Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT2495

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
99/01046
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof stelt bij voorop dat een verandering van inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht geen grond voor het opleggen van een navorderingsaanslag kan opleveren. Dit brengt met zich dat navordering in het onderhavige geval -behoudens kwade trouw van belanghebbende - niet is toegestaan indien en voor zover deze berust op een naar aanleiding van het bekend worden van de Inspecteur met het onder 2.3 vermelde arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 1997 of van het op dat arrest voortbouwende arrest van de Hoge Raad van 2 juli 1997, BNB 1997/309, opgetreden wijziging in diens inzicht in de te dezen van belang zijnde feiten of van toepassing zijnde rechtsregels.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 6
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/30.5 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0660
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01046

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (België), hierna: belanghebbende, met gekozen domicilie te Z, tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen Breda van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1993 zonder verhoging opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, aanslagnummer 000.00.000.00

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde navorderingsaanslag is, evenals de belanghebbende voor het onderhavige jaar opgelegde primitieve aanslag in uitsluitend de inkomstenbelasting, berekend naar een belastbaar binnenlands inkomen van fl. 137.998,=.

Na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze navorderingsaanslag bij uitspraak van 23 februari 1999 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 85,= (€ 38,57).

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

Na verkregen toestemming van de Voorzitter heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingezonden. De Inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 29 augustus 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. M, verbonden aan het kantoor te Z van Q, Advocaten en Notarissen, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer P en mevrouw mr. drs. V, beiden verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Voorts heeft de Inspecteur te dezer zitting met instemming van belanghebbende kopieën overgelegd van

- pagina 11 (opgaaf beloningen, vergoedingen e.d. van bestuurders en/of commissarissen) van de door na te melden W Nederland B.V. ingediende aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 1985

- de zogeheten resultatennota betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1987 opgelegde voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen, en

- het bezwaarschrift van belanghebbende van 3 juli 1987 tegen de evenvermelde voorlopige aanslag in de premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1987.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Belanghebbende -geboren op 10 februari 1934, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en ook gedurende het onderhavige jaar gehuwd- is op 31 oktober 1974 metterwoon van Nederland naar België verhuisd, alwaar hij sedertdien steeds woonachtig is gebleven.

2.2. Belanghebbende houdt 25% van de aandelen in het zogeheten F-concern. Blijkens een als bijlage 6 bij de motivering van het beroepschrift van 25 januari 2000 in kopie tot de stukken behorend organogram van juni 1994 van dit concern, behoren tot dit concern, naast dochtermaatschappijen in Engeland, Duitsland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Hongarije en Zwitserland, drie in België gevestigde 100%-dochtervennootschappen, waaronder Z N.V..

2.3. Sedert het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw tot en met in ieder geval 31 december 1994 was belanghebbende zowel directeur van W Nederland B.V., een in Nederland gevestigde, tot het F-concern behorende vennootschap, als van de onder 2.2 vermelde, in België gevestigde Z N.V.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbendes werkzaamheden voor W Nederland B.V. voor de toepassing van de sociale-zekerheidswetgeving van Nederland en, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 30 januari 1997, nr. C-340/94 (De Jaeck), BNB 1997/308, daarmede ook voor de toepassing van Verordening (EEG) Nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, als werkzaamheden in loondienst moeten worden beschouwd, dat diens werkzaamheden voor Z N.V. voor de toepassing van de sociale-zekerheidswetgeving van België en daarmede ook voor de toepassing van evengenoemde verordening als werkzaamheden anders dan in loondienst moeten worden aangemerkt en dat op belanghebbende derhalve gedurende de evenvermelde periode op grond van het bepaalde in artikel 14 quater, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van die verordening, juncto het bepaalde in bijlage VII van die verordening, de sociale-zekerheidswetgeving van zowel Nederland als België van toepassing was.

2.4. Sedert het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft belanghebbende in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen steeds het standpunt ingenomen dat hij is vrijgesteld van de premieheffing voor de Nederlandse volksverzekeringen. Deze aangiften zijn verzorgd door een Nederlandse belastingadviseur.

