Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT3377

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2005
Datum publicatie
08-04-2005
Zaaknummer
R200400576
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AU9241
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AU9241
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Essentie: pensioenverweer

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid inzicht gegeven in de opbouw van de pensioenrechten.

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof tegenover de betwisting door de man onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat de situatie die is voorzien bij artikel 1:153 lid 1 BW zich in het onderhavige geval voordoet.

De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 99
Burgerlijk Wetboek Boek 1 153
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 32
Burgerlijk Wetboek Boek 3 178
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2005/47 met annotatie van B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2005

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400576

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[Naam appellante],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeenteplaats],

appellante,

de vrouw,

procureur mr. L.P.M. van Erp,

t e g e n

[Naam geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de man,

procureur mr. L.R.G.M. Spronken.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 16 juni 2004 door de rechtbank te Maastricht tussen partijen gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 juli 2004, heeft de vrouw verzocht, verkort weergegeven, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen.

Verder heeft de vrouw verzocht de bij de bestreden beschikking gegeven uitvoerbaarverklaring bij voorraad ten aanzien van de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap te schorsen en wenst zij ontslagen te worden van verplichte procesvertegenwoordiging.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 oktober 2004, heeft de man de verzoeken van de vrouw bestreden.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2005.

Bij die gelegenheid zijn partijen, de procureur van de vrouw en de advocaat van de man gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- twee op 18 februari 2005 door de procureur van de vrouw per telefax toegezonden brieven.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

Schorsing

4.1. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is tevens beslist op de door de man verzochte nevenvoorziening (verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen). Het bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het bevel tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen is niet eerder van kracht dan na de ontbinding van het huwelijk van partijen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Die inschrijving heeft nog niet kunnen plaatsvinden door het tegen de echtscheiding gerichte hoger beroep van de vrouw.

Bij schorsing van de bij de bestreden beschikking gegeven beslissing op de nevenvoorziening heeft de vrouw dan ook geen belang. Dit verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

Verplichte procesvertegenwoordig

4.2. Namens de vrouw heeft mr. L.P.M. van Erp zich in hoger beroep als procureur gesteld. Deze heeft namens de vrouw proceshandelingen verricht en is ook samen met haar ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verschenen en gehoord. De vrouw heeft ter zitting haar eigen belangen kunnen behartigen en heeft ook overigens geen belang bij haar verzoek te worden ontslagen van verplichte procesvertegenwoordiging, zodat reeds op die grond dat verzoek dient te worden afgewezen.

Echtscheiding

4.3. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat weliswaar medio 2002 bij hem de ziekte van Non-Hodgkin is vastgesteld, maar dat er geen sprake van is dat hij terminaal ziek is, zoals door de vrouw in de procedure is gesteld en dat, anders dan de vrouw veronderstelt, hij volledig in staat is zijn wil te bepalen, hetgeen ook naar voren is gekomen uit een recent door hem ondergane keuring, verricht door een psycholoog. De vrouw heeft een en ander daarna niet langer betwist. Zij heeft weliswaar gesteld dat de man lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis, maar zij heeft die stelling niet met bescheiden onderbouwd.

Een specifiek op deze stelling gericht bewijsaanbod heeft zij niet gedaan.

Bovendien kan, anders dan de vrouw kennelijk veronderstelt, op grond van een persoonlijkheidsstoornis niet zonder meer worden aangenomen, dat degene die daaraan lijdt enkel om die reden niet in staat is in vrijheid zijn wil te bepalen ten aanzien van de echtscheiding en de consequenties van zijn handelen te overzien.

4.4. Partijen leven thans al geruime tijd gescheiden. De man heeft onbetwist gesteld dat zij vanaf augustus 2003 zelfs niet meer met elkaar hebben gesproken.

De man, die inmiddels een nieuwe relatie heeft, heeft tijdens de mondelinge behandeling met stelligheid verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij de samenleving met de vrouw, die naar zijn stelling eveneens een nieuwe relatie heeft, onder geen beding wenst te hervatten en hij dus blijft bij zijn beslissing om van haar te scheiden.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij tot op heden geen enkele poging in het werk gesteld heeft om de feitelijke huwelijksbetrekking te herstellen en voorts ook geen pogingen in het werk zal stellen die kunnen leiden tot herstel van enigszins normale echtelijke betrekkingen tussen partijen, alsmede, dat zij inziet dat zo'n herstel zonder die pogingen zeker niet tot stand zal komen.

