Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT2758

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
C0200935/HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Documentair krediet en derdenbeslag. Beslag op tussenrekening mogelijk?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475h
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 235
JOR 2005/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. C0200935/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

derde kamer, van 29 maart 2005,

gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

appellante bij exploot van dagvaarding van 26 juli 2002,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid POINT BREAK EUROPE B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde bij voormeld exploot,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 3 juli 2002 tussen appellante

- Van Lanschot - als gedaagde en geïntimeerde - Point Break - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 56445/HA ZA 00-1901)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, aan partijen genoegzaam bekend.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Van Lanschot vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van Point Break in haar vorderingen althans deze te ontzeggen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Point Break de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uit-spraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar voormelde memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 2.1.1 t/m 2.1.3 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. In haar inleiding op de grieven stelt Van Lanschot (MvG sub 5) dat de rechtbank op een belangrijke uitzondering na, te weten dat op 3 oktober 1996 de beslaglegging nogmaals op dezelfde wijze en bij dezelfde kantoren heeft plaatsgevonden, de feiten juist heeft weergegeven. Van Lanschot ziet er expliciet vanaf daartegen een grief te richten, omdat dat voor haar uiteindelijk geen positieve juridische consequenties heeft (MvG sub 6). Point Break bevestigt (zie MvA sub 2.3) dat zij zowel op 2 oktober 1996 als op 3 oktober 1996 onder Van Lanschot conservatoir derdenbeslag heeft gelegd en daarom zal ook het hof daarvan uitgaan. Voor het overige worden de door de rechtbank vastgestelde feiten tot uitgangspunt genomen.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.1. Point Break heeft in 1996 van Good Fortune Asia Ltd., gevestigd te Hong Kong (hierna: GFA), kleding gekocht en afgenomen. Op verzoek van Point Break heeft haar bank, ABN AMRO, voor de betaling van de koopsom een documentair krediet geopend ten behoeve van GFA. GFA heeft de documenten, waarmee de kleding geleverd zou worden, aan haar bank, Van Lanschot, filiaal Roosendaal, gezonden. Van Lanschot heeft de documenten op 27 september 1996 aangeboden aan ABN AMRO. ABN AMRO heeft de documenten in orde bevonden en op 2 oktober 1996 opdracht gegeven tot betaling van f 185.550,40 aan GFA op haar bankrekening bij Van Lanschot. Deze betaling is door Van Lanschot geboekt op tussenrekening 22.55.90.190 (filiaal Breda) op naam van Van Lanschot. Naar Van Lanschot stelt (MvG sub 6) is dit bedrag eerst op 3 oktober 1996 op voormelde rekening ontvangen.

4.2.2. Na op 1 oktober 1996 verkregen verlof (zie prod. 2 CvA) heeft Point Break op 2 oktober 1996 om 15.10 uur (zie prod. 1 CvE), ten laste van GFA conservatoir derdenbeslag gelegd onder Van Lanschot (filiaal Roosendaal) op alle gelden en vorderingen, die Van Lanschot onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, meer speciaal doch niet uitsluitend daartoe beperkt op rek. no. 63.72.58.762, zulks ter verzekering van een vordering van Point Break op GFA wegens tekortkomingen in de door haar geleverde kleding. Voorts heeft Point Break op 2 oktober 1996 om 15.25 uur (prod. 2 CvE) ten laste van GFA conservatoir derdenbeslag laten leggen onder Van Lanschot (filiaal Breda) op voornoemde tussenrekening, waarop de betaling van de koopsom bij Van Lanschot is binnengekomen. Op 3 oktober 1996 heeft Point Break nogmaals op beide rekeningen conservatoir derdenbeslag laten leggen (daarvan zijn geen stukken overgelegd).

4.2.3. Van Lanschot heeft op 25 oktober 1996 verklaringen derdenbeslag afgelegd. Van Lanschot heeft op de daartoe bestemde formulieren (zie prod. 3 en 4 CvE) aangegeven dat er tussen haar en GFA geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan GFA op het tijdstip van het beslag nog iets van Van Lanschot te vorderen had.