2.5. Met dagtekening 30 juni 1987 heeft de Inspecteur der directe belastingen (buitenland) te Brunssum, de toentertijd ten aanzien van belanghebbende voor de heffing van de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen bevoegde inspecteur, belanghebbende een voorlopige aanslag in de premies volksverzekeringen voor het jaar 1987 opgelegd. Bij brief van 3 juli 1987 heeft belanghebbendes toenmalige belastingadviseur namens belanghebbende tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. De motivering van dit bezwaar luidt als volgt:

"Ik mag u erop wijzen dat in dit onderhavige geval er sprake is van een buitenlandse belastingplichtige welke onder de Sociale Verzekeringswetgeving in België valt.

Aangezien betrokkene ook in België een dienstbetrekking heeft en daaruit eveneens loon geniet. Overigens is het plegen van deze voorlopige aanslag in strijd met de EEG verordening 1408/71 in het bijzonder artikel 14 lid 2, letter b, onder i.".

Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is evenvermelde voorlopige aanslag vernietigd.

2.6. In zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1991 en 1992 heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat hij is vrijgesteld van de premieheffing voor de volksverzekeringen. Bij de desbetreffende vragen op het aangiftebiljet heeft hij telkens vermeld: "Is in België premieplichtig in verband met salaris België.".

In overeenstemming met belanghebbendes aangifte voor het jaar 1991 heeft de Inspecteur belanghebbende voor dat jaar een primitieve aanslag in uitsluitend de inkomstenbelasting en niet mede in de premie volksverzekeringen opgelegd.

In afwijking van belanghebbendes aangifte voor het jaar 1992 heeft de Inspecteur belanghebbende bij de hem met dagtekening 30 september 1994 opgelegde definitieve aanslag voor dat jaar wèl in de premieheffing voor de volksverzekeringen betrokken.

Tegen deze afwijking heeft belanghebbendes belastingadviseur op 7 oktober 1994 bezwaar gemaakt, stellende dat belanghebbende "woont in België en (...) ook salaris in België (heeft), zodat hij premieplichtig is in België en niet in Nederland".

Bij uitspraak van 16 december 1994 heeft de Inspecteur dit bezwaar ingewilligd.

2.7. Met dagtekening 31 mei 1994 heeft de Inspecteur belanghebbende een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 opgelegd. Nadat belanghebbendes belastingadviseur bij schrijven van 2 juni 1994 met dezelfde motivering als in het onder 2.6 vermelde bezwaarschrift had verzocht deze aanslag te verminderen met het daarin begrepen bedrag aan premie volksverzekeringen, heeft de Inspecteur deze aanslag op 5 augustus 1994 beperkt tot alleen een aanslag in de inkomstenbelasting.

2.8. In zijn aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1993 -welk biljet op 12 oktober 1994 bij de Inspecteur is binnengekomen- heeft belanghebbende de vraag of hij in aanmerking komt voor vrijstelling van premie volksverzekeringen dan wel of hij inkomsten heeft genoten waarover hij alleen premie volksverzekeringen is verschuldigd, aangekruist en daarachter vermeld: "Is in België premieplichtig in verband met salaris België".

In overeenstemming met deze aangifte heeft de Inspecteur belanghebbende voor het jaar 1993 met dagtekening 31 oktober 1995 een primitieve aanslag in uitsluitend de inkomstenbelasting en niet mede in de premie volksverzekeringen opgelegd.

2.9. Ook in zijn aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1994 -welk biljet op 13 september 1995 bij de Inspecteur is binnengekomen- heeft belanghebbende de vraag of hij in aanmerking komt voor vrijstelling van premie volksverzekeringen dan wel of hij inkomsten heeft genoten waarover hij uitsluitend premie volksverzekeringen is verschuldigd, aangekruist. Daarbij heeft hij vermeld: "Is in België premieplichtig in verband met salaris België.". In overeenstemming met deze aangifte heeft de Inspecteur belanghebbende voor het jaar 1994 met dagtekening 29 februari 1996 een primitieve aanslag in uitsluitend de inkomstenbelasting en niet mede in de premie volksverzekeringen opgelegd.