Derhalve dient het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht te worden aangemerkt.

Pensioenverweer

4.5. Krachtens het bepaalde bij artikel 1:153 lid 1 BW kan, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide partijen billijk is te achten.

De vrouw doet een beroep op deze bepaling.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling inzicht gegeven in de opbouw van de pensioenrechten. De eerste vijf jaren van het huwelijk van partijen heeft de man in loondienst gewerkt. De tijdens die dienstbetrekking opgebouwde pensioenrechten zijn afgekocht. Daarna heeft de man ongeveer tien jaren elders in loondienst gewerkt. De tijdens dat dienstverband opgebouwde pensioenrechten zijn ondergebracht bij Nationale Nederlanden. Deze komen volgens de man voor verevening in aanmerking in die zin dat ieder van partijen aanspraak heeft op de helft ervan. De fiscale oudedagsreserve die is opgebouwd binnen de onderneming van partijen (FOR-dotaties) komen volgens de man op dezelfde wijze voor verevening in aanmerking. Voorts zijn er in totaal zes koopsompolissen gekocht. Daarvan kan volgens de man de afkoopwaarde worden vastgesteld. In het kader van verevening heeft ieder van partijen een aanspraak van 50% op de totale waarde van de koopsompolissen. Tenslotte zijn het bedrijfspand, de echtelijke woning en een woning die partijen voor hun dochter hebben gekocht, ook als pensioenvoorziening bedoeld. Die panden kunnen volgens de man worden getaxeerd, waarna ieder van partijen in het kader van verevening aanspraak heeft op de helft van de getaxeerde waarde.

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof tegenover de betwisting door de man onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat de situatie die is voorzien bij artikel 1:153 lid 1 BW zich in het onderhavige geval voordoet. Haar daarop betrekking hebbende grief treft derhalve geen doel.

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

4.6. Partijen zijn verdeeld met betrekking tot de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap. Volgens de vrouw is deze veel groter dan de man stelt. Zij gaat er van uit dat de man over vermogen op bankrekeningen beschikt dat tijdens het huwelijk van partijen is opgebouwd en waarvan zij tot voor kort het bestaan niet kende, alsmede, dat de man eigenaar is van een riant appartement in [plaatsnaam] en een woning in [naam land]. De man heeft dat alles met klem ontkend. Hij heeft zich bereid verklaard de vrouw een machtiging te geven waarmee de vrouw zich tot de door haar bedoelde bankinstellingen kan wenden om inzage te krijgen in alle bankrekeningen van de man.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat eerst moet worden onderzocht al hetgeen zij met betrekking tot de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap vermoedt, alvorens het bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap kan worden gegeven. Deze opvatting is naar het oordeel van het hof niet juist. Door het eindigen van het huwelijk wordt ingevolge artikel 1:99 lid 1 BW de gemeenschap van rechtswege ontbonden. Krachtens artikel 827 eerste lid onder b Rv kan als nevenvoorziening ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken

- hetgeen zich in casu voordoet - verzocht worden de verdeling van die ontbonden huwelijksgemeenschap te bevelen. Daaraan doet niet af dat partijen het (nog) niet eens zijn over de omvang van die ontbonden huwelijksgemeenschap. Die meningsverschillen dienen aan de orde te komen bij de vaststelling van die verdeling zelve en staan het geven van een bevel tot medewerking aan die verdeling niet in de weg.

Dat de verdeling dient plaats te vinden ten overstaan van een notaris, lijkt onvermijdelijk, nu de vrouw vooralsnog haar medewerking aan een verdeling in der minne niet wil verlenen. In ieder geval staat vast dat de vrouw tot op heden zelf nog geen voorstel met betrekking tot de verdeling heeft gedaan en dat zij de voorstellen van de man niet aanvaardbaar vindt.

Conclusie

4.7. Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank terecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft zij evenzeer terecht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen ten overstaan van een notaris bevolen.

Niets van hetgeen de vrouw overigens nog in haar beroepschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, rechtvaardigt andere beslissingen.

De grieven falen dan ook en de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

Proceskosten

4.8. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de op 16 juni 2004 door de rechtbank te Maastricht tussen partijen gegeven beschikking;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af met anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Koens, Kranenburg en Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 maart 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.