, daar verkrijgbaar.

2.3. Op grond van de Verordening is aan belanghebbende een aanslag in de roerende-zaakbelastingen voor het jaar 2000 opgelegd.

2.4. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een drijvende Marina -Q1- (hierna: Marina), welke als woonruimte dient en duurzaam aan een plaats gebonden is en gelegen is in het vakantiepark Marina Q binnen de gemeentegrenzen van Roermond.

2.5. Belanghebbende woont en werkt in het onderhavige jaar in Y (Duitsland) en verblijft, niet permanent, ook in de onder 2.4 vermelde drijvende Marina.

2.6. Belanghebbende is niet ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (hierna: GBA) van de gemeente Roermond.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Dient de Marina tot permanente bewoning in de zin van artikel 1 van de Verordening?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende geen nieuwe argumenten aan zijn standpunt toegevoegd. De verweerder heeft nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Ik stel niet dat de Marina permanent wordt bewoond omdat dit niet van belang is. Als de mogelijkheid tot permanente bewoning bestaat dient de Marina ook tot permanente bewoning in de zin van de Verordening.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de onderhavige aanslag.

De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet is gebleken dat de Verordening op een wijze als bedoeld in artikel 139 van de Gemeentewet is bekendgemaakt. Het hof gaat hieraan echter voorbij aangezien de onderhavige aanslag, ervan uitgaande dat de Verordening op de daarbedoelde wijze zou zijn bekendgemaakt, moet worden vernietigd op andere hierna weergegeven gronden.

4.2. Door belanghebbende is gesteld, en door de verweerder is niet, althans onvoldoende, weersproken, dat de verweerder permanente bewoning niet toestaat en dit ook niet gedoogt.

4.3. In zijn arrest van 13 februari 2004, nr. 38 598, gepubliceerd in BNB 2004/166, heeft de Hoge Raad aangegeven dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 221 van de Gemeentewet volgt dat de wetgever niet heeft bedoeld recreatieve woonschepen in de heffing van artikel 221 van de Gemeentewet te betrekken. Nu uit hetgeen in 4.2 is overwogen volgt dat permanente bewoning niet mogelijk is en ook niet wordt gedoogd, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat slechts recreatieve bewoning van de Marina mogelijk is. Dit impliceert dat de Marina een maatschappelijke functie heeft die niet vergelijkbaar is met die van een onroerende woning en de onderhavige aanslag roerende zaakbelasting dus niet in stand kan blijven.

4.4. De verweerder heeft gesteld dat als de mogelijkheid tot permanente bewoning bestaat, de Marina ook tot permanente bewoning in de zin van de Verordening dient. Naar het oordeel van het hof geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu de Hoge Raad in zijn in 4.3 vermelde arrest in rechtsoverweging 3.3 heeft overwogen dat het feitelijk bruikbaar zijn voor permanente bewoning niet beslissend is.

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende, zodat dient te worden beslist als hierna vermeld.

5. Schadevergoeding

Belanghebbende verzoekt, zoals uit zijn pleitnota blijkt, om vergoeding van een bedrag van € 944,=, vanwege kosten die gemaakt zijn in de bezwaarfase. Aangezien het bezwaarschrift is ingediend voor 12 maart 2002, verstaat het hof dit als een verzoek om schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Nu het beroep gegrond is, het gevraagde bedrag het hof niet onredelijk voorkomt en de verweerder, voor het geval dat het hof haar op de voet van artikel 8.73 van de Awb zou veroordelen tot vergoeding van de schade die belanghebbende lijdt, de hoogte van dat bedrag niet heeft weersproken zodat de omvang van de geleden schade daarmee ten processe vaststaat, honoreert het hof dit verzoek van belanghebbende.

6. Het griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

7. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5(punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5(factor gewicht van de zaak) is € 1.207,50.

Alhoewel belanghebbende in zijn pleitnota verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten in de beroepsfase acht het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig om af te wijken van de vergoedingsregeling ex artikel 8:75 van de Awb juncto artikel 2, eerste lid, van het Besluit Proceskosten bestuursrecht.

8. Beslissing

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vernietigt de aanslag,

- veroordeelt de verweerder tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 944,=

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23 (ƒ 60,=),

- veroordeelt de verweerder in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.207,50, en

- wijst de gemeente Roermond aan als de rechtspersoon die de schadevergoeding, het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door N. van Beelen, voorzitter, A.J. van Soest en J.W. Zwemmer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 8 april 2005

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 8 april 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

2. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

3. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.