Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT3136

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
20-006150-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring houdt onder meer in dat hij bekend was met de destijds aanwezige wegsituatie (zoals beschreven sub i), dat hij wist dat zijn trekker een "dode hoek" had, dat hij het voornemen had om (kort) na het aansluitingspunt met zijn trekker met oplegger van de middelste rijstrook naar de meest rechtse rijstrook te gaan en dat hij nog vóór het aansluitingspunt, door de rechterportierruit kijkende, verkeer heeft zien rijden op de verbindingsweg van de A-17. Onder die omstandigheden mocht van de verdachte, een beroepsvrachtauto-bestuurder, worden verwacht, dat hij met de mogelijkheid zou rekenen, dat een voertuig vanaf de A-17 op of na het aansluitingspunt terecht zou komen ongeveer tegelijkertijd met hem, verdachte, en wel op een plaats in de "dode hoek", hetgeen ook is gebleken te zijn gebeurd. Ter terechtzitting is door verdachte aangevoerd, noch overigens aannemelijk geworden, dat er voor hem beletselen bestonden om het hierboven sub ii vermelde verkeer, op weg naar het aansluitingspunt, in het oog te (blijven) houden.

Nu de verdachte zulks blijkens zijn eigen verklaring echter niet heeft gedaan en ook daadwerkelijk een voertuig (de Opel Vectra) daar is terecht gekomen, is niet aannemelijk is geworden dat hij bij het wisselen van rijstrook de maximale van hem te vergen zorg heeft betracht. Dat brengt mee dat niet gezegd kan worden, dat verdachte terzake van het daarbij niet laten voorgaan van het op de rechter rijstrook rijdende voertuig, redelijkerwijs niet een verwijt kan worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 54
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 92
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 177
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 144
Jwr 2005/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-006150-04

Uitspraak dd.: 17 maart 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter Bergen op Zoom van

21 oktober 2004 in de strafzaak met parketnummer 02-700461-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd en verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 500,= subsidiair 10 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden voorwaardelijk met 2 jaar proeftijd en met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingehouden is geweest.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal reeds worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat: PRO MEMORIE

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 augustus 2003 te Moerdijk, als bestuurder van een motorvoertuig (trekker met oplegger) op de voor het verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, van rijstrook is gewisseld, immers van de middelste rijstrook van de door hem bereden rijbaan van die weg (richting Dordrecht) naar de rechterrijstrook van voormelde rijbaan is gereden zonder de bestuurder van een op die rechterrijstrook rijdend motorvoertuig (personenauto, Opel) voor te laten gaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan in het geval van aanvulling van het arrest vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering; in dat geval wordt deze aanvulling aan het arrest gehecht.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 54 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en strafbaar gesteld bij artikel 92, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 juncto artikel 177, eerste lid onder d, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Namens de verdachte heeft zijn raadsvrouw ten verweer betoogd, dat de verdachte wegens afwezigheid van alle schuld moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd hetgeen de kantonrechter in het bestreden vonnis aan haar dienovereenkomstige beslissing heeft ten grondslag gelegd.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Verdachte reed als bestuurder van een trekker met oplegger over de rijksweg A-16 in de gemeente Moerdijk, komende uit de richting Breda en gaande in de richting Dordrecht.

Ter plaatse bestond de rijbaan uit twee rijstroken; de verdachte bereed daarvan de rechter rijstrook.

Tussen de hectometerpalen 47.0 en 46.6 sloot een verbindingsweg van de rijksweg A-17 aan bij de A-16. Op die plaats, hierna te noemen: aansluitingspunt, ging die verbindingsweg een derde (meest rechtse) rijstrook van de A-16 vormen.

Op ruim 122 meter na het aansluitingspunt heeft de verdachte zijn voertuig, rijdend met een snelheid van omstreeks 80 kilometer per uur, vanaf de door hem bereden (en inmiddels dus middelste) rijstrook gestuurd naar de meest rechtse rijstrook. Daarbij is dat voertuig in botsing gekomen met een over die rijstrook rechts inhalende personenauto, merk Opel.

Verdachte heeft verklaard, dat hij alvorens van rijstrook te wisselen tot tweemaal toe in zijn rechterspiegels heeft gekeken en dat hij daarbij die personenauto in het geheel niet heeft gezien.

De bestuurder van de Opel heeft verklaard, dat hij via de verbindingsweg van de A-17 de A-16 is opgereden, dat hij bij het aansluitingspunt ter hoogte van de trekker reed en dat de snelheid van zijn personenauto iets hoger was dan die van de vrachtwagen.

Blijkens het proces-verbaal van Forensisch Technisch Onderzoek was de personenauto geheel aan het zicht (via zijspiegels) van de vrachtautobestuurder onttrokken, zodra de voorzijde van de personenauto zich ter hoogte van de voorzijde van de trekker bevond; deze toestand duurde voort totdat de voorzijde van de personenauto zich op een afstand van 3.10 meter voorbij de voorzijde van de trekker zou bevinden.

Als gevolg van de zitpositie van de bestuurder en de hoogte van de trekker was de personenauto gedurende die periode ook door de voorruit of de rechterportierruit van de vrachtauto voor de bestuurder daarvan niet zichtbaar.

ii.

De door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring houdt onder meer in dat hij bekend was met de destijds aanwezige wegsituatie (zoals beschreven sub i), dat hij wist dat zijn trekker een "dode hoek" had, dat hij het voornemen had om (kort) na het aansluitingspunt met zijn trekker met oplegger van de middelste rijstrook naar de meest rechtse rijstrook te gaan en dat hij nog vóór het aansluitingspunt, door de rechterportierruit kijkende, verkeer heeft zien rijden op de verbindingsweg van de A-17.

iii.

Onder die omstandigheden mocht van de verdachte, een beroepsvrachtauto-bestuurder, worden verwacht, dat hij met de mogelijkheid zou rekenen, dat een voertuig vanaf de A-17 op of na het aansluitingspunt terecht zou komen ongeveer tegelijkertijd met hem, verdachte, en wel op een plaats in de "dode hoek", hetgeen ook is gebleken te zijn gebeurd.

iv.

Ter terechtzitting is door verdachte aangevoerd, noch overigens aannemelijk geworden, dat er voor hem beletselen bestonden om het hierboven sub ii vermelde verkeer, op weg naar het aansluitingspunt, in het oog te (blijven) houden.

v.

Nu de verdachte zulks blijkens zijn eigen verklaring echter niet heeft gedaan en ook daadwerkelijk een voertuig (de Opel Vectra) daar is terecht gekomen, is niet aannemelijk is geworden dat hij bij het wisselen van rijstrook de maximale van hem te vergen zorg heeft betracht. Dat brengt mee dat niet gezegd kan worden, dat verdachte terzake van het daarbij niet laten voorgaan van het op de rechter rijstrook rijdende voertuig, redelijkerwijs niet een verwijt kan worden gemaakt.

vi.

Het hof wijst het beroep op afwezigheid van alle schuld van de hand.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof acht oplegging van een geldboete van na te melden hoogte, passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, 54 en 92 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

"Het als bestuurder uitvoeren van een bijzondere manoeuvre, zonder daarbij het overige verkeer voor te laten gaan in de zin van artikel 54 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr Bergkotte, voorzitter,

mrs Rijken en Mooy, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Van Zandbeek, griffier,

en op 17 maart 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

- 5 - 20-006150-04