4.2.4. Op 12 december 1996 schrijft de raadsman van Point Break aan Van Lanschot (prod. 5 CvE):

"Hiermee bevestig ik voor de goede orde het telefoongesprek dat wij op 11 december jl. voerden. Wij spraken over de op de 2 en 3 oktober 1996 ten behoeve van cliënte, Pointbreak Europe B.V., (..) gelegde beslagen ten laste van de vennootschap naar het recht van Hong Kong Good Fortune Asia Ltd. In uw verklaringen van 25 oktober 1996 heeft u aangegeven "dat er tussen de ondergetekende en de schuldenaar geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.".

Deze verklaring is hoe dan ook onjuist. U heeft zelf aangegeven dat Good Fortune Asia wel degelijk een rekening heeft lopen bij Van Lanschot. Voorts heeft u echter aangegeven dat op deze rekening geen tegoeden stonden. U had derhalve aan moeten geven dat er een rekening courant overeenkomst bestond met Good Fortune Asia. Indien er geen positief saldo aanwezig was had u dit eveneens aan moeten geven.

Het grootste probleem ligt op een ander vlak. Behalve op het rekeningnummer van Good Fortune Asia te Roosendaal (63.72.58.762) heeft cliënte beslag laten leggen op rekeningnummer 22.55.90.109 bij Van Lanschot te Breda. Dit is een zogenaamde tussenrekening van Van Lanschot. Indien u het exploit van beslaglegging van 2 oktober 1996 goed leest dan ziet u dat er beslag is gelegd "op alle gelden, vorderingen, geldswaarden en/of roerende zaken die geen regist(er; hof)goederen zijn, meer speciaal op rekeningnummer 22.55.90.190, die de derdenbeslagene onder zich heeft (...) ten behoeve van beslagene voornoemd, (...)". Dit betekent dat indien er op de momenten dat beslag is gelegd op deze tussenrekening een bedrag ten behoeve van Good Fortune Asia heeft gestaan, het beslag wel degelijk doel heeft getroffen. (...) Het beslag zou volgens u geen doel hebben getroffen omdat de tussenrekening niet op naam van Good Fortune Asia staat.

Bij deze zeg ik u nu vast aan dat in het geval cliënte een executoriale titel tegen Good Fortune Asia krijgt op grond van de door haar bij de rechtbank Den Haag aangevangen gerechtelijke procedure, de verklaring van Van Lanschot d.d. 25 oktober 1996 in rechte betwist zal worden ex art. 723 jo. 477a Rv, (...)"

4.2.5. Point Break heeft het beslag vervolgd voor de rechtbank te 's-Gravenhage. Bij vonnis van 7 juni 2000 is GFA onder meer veroordeeld om aan Point Break te voldoen een bedrag in hoofdsom van f 134.066,08. Dit vonnis is op 9 augustus 2000 aan GFA betekend en op 16 augustus 2000 aan Van Lanschot (beide filialen).

4.2.6. Bij dagvaarding van 14 augustus 2000 heeft Point Break, zoals aangekondigd in de brief van 12 december 1996 (zie 4.2.4.), van Lanschot in rechte betrokken en gevorderd dat Van Lanschot wordt veroordeeld de gerechtelijke verklaring af te leggen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen, die verklaring te doen vergezellen van een overzicht van de rekening-courantverhouding tussen Van Lansschot en GFA over de periode augustus-december 1996 en een overzicht van de op de tussenrekeningen ten gunste en ten laste van GFA bijgeschreven en afgeschreven bedragen, de laatste onder vermelding van de bestemming van die bedragen en tot betaling en afgifte aan Point Break van hetgeen haar uit dezen hoofde zal blijken toe te komen.

