Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT5747

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
C0300279/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 april 2004 in het hoger beroep van het door de rechtbank ´s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond op 11 december 2002 tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Wilhelmina als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie gewezen vonnis.

[appellante] is gedeeltelijk geslaagd in haar bewijsopdracht in zoverre genoegzaam in rechte is gebleken dat zij onheus is bejegend door (directe) collega´s in een periode dat zij gevoelig was na het verlies van haar vader. Echter zij is niet geslaagd in haar bewijsopdracht dat Wilhelmina terzake onvoldoende zou zijn opgetreden en geen serieuze reïntegratiepogingen heeft verricht. Zulks is wel degelijk het geval en het feit dat zij de laatst aangeboden functie heeft geweigerd dient voor haar rekening te blijven. Mitsdien komt het hof tot de conclusie dat bij afweging van het belang van Wilhelmina om met toestemming de dienstbetrekking te beëindigen tegenover het belang van [appellante] die toen een WAO-uitkering ontving, bij het behoud van haar werk bij Wilhelmina waar ze sinds 1979 werkzaam was en rekening houdende met alle omstandigheden van het geval het gegeven ontslag zonder toekenning van een financiële vergoeding niet als kennelijk onredelijk is aan te merken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2005/257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KD

rolnr. C0300279/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 22 februari 2005,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van

27 februari 2003,

procureur: mr. J.C. van Haarlem,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WILHELMINA TEXTIELDIENSTEN B.V.,

gevestigd te Helmond,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. M.J.G.A. van Gelder,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 april 2004 in het hoger beroep van het door de rechtbank ´s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond op 11 december 2002 tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Wilhelmina als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie gewezen vonnis.

6. Het tussenarrest van 20 april 2004

Bij genoemd arrest zijn [appellante] en Wilhelmina toegelaten tot bewijslevering en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

Ter uitvoering van voormeld tussenarrest hebben [appellante] en Wilhelmina getuigen doen horen, waarvan proces-verbaal is opgemaakt waarna Wilhelmina bij akte te kennen heeft gegeven geen voortzetting van enquête of contra-enquête te wensen.

Daarna hebben partijen de stukken overgelegd en andermaal uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. In genoemd tussenarrest werd [appellante] toegelaten te bewijzen dat er sprake is van een werkgerelateerde arbeidsongeschiktheid en dat Wilhelmina ernstig tekort is geschoten bij het oplossen van de problemen die [appellante] had met haar collega´s en ook ernstig tekort is geschoten bij de reïntegratie van [appellante] bij Wilhelmina.

Wilhelmina werd toegelaten te bewijzen dat zij aan [appellante] een passende functie heeft aangeboden als sorteerster op de vestiging Kanaaldijk te Helmond.

Aan de zijde van [appellante] zijn gehoord [appellante] als partij-getuige, en [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

De twee laatstgenoemden zijn tevens in enquête door Wilhelmina voorgebracht.

8.2. Uit de verklaringen van [appellante], [getuige 2] en [getuige3 ] in onderling verband bezien is in rechte komen vast te staan dat [appellante] na de eerste arbeidsongeschiktheidsperiode als gevolg van het overlijden van haar vader na terugkeer op het werk zich gepest en buitengesloten heeft gevoeld door het optreden van een aantal collega´s van de sorteerafdeling. Deze collega´s zijn overigens niet door [appellante] als getuigen voorgebracht. Zij heeft de pesterijen gemeld aan [getuige 2], die zelf verklaart dat hij heeft gehoord van [getuige 3] en [productieleider], productieleiders, dat er ruzie was tussen de dames op de afdeling. Nadat [appellante] zich in augustus 1999 weer ziek had gemeld in verband met pesterijen heeft de [getuige 2] haar op 2 september 1999 thuis bezocht en is door Wilhelmina voor haar werk gezocht op een andere afdeling, de inpakafdeling, op therapeutische basis voor vier uur per dag. Zij is daar op 8 november 1999 begonnen en verklaart dat het werk haar goed beviel en dat zij met de andere meisjes op die afdeling goed kon samenwerken. Na een paar weken is zij wederom uitgevallen vanwege pesterijen door dezelfde meisjes als voorheen (met uitzondering van [medewerkster 1] die bij Wilhelmina was vertrokken) en de [medewerker 1].

Op 16 februari 2000 is toen door [getuige 2] een gesprek tussen de direct betrokkenen gearrangeerd teneinde de onderlinge problemen uit te spreken en op te lossen. Dat gesprek liep uit op een scheldpartij over en weer.

