Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT5940

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
C0201317-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In dit geschil is de kernvraag, met wie [geïntimeerde] heeft gecontracteerd.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam, als wederpartij van die ander, is opgetreden dan wel als vertegenwoordiger van een derde, hangt af van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden (zie HR 11 maart 1977 NJ 1977,521). Bij persoonlijke ondertekening zonder verwijzing naar een andere partij namens wie is getekend, geldt persoonlijke gebondenheid, tenzij de in beginsel gebondene kan bewijzen dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat hij namens iemand anders handelde (vgl. conclusie OM bij HR 5 december 2003, NJ 2004, 506).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KD

rolnr. C0201317/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 19 april 2005,

gewezen in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant bij exploot van dagvaarding van

4 december 2002,

procureur: mr. A.T.L. van Zandvoort,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 5 september 2002 tussen appellant

- [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 49148/HA ZA

02-176)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 16 mei 2002.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van een productie de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

2.3. [appellant] heeft nog een akte genomen.

2.4. [appellant] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en partijen hebben uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Met zijn grieven heeft [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. [appellant] heeft twee maal een grief met II genummerd; het hof zal de tweede grief II als III aanmerken en de daarop volgende grieven verbeterd doornummeren.

4. De beoordeling

4.1. In r.o. 2 van het vonnis, waarvan beroep, heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze overweging is, behoudens het gestelde in grief I waarop het hof nader zal ingaan, niet bestreden. De door de rechtbank voor het overige vastgestelde feiten vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[geïntimeerde] ([geboortedatum]) heeft op 18 september 1999 aan [appellant] ([geboortedatum]) een bedrag van DM 10.000,-- contant ter hand gesteld om dat te beleggen in een industrieel project in Turkije. Daarvan is die dag een schriftelijk stuk in het Turks opgemaakt, blijkens de Nederlandse vertaling geheten "Opvraag Formulier Winstaandeel- Vennootschapscertificaat", dat is ondertekend door de "vennoot" [geïntimeerde] en de "vertegenwoordiger" [appellant] (producties bij brief van 21 mei 2002 ten behoeve van de comparitie van partijen bij de rechtbank). [geïntimeerde] heeft aangekruist dat hij de winstuitkering direct wenst te innen en dat hij zijn deelname opzegt.

De inleg zou na 24 maanden worden terugbetaald.

Uit een handgeschreven kwitantie d.d. 18 september 1999, ondertekend door [appellant] en iemand namens Jetpa Bureau Rotterdam - volgens [appellant]: [medewerker bureau] - blijkt dat Jetpa Bureau Rotterdam namens Jetpa Holding die dag een bedrag van DM 10.000,-- van [appellant] namens [geïntimeerde] in ontvangst heeft genomen.

Bij brief van 28 september 2001 heeft de raadsman van [geïntimeerde] [appellant] tevergeefs gesommeerd tot terugbetaling van de tegenwaarde in Nederlandse guldens van DM 10.000,--.

Bij besluit van het Landgericht van het Fürstentum Liechtenstein uit 2001 is Jetpa International Marketing and Trading AG i.L. te Schaan in staat van faillissement verklaard.

4.3.1. Bij exploot van 27 februari 2002 heeft [geïntimeerde] [appellant] gedagvaard tot betaling van E 5.887,34 (hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en rente) met wettelijke rente vanaf 23 februari 2002.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij is opgetreden als vertegenwoordiger van Jetpa en dat hij zich ook zo tegenover [geïntimeerde] heeft gepresenteerd, zodat hij niet met [geïntimeerde] heeft gecontracteerd en niet kan worden aangesproken voor terugbetaling van de inleg. Daarvoor zou [geïntimeerde] volgens [appellant] Jetpa AG moeten aanspreken, die helaas failliet is. [appellant] heeft een visitekaartje overgelegd dat zijn naam vermeldt als vertegenwoordiger van JETPA International Marketing and Trading GmbH met een adres in Rotterdam en een adres in Frankfurt am Main. Voorts heeft [appellant] een certificaat van deelneming d.d. 17 november 1999 overgelegd, gesteld ten name van [geïntimeerde] als "vennoot", dat (blijkens de in hoger beroep overgelegde Nederlandse vertaling) genaamd is: vennootschapsovereenkomst, en het opschrift draagt: JET-PA international marketing and trading AG. Dit stuk bevat, kort weergegeven, de verklaring dat het verzoek tot deelname van [geïntimeerde] is geaccepteerd en dat [geïntimeerde] met het gestorte bedrag "stille vennoot niet bestuurslid" is geworden. Voorts bevat het stuk de bevestiging dat de vennootschapsrelatie zal eindigen per 20 september 2001 en dat het bedrag dat aan [geïntimeerde] dan toekomt aan hem zal worden uitbetaald. Het stuk is met een firmastempel van Jetpa AG te Liechtenstein door een niet nader genoemde persoon ondertekend en bevat voorts een handtekening van de "vennoot". [geïntimeerde] heeft betwist dat dit zijn handtekening is.

4.3.2. Bij tussenvonnis van 16 mei 2002 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die op 2 juli 2002 is gehouden.

Daarna heeft de rechtbank in het eindvonnis van 5 september 2002 het verweer van [appellant] verworpen en de vordering van [geïntimeerde] tot een bedrag van E 5.113,-- met wettelijke rente vanaf 13 oktober 2001 toegewezen, onder afwijzing van de buitengerechteljke incassokosten, en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.4.1. In grief I maakt [appellant] bezwaar tegen de vaststelling door de rechtbank, dat [geïntimeerde] één keer een winstuitkering heeft ontvangen. Volgens [appellant] was dat twee keer, en wel een maal DM 64 en een maal DM 190.