4.2.7. Van Lanschot heeft zich tegen deze vorderingen verweerd en stelt, primair, dat het de opdrachtgever van een documentair krediet niet vrij staat om doorbetaling door middel van beslaglegging te frustreren. Subsidiair is zij van mening dat de door haar afgelegde verklaringen juist en volledig zijn geweest: ten tijde van de beslaglegging stond er op de rekening van Point Break te Roosendaal geen saldo en een beslag op een tussenrekening treft per definitie geen doel omdat een tussenrekening een intern bankinstrument is, waarop geen enkele derde enige aanspraak kan maken. Meer subsidiair is het volgens Van Lanschot in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat zij tot betaling zou worden veroordeeld nu Point Break haar vordering kennelijk niet op GFA kan verhalen.

4.2.8. Bij vonnis van 3 juli 2002 heeft de rechtbank alle verweren van Van Lanschot verworpen, geoordeeld dat Van Lanschot tijdens de procedure in feite heeft verklaard

en bewijsstukken overgelegd van het enige bedrag,

f 185.550,40 (€ 84.199,10), dat zij ten tijde van het leggen van het beslag van GFA onder zich had en dat in zoverre de vordering tot afgifte van Point Break kan worden toegewezen. Van Lanschot is vervolgens veroordeeld tot betaling en afgifte aan Point Break van al hetgeen waartoe GFA bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 7 juni 2000 jegens Point Break werd veroordeeld, zulks tot ten hoogste genoemd beslagen bedrag van € 84.199,10.

4.3. De vier grieven richten zich tegen de toewijzing van de vorderingen van Point Break. In de kern worden in de grieven de drie door Van Lanschot in eerste aanleg opgeworpen verweren herhaald.

4.3.1. Door Van Lanschot is uitdrukkelijk niet gegriefd (zie MvG sub 6) tegen het oordeel van de rechtbank, zie r.o. 4.3.1., dat "als de creditering nog op diezelfde dag plaatsvond (dat staat vast) maar in de tijd na het gelegd zijn van het beslag (onduidelijk is of dat überhaupt nog kan worden vastgesteld), (ook) dan moet worden aangenomen dat die creditering het gevolg was van een actie van ABN-AMRO die reeds voor de beslaglegging was aangevangen en niet meer kon worden teruggedraaid."

Uitgangspunt is dus ook in hoger beroep dat het beslag op 3 oktober 1996 is gelegd (kennelijk) nadat voormeld bedrag door Van Lanschot op 3 oktober 1996 op de tussenrekening was ontvangen.

documentair krediet en derdenbeslag

4.4. Volgens grief 1 is het in strijd met het aan het documentair krediet ten grondslag liggende beginsel van gelijk oversteken om door het leggen van derdenbeslag onder de bank van de verkoper de doorbetaling van het accreditief te blokkeren. Deze stelling kan de bank niet baten. Ingeval aan een koopovereenkomst, in dit verband ook wel aangeduid als de basisovereenkomst, het beding 'cash against documents' wordt verbonden - en dus sprake is van een onherroepelijk accreditief - heeft dat tot gevolg dat de accreditiefstellende bank na acceptatie

van de vereiste documenten gedurende de termijn dat het accreditief loopt zelfstandig verplicht is de koopprijs aan de verkoper/begunstigde of diens bank te voldoen. Daarbij kan de bank zich niet beroepen op verweermiddelen ontleend aan de koopovereenkomst. Anders gezegd: de rechtsverhouding tussen de accreditiefstellende bank, in het onderhavige geval ANB AMRO en de verkoper/begunstigde, GFA, is onafhankelijk van die tussen de partijen bij de basisovereenkomst. Om die reden kan de koper/opdrachtgever (Point Break) niet door middel van beslaglegging onder zijn bank de doorbetaling van het accreditief aan de verkoper/begunstigde (GFA) voorkomen. Die situatie doet zich echter hier niet voor. Zodra immers de accreditiefstellende bank de begunstigde, in casu GFA, heeft betaald, is de koper/opdrachtgever, Point Break, jegens de begunstigde gekweten. Op dat moment is het accreditief uitgewerkt en is beslaglegging onder de verkoper/begunstigde of conservatoir derdenbeslag onder diens bank, anders dan Van Lanschot betoogt, mogelijk.