Vervolgens zijn aan [appellante] sorteerwerkzaamheden aangeboden op de vestiging Kanaaldijk te Helmond. Het aangeboden werk bestond aldaar uit het sorteren van vieze poetsdoeken en het uitpakken van snelwissers. Volgens [appellante] zou zij tevens zware matten tot 30 kg hebben moeten tillen.

[getuige 2] verklaart daaromtrent dat de zwaarste matten tot 15 kg kunnen wegen, doch dat die werkzaamheden alléén door mannen worden gedaan. [appellante] diende vuile poetsdoeken uit kliko´s te sorteren en plastic zakjes met ± 50 poetsdoeken te sorteren. Daarnaast moest zij snelwissers uitpakken.

[getuige 3] verklaart dat het in- en uitpakken van snelwissers en het sorteren van poetsdoeken vergelijkbaar is met het werk op de Ringdijk en dat het tillen van de matten een zware belasting is.

[getuige 1], die door [appellante] is voorgebracht, verklaart over de situatie tot september/oktober 1999 dat hij wel eens een meisje op de Kanaaldijk heeft zien werken, maar die moest de snelwissers uitpakken en inpakken en dus niet zware matten tillen. Het betreffen winkelmatten tot een gewicht van rond de 10 kg.

Niet is komen vast te staan dat [appellante] in de vestiging aan de Kanaaldijk zou zijn belast met tilwerkzaamheden van zware matten, aangezien haar verklaring alleen staat tegenover voornoemde verklaringen van [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 1].

8.3. Het hof komt op basis van voornoemde getuigenverklaringen in verband met de als productie 1 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte verklaring van 22 februari 2002 van [arts], tot het volgende oordeel.

[appellante] is in een voor haar kwetsbare periode waarin zij leed aan depressieve klachten tengevolge van het overlijden van haar vader door enkele collega´s op haar werk op zijn minst genomen onfatsoenlijk behandeld. De als gevolg daarvan optredende arbeidsongeschiktheid was dus deels werk gerelateerd. Wilhelmina heeft na melding door [appellante] van haar klachten evenwel als werkgever adequaat gereageerd door met [appellante] thuis te spreken over de aard van de problemen, vervolgens haar over te plaatsen naar de inpakafdeling op therapeutische basis en toen zij daarna wederom uitviel in verband met dezelfde pesterijen van haar voormalige directe collega´s onder leiding van de [getuige 2] te pogen de problemen in een gesprek op te lossen, hetgeen is mislukt.

Vervolgens heeft Wilhelmina aan [appellante] een functie op de sorteerafdeling op een vestiging aan de Kanaaldijk aangeboden. Niet is in rechte komen vast te staan dat [appellante] aldaar zware tilwerkzaamheden van matten diende uit te voeren, zodat het hof het aangeboden werk als passend aanmerkt. Wilhelmina is in dat onderdeel van de bewijslevering geslaagd.

8.4. [appellante] is, zo moet worden geconcludeerd, gedeeltelijk geslaagd in haar bewijsopdracht in zoverre genoegzaam in rechte is gebleken dat zij onheus is bejegend door (directe) collega´s in een periode dat zij gevoelig was na het verlies van haar vader. Echter zij is niet geslaagd in haar bewijsopdracht dat Wilhelmina terzake onvoldoende zou zijn opgetreden en geen serieuze reïntegratiepogingen heeft verricht. Zulks is wel degelijk het geval en het feit dat zij de laatst aangeboden functie heeft geweigerd dient voor haar rekening te blijven.

Mitsdien komt het hof tot de conclusie dat bij afweging van het belang van Wilhelmina om met toestemming de dienstbetrekking te beëindigen tegenover het belang van [appellante] die toen een WAO-uitkering ontving, bij het behoud van haar werk bij Wilhelmina waar ze sinds 1979 werkzaam was en rekening houdende met alle omstandigheden van het geval het gegeven ontslag zonder toekenning van een financiële vergoeding niet als kennelijk onredelijk is aan te merken.

8.5. De grieven worden mitsdien verworpen en het vonnis waarvan beroep kan in conventie worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep. Aangezien [appellante] gedeeltelijk in haar bewijsopdracht is geslaagd ziet het hof aanleiding de proceskosten te matigen.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis voorzover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Wilhelmina in hoger beroep tot op heden begroot op E. 205,-- wegens verschotten en op E. 3.262,-- wegens salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Waaijers en Grapperhaus en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 februari 2005 en ondertekend door de griffier en de rolraadsheer.