2.10. Belanghebbendes mede-aandeelhouder in het F-concern is de heer A. De heer A is eveneens in de jaren zeventig van de vorige eeuw metterwoon van Nederland naar België verhuisd en was eveneens sedert het begin van de jaren tachtig van die eeuw zowel directeur van W B.V., als van Z N.V.. Ook hij heeft sedert evenbedoelde jaren tachtig in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen steeds het standpunt ingenomen dat hij is vrijgesteld van de premieheffing voor de volksverzekeringen. Deze vrijstelling heeft hij, evenals belanghebbende, (uiteindelijk) ook steeds genoten. In verband met het door hem op 15 januari 1994 bereiken van de leeftijd van 65 jaar, geniet de heer A met ingang van 1 januari 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Op deze uitkering wordt geen korting toegepast wegens tijdvakken waarover hij niet verzekerd is geweest.

2.11. Bij het behandelen van de aangifte van de heer A voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1995, is de Inspecteur in 1997 uit door hem in dat jaar (1997) van de Sociale Verzekeringsbank ontvangen informatie gebleken dat de heer A een niet gekorte uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontvangt. In verband hiermede heeft hij een nader onderzoek ingesteld naar de premieplicht voor de volksverzekeringen van de heer A en belanghebbende. Naar aanleiding van de bevindingen bij dat onderzoek heeft hij belanghebbende in oktober/november 1997 een navorderingsaanslag voor het jaar 1991 opgelegd waarbij hij belanghebbende alsnog in de premieheffing voor de volksverzekeringen heeft betrokken. Nadat belanghebbende tegen deze navorderingsaanslag bezwaar had gemaakt, heeft de Inspecteur deze navorderingsaanslag op 6 maart 1998 vernietigd.

Gelet op de onder 2.6 vermelde omstandigheid dat hij de aanvankelijk voor dat jaar aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen naar aanleiding van diens bezwaar had beperkt tot een aanslag in uitsluitend de inkomstenbelasting, heeft de Inspecteur ervan afgezien belanghebbende voor het jaar 1992 door middel van een navorderingsaanslag alsnog in de premieheffing voor de volksverzekeringen te betrekken. Wèl heeft de Inspecteur zulks op 20 november 1998 gedaan voor de jaren 1993 (het onderhavige jaar) en 1994.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Berust de onderhavige navorderingsaanslag op een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, laatste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Algemene wet)?

II. Zo ja, is belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw in de zin van deze wettelijke bepaling?

Belanghebbende is van oordeel dat de onder I vermelde vraag bevestigend en dat de onder II vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is met betrekking tot deze beide vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door hem ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De materiële juistheid van de navorderingsaanslag is niet in geschil.

Hetgeen is vermeld in de punten 9 en 10 van de pleitnota heeft uitsluitend betrekking op belanghebbende en niet (mede) op de heer A.

De heer A heeft omstreeks maart 1994 de eerste uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontvangen. Betwist wordt dat de heer A aan belanghebbende heeft verteld dat hij een volledige (ongekorte) uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontvangt. Ten tijde van het doen van de aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1993 en 1994 was belanghebbende van deze laatste omstandigheid niet op de hoogte.

Tegen de in rekening gebrachte heffingsrente bestaat geen zelfstandige grief.

De Inspecteur

De omstandigheid dat de heer A een ongekorte AOW-uitkering geniet, is inderdaad niet gebleken uit diens aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1995, maar uit in 1997 door de Sociale Verzekeringsbank verstrekte gegevens. Betwist wordt dat de Inspecteur voordien bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met deze omstandigheid (pagina 6, vierde alinea, van de conclusie van repliek).

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de navorderingsaanslag, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of de onderhavige navorderingsaanslag op een feit berust dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, laatste volzin, van de Algemene wet.