Derhalve faalt grief 1.

beslag op tussenrekening mogelijk?

4.5. Grief 2 klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat beslag op een tussenrekening mogelijk is, of beter gezegd, dat het irrelevant is of het onder documentair krediet door ABN AMRO betaalde bedrag bij Van Lanschot is gestort op de eigen door GFA bij Van Lanschot aangehouden rekening of op een tussenrekening op naam van Van Lanschot. Volgens Van Lanschot is dit onderscheid wel degelijk relevant. Een beslag op een tussenrekening treft per definitie geen doel, omdat een tussenrekening een intern bankinstrument is, waarop individuele bedragen niet traceerbaar of identificeerbaar zijn, zodat ook een derde hierop geen aanspraak kan maken, aldus Van Lanschot.

4.5.1. Het hof vermag niet in te zien dat de individuele bedragen op een tussenrekening niet traceerbaar of identificeerbaar zijn. Die bedragen worden immers betaald ten behoeve van een bepaald rekeningnummer en/of een bepaalde cliënt en zijn reeds daarom traceerbaar. Overigens is deze stelling in tegenspraak met de stelling van Van Lanschot, dat GFA over de fondsen heeft beschikt doordat zij Van Lanschot reeds voor ontvangst van het litigieuze bedrag de opdracht heeft gegeven de te ontvangen bedragen door te betalen aan [X] en [Y]. Daaruit blijkt immers dat ook Van Lanschot ervan uitging dat GFA vanaf het moment van boeking van het bedrag op de tussenrekening over dat bedrag kon beschikken. Voorts valt de stelling van Van Lanschot dat het ook in praktische zin voor een bank volstrekt onmogelijk is om te identificeren voor wie bedragen op een tussenrekening bestemd zijn (MvG sub 22) niet te verenigen met het feit dat Van Lanschot bedoeld bedrag van die tussenrekening heeft doorgeboekt naar de door GFA opgegeven rekeningen van [X] en [Y].

4.5.2. Dat Van Lanschot om haar moverende redenen een bedrag, bestemd voor de rekening van GFA, eerst boekt op een tussenrekening op haar eigen naam alvorens zij de rekening van GFA met datzelfde bedrag crediteert, laat onverlet dat een schuldeiser van GFA onder Van Lanschot (derden)beslag kan leggen op hetgeen Van Lanschot voor GFA - op de rekening van GFA of op een tussenrekening van Van Lanschot - onder zich heeft. Zoals door de rechtbank terecht is overwogen, gaat het er bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het leggen van (derden)beslag onder Van Lanschot immers om of Van Lanschot ten tijde van de beslaglegging gelden bestemd voor GFA onder zich had en of GFA terzake een vordering op Van Lanschot had verkregen. Ingeval van voldoening van een schuld door de debiteur door middel van overboeking van het verschuldigde bedrag op de bankrekening van de crediteur, zal in het algemeen de betaling worden geëffectueerd door en op het tijdstip van creditering van die bankrekening. Op dat tijdstip verkrijgt de crediteur een vordering op de bank ter grootte van het overgeboekte bedrag, hetgeen leidt tot een verhoging van zijn creditsaldo, respectievelijk een verlaging van zijn debetsaldo met eenzelfde bedrag (HR 3 december 2004, RvdW 2004, 135; JOL 2004,643). Maar blijkens de Parlementaire Geschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6, p. 463) kan het bedrag reeds voor de creditering ter beschikking worden gesteld van de crediteur. Naar algemeen wordt aangenomen en zoals in het onderhavige geval ook volgt uit de onder 4.5.1. vermelde handelwijze van Van Lanschot, is dat het geval wanneer de bank de voor de creditering benodigde dekking heeft ontvangen. Het vorderingsrecht van GFA is dus op 3 oktober 1996 ontstaan op het moment dat het bedrag op de tussenrekening is ontvangen.