Nu [geïntimeerde] deze stelling niet heeft betwist kan van de juistheid daarvan verder worden uitgegaan. Het hof leest de door de rechtbank vastgestelde feiten aldus verbeterd. Zulks leidt echter nog niet tot vernietiging van het vonnis, waarvan beroep.

4.4.2. In dit geschil is de kernvraag, met wie [geïntimeerde] heeft gecontracteerd.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam, als wederpartij van die ander, is opgetreden dan wel als vertegenwoordiger van een derde, hangt af van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden (zie HR 11 maart 1977 NJ 1977,521). Bij persoonlijke ondertekening zonder verwijzing naar een andere partij namens wie is getekend, geldt persoonlijke gebondenheid, tenzij de in beginsel gebondene kan bewijzen dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat hij namens iemand anders handelde (vgl. conclusie OM bij HR 5 december 2003, NJ 2004, 506).

In het onderhavige geval is uitgangspunt dat het formulier van 18 september 1999 alleen door [appellant] en [geïntimeerde] is ondertekend; de naam van Jetpa komt daarin niet voor. Dat [appellant] in dit stuk als "vertegenwoordiger" wordt aangeduid acht het hof niet doorslaggevend. In beginsel moet er mitsdien van worden uitgegaan dat de overeenkomst is gesloten tussen [geïntimeerde] en [appellant], en rust op [appellant] de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit [geïntimeerde] had moeten en kunnen afleiden dat [appellant] zich niet persoonlijk jegens hem verbond tot terugbetaling van de inleg na twee jaar, maar dat dat (een) Jetpa was.

4.4.3. In dat verband heeft [appellant] zich er in de eerste plaats op beroepen dat hij zich tegenover [geïntimeerde] heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger, en wel (kennelijk) van Jetpa GmbH te Frankfurt am Main (conclusie van antwoord sub 4 en 5 en productie A). Nu [appellant] echter ook heeft gesteld dat [geïntimeerde] blijkens het stuk van 17 november 1999 een overeenkomst heeft gesloten met Jetpa AG te Liechtenstein en bovendien dat het bedrag door [medewerker bureau] namens Jetpa Holding in ontvangst is genomen, kan deze stelling niet leiden tot de conclusie dat niet [appellant] maar Jetpa GmbH de contractspartij van [geïntimeerde] was.

Dat de vader van [geïntimeerde] zou weten dat [appellant] als vertegenwoordiger optrad voor Jetpa en dat [appellant] aan [geïntimeerde] brochures over Jetpa ter hand zou hebben gesteld doet evenmin terzake, aangezien daarmee niet is bewezen dat [geïntimeerde] wist dat hij een contractuele band aanging met Jetpa GmbH, Jetpa AG, of Jetpa Holding.

[appellant] heeft de brochures overigens, anders dan hij in de toelichting op grief II aankondigt, niet ter griffie van het hof gedeponeerd.

4.4.4. [appellant] heeft zich er voorts beroepen dat [geïntimeerde] heeft gecontracteerd met Jetpa AG, waartoe hij heeft gewezen op het deelnamecertificaat van 17 november 1999, dat inhoudt dat [geïntimeerde] als stille vennoot ging deelnemen in Jetpa AG.

[geïntimeerde] heeft betwist dat hij dit stuk heeft ondertekend, zodat op [appellant] de bewijslast rust dat de op dit stuk voorkomende handtekening inderdaad van [geïntimeerde] afkomstig is.

Ook als [appellant] in dat bewijs zou slagen, staat daarmee naar het oordeel van het hof echter nog niet vast dat [appellant] een contractuele relatie tot stand heeft gebracht tussen [geïntimeerde] en Jetpa AG. Nu [geïntimeerde] in september 1999 niet ouder dan 19 jaar was, het formulier van 18 september 1999 waarmee de overeenkomst werd gesloten alleen de naam van [appellant] en niet die van Jetpa vermeldt, en in de overeenkomst van 17 november 1999 geenszins duidelijk uiteen wordt gezet wat de inhoud is van de relatie die de "vennoot" aangaat met Jetpa AG, zou naar het oordeel van het hof ook vast moeten komen te staan dat [appellant] ofwel op 18 september 1999 ofwel op 17 november 1999 de rechtsverhouding op basis waarvan [geïntimeerde] aan hem een bedrag van DM 10.000,-- ter hand heeft gesteld, duidelijk aan [geïntimeerde] uiteen heeft gezet, zodanig dat [geïntimeerde] heeft begrepen dat hij een relatie aanging met Jetpa AG en wat daarvan de inhoud was. De bewijslast daarvan rust op [appellant].

[appellant] heeft echter niets van dat alles gesteld en heeft daarentegen gesteld dat hij tegenover [geïntimeerde] is opgetreden als vertegenwoordiger van Jetpa GmbH (en dat het geld is afgegeven aan Jetpa Holding).

De conclusie luidt derhalve dat [appellant] zijn verweer onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd zodat de gronden waarop dat verweer is gebaseerd niet zijn komen vast te staan. De rechtbank heeft dat verweer mitsdien terecht verworpen. Het bewijsaanbod van [appellant] in hoger beroep doet niet terzake en wordt door het hof derhalve gepasseerd.

4.5. Uit het vorenstaande blijkt dat alle aangevoerde grieven falen en niet kunnen leiden tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geintimeerde].

Het vonnis, waarvan beroep, zal mitsdien - wat er ook zij van het oordeel van de rechtbank in r.o. 5.8 over het tekortschieten van [appellant] - worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot op E 328 voor verschotten en E 632 voor salaris procureur, op de voet van het bepaalde in art. 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-van Dijken en De Klerk-Leenen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 19 april 2005.