Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT5298

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2005
Datum publicatie
10-05-2005
Zaaknummer
20-004348-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004348-04

Uitspraak : 3 mei 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 8 november 2004 in de strafzaak met parketnummer 02-001799-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Kaapverdië) op [geboortedatum] 1968,

thans verblijvende in PI Z-O, Evertsoord Ter Peel, GEV te Evertsoord.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 12 juni 2004 te Hazeldonk, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, 59,986 kilogram (inclusief verpakkingsmateriaal) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte zich op het standpunt gesteld, niet te hebben geweten dat zich cocaïne bevond in de auto, waarin zij op 12 juni 2004 Nederland is binnengekomen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Na haar aanhouding is de verdachte een aantal malen verhoord door de politie, daarna door de rechter-commissaris en tenslotte ter terechtzitting van de rechtbank en van het hof.

Bij gelegenheid van die verhoren heeft zij op een aantal onderdelen haar verklaring gewijzigd.

Verdachte heeft verklaard, dat zij op 12 juni 2004 per vliegtuig van Kaapverdië via Portugal naar Parijs is gereisd.

Aanvankelijk heeft zij nopens het doel van die reis verklaard, dat zij een bezoek van een week aan Parijs wilde brengen. Op dat vliegveld is zij in contact met haar latere [mededader] gekomen en is zij met deze aan de praat geraakt, waarbij naar voren is gekomen dat hij die dag per auto naar Rotterdam zou gaan. Omdat zij met hem kosteloos zou kunnen meerijden, heeft zij besloten niet Parijs te gaan bezoeken maar Rotterdam, waar twee nichtjes van haar woonachtig waren.

Zoals hieronder nader weergegeven, heeft zij echter later verklaard dat dat familiebezoek van meet af aan het doel van haar reis is geweest.

Aanvankelijk heeft zij voorts verklaard, dat zij bij haar vertrek werd benaderd door een man met het verzoek om een koffer mee te nemen naar Nederland. Later heeft zij verklaard, dat een vrouw haar had verzocht om een koffer mee naar Frankrijk te nemen, dat zij wel vaker koffers voor andere mensen meeneemt en dat zij vaker zonder (het hof begrijpt: eigen) bagage reist.

Ter terechtzitting heeft zij tenslotte verklaard, dat zij in het geheel geen koffer voor een ander heeft meegenomen; de tolk zou haar verklaring verkeerd vertaald hebben.

Nopens het contact met haar mededader heeft de verdachte aanvankelijk verklaard, dat zij in het vliegtuig naar Parijs met een vrouw aan de praat is geraakt over haar voorgenomen bezoek aan Parijs. In die stad aangekomen heeft die vrouw haar op het vliegveld voorgesteld aan [mededader], tegenover wie zij het gesprek op Rotterdam zou hebben gebracht.

Dienaangaande heeft de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank en van het hof echter verklaard, dat zij in Spanje in een discotheek een man heeft ontmoet met wie zij bevriend is geraakt. Zij heeft die man verteld dat zij haar nichtjes in Rotterdam wilde gaan bezoeken en daarna voor haar werk naar Spanje zou terugkeren. Die man heeft [mededader] opgebeld met het verzoek om haar van Parijs naar Nederland te brengen. In een telefonisch contact met deze heeft de verdachte aan hem doorgegeven, wanneer zij in Parijs zou aankomen en aan welke kleding hij haar, die hij immers nog nooit had gezien, zou kunnen herkennen.

Ten aanzien van de onderhavige reis heeft de verdachte tot aan de zitting van de eerste rechter verklaard, dat zij na de ontmoeting met [mededader] bij hem in de auto is gestapt en direct op weg naar Nederland is gegaan. Daarbij heeft zij benadrukt dat zij absoluut niet eerst met hem naar diens huis is gereden.

Ter terechtzitting heeft zij daarentegen verklaard dat zij wel met hem mee naar huis is gegaan, dat zij daar met zijn vriendin kennis heeft gemaakt en nog met een andere vrouw en dat zij nog gezamenlijk uit eten zijn gegaan, voordat [mededader] en zij naar Nederland zijn vertrokken.

Ter terechtzitting in hoger beroep met deze tegenstrijdigheden geconfronteerd, heeft de verdachte te kennen gegeven, dat zij tegenover de politie uit angst niet naar waarheid heeft verklaard.

Het hof acht zulks geen aannemelijke uitleg.

Niet alleen is verdachte immers het antwoord schuldig gebleven op de vraag, waardoor die angst zou zijn veroorzaakt, maar ook valt geenszins in te zien waarom er voor het afleggen van haar latere verklaringen meer reden bestond bevreesd te zijn dan voor het afleggen van haar aanvankelijke verklaringen.

Het hof moet vaststellen, dat -gezien ook de inhoud van de in het dossier liggende verklaringen van [mededader]- geen volledige duidelijkheid is kunnen ontstaan over het verloop van de gebeurtenissen, die aan verdachtes arrestatie zijn voorafgegaan.

Gelet evenwel op haar wisselende verklaringen als bovenbedoeld en het uitblijven van een aannemelijke verklaring daarvoor, kan het hof geen geloof hechten aan haar in hoofde dezer overweging weergegeven standpunt en is het tot de slotsom gekomen dat het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet anders kan dan dat zij opzettelijk met een ander de in de bewezenverklaring genoemde drugs Nederland heeft binnengebracht.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid van de Opiumwet.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 27 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. Rijken, voorzitter,

mrs. Bergkotte en Mooy, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Regina, griffier,

en op 3 mei 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.