4.5.3. Dat GFA reeds voordat het litigieuze bedrag op de tussenrekening was ontvangen, aan Van Lanschot opdracht had gegeven het te ontvangen bedrag (door) te betalen aan [X] en [Y], brengt niet zich mee, zoals Van Lanschot betoogt (CVD sub 5), dat er nimmer sprake is geweest van een moment waarop Van Lanschot voor GFA gelden onder zich had. Zoals hiervoor onder 4.5.2. is overwogen, verkrijgt GFA op het moment van creditering van de tussenrekening een vorderingsrecht op Van Lanschot met betrekking tot datzelfde bedrag. Nu in dit hoger beroep ervan moet worden uitgegaan (zie 4.3.1) dat voor de beslaglegging op 3 oktober 1996 de tussenrekening reeds met voormeld bedrag was gecrediteerd en gesteld noch gebleken is dat Van Lanschot op dat moment de betalingsopdracht reeds had uitgevoerd, was Van Lanschot jegens GFA bevoegd de uitvoering van die betaling op te schorten. Nu Van Lanschot in weerwil van het beslag die betaling heeft uitgevoerd, kan Van Lanschot die verrichte betaling niet tegen Point Break inroepen (art. 475 h Rv).

4.5.4. Mitsdien faalt ook grief 2.

4.6. Grief 3 bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door Van Lanschot op de tussenrekening ontvangen bedrag onderdeel is geworden van het vermogen van GFA.

4.6.1. Deze grief berust op een verkeerde lezing van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk niet overwogen dat het op de tussenrekening ontvangen bedrag onderdeel is geworden van het vermogen van GFA. De rechtbank heeft enkel overwogen dat op dezelfde dag als die waarop de beslaglegging plaatsvond, Van Lanschot van ABN AMRO f 185.550,40 ten behoeve van GFA had ontvangen en dat het bedrag dan door het beslag is getroffen. Daarmee heeft de rechtbank bedoeld, zo leidt het hof uit r.o. 4.3 af, dat GFA op het moment van boeking van het bedrag op de tussenrekening een vorderingsrecht op Van Lanschot ter hoogte van datzelfde bedrag heeft verkregen. Dit oordeel wordt door het hof onderschreven. Dit vorderingsrecht behoort tot het vermogen van GFA en is dus door het (derden)beslag getroffen.

4.6.2. Nu vaststaat dat het beslag op de tussenrekening doel heeft getroffen, had Van Lanschot als derde-beslagene dienen te verklaren voormeld bedrag voor GFA onder zich te hebben en dat GFA terzake dat bedrag een vordering op Van Lanschot had.

4.6.3. Dit betekent dat ook grief 3 ten onrechte is voorgedragen.

redelijkheid en billijkheid

4.7. Volgens grief 4 verzetten de redelijkheid en billijkheid zich er in dit geval tegen dat Van Lanschot tot betaling wordt veroordeeld, terwijl Point Break zich kennelijk niet op haar wederpartij GFA kan verhalen.

4.7.1. Deze grief faalt. Van Lanschot heeft het immers geheel aan zich zelf te wijten dat zij blijft zitten met een onverhaalbare vordering op GFA. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het door Point Break op 3 oktober 1996 onder Van Lanschot gelegde beslag doel heeft getroffen. Het op 3 oktober 1996 op de tussenrekening geboekte bedrag is immers door het beslag getroffen. Dat Van Lanschot in weerwil van voormelde beslagen uitvoering heeft gegeven aan de betalingsopdracht van GFA, in plaats van deze op te schorten, komt geheel voor haar rekening en risico.

Conclusie

4.8. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat Van Lanschot ten tijde van het beslag f 185.550,40 voor GFA onder zich had en dat haar verklaring (kennelijk) daarop betrekking moet hebben gehad. Van Lanschot is dan ook terecht veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan Point Break.

4.9. Dit betekent dat het vonnis van de rechtbank dient te worden bekrachtigd. Van Lanschot zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Van Lanschot in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Point Break worden begroot op € 230,00 aan verschotten en € 894,00 aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Venner-Lijten

en H. Vermeulen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 29 maart 2005 en ondertekend door de griffier en rolraadsheer.