4.2. Het Hof stelt bij het beantwoorden van deze vraag voorop dat een verandering van inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht geen grond voor het opleggen van een navorderingsaanslag kan opleveren. Dit brengt met zich dat navordering in het onderhavige geval -behoudens indien de in de omschrijving van het geschil onder II vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord- niet is toegestaan indien en voor zover deze berust op een naar aanleiding van het bekend worden van de Inspecteur met het onder 2.3 vermelde arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 1997 of van het op dat arrest voortbouwende arrest van de Hoge Raad van 2 juli 1997, BNB 1997/309, opgetreden wijziging in diens inzicht in de te dezen van belang zijnde feiten of van toepassing zijnde rechtsregels.

4.3. Voorts neemt het Hof bij het beantwoorden van de onder 4.1 vermelde vraag in aanmerking dat een inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens welke de belastingplichtige in zijn desbetreffende aangifte heeft vermeld, dat hij tot een nader onderzoek in beginsel niet is gehouden en dat hij wel tot een nader onderzoek is gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (Hoge Raad 11 april 2001, BNB 2001/260).

4.4. Blijkens het onder 2.3 vermelde arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 1997 hangt het voor het antwoord op de vraag of op iemand, zoals belanghebbende, die in België woont en die, beoordeeld naar de naar Nederlands nationaal recht voor de heffing van premie volksverzekeringen geldende maatstaven, zowel in Nederland als in België werkzaamheden in dienstbetrekking verricht, de sociale-zekerheidswetgeving van (alleen) België, dan wel van zowel België als Nederland van toepassing is, af van de omstandigheid of diens in België verrichte werkzaamheden voor de toepassing van de sociale-zekerheidswetgeving van België als werkzaamheden in loondienst moeten worden beschouwd, dan wel als werkzaamheden anders dan in loondienst.

4.5. Blijkens zijn in kopie tot de stukken behorende brieven aan belanghebbende van 20 oktober 1997 -bij welke brief de Inspecteur het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag heeft aangekondigd- en van 22 januari 1998, is de Inspecteur van oordeel dat, indien de werkzaamheden voor een vennootschap worden verricht, het antwoord op de laatstvermelde vraag afhangt van de omstandigheid of en, zo ja, in welke mate de betrokken persoon aandelen (zeggenschap) in die vennootschap heeft.

Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, gaat het Hof er van uit dat de Inspecteur deze maatstaf ook hanteerde ten tijde van het op 31 oktober 1995 opleggen van de primitieve aanslag voor het onderhavige jaar. Indien de Inspecteur te dien tijde een andere maatstaf hanteerde, is te dezen sprake van een verandering van inzicht als hiervoor bedoeld onder 4.2.

4.6. Mede gelet op de sedert het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw geïntegreerde werkwijze van de rijksbelastingdienst is het Hof van oordeel dat de Inspecteur ten tijde van het op 31 oktober 1995 vaststellen van belanghebbendes primitieve aanslag in de inkomstenbelasting over het onderhavige jaar (1993) bekend was, dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, met (a) de omstandigheid dat belanghebbende directeur-grootaandeelhouder (25%) van het F-concern was, (b) de omvang en samenstelling van dat concern, waaronder het daartoe behoren van drie in België gevestigde 100%-dochtermaatschappijen en (c) de hoogte van belanghebbendes loon als directeur bij W B.V. over dat jaar ad

fl. 139.576,=.

4.7. Op grond van een aan zijn kennis van in het dagelijks leven voorkomende gebeurtenissen ontleende ervaringsregel is het Hof van oordeel dat het in omstandigheden als onder 4.6 vermeld bepaald niet voor de hand ligt dat belanghebbende in het onderhavige jaar, naast het vervullen van zijn dienstbetrekking bij W B.V., in België werkzaamheden verrichtte voor een willekeurige derde, dat wil zeggen niet voor een vennootschap waarin hij aandelenbezit of (mede)zeggenschap had.

4.8. Gelet op hetgeen onder 4.4 tot en met 4.7 is overwogen, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur bij het vaststellen van belanghebbendes primitieve aanslag over het jaar 1993 niet zonder meer had mogen uitgaan van de juistheid van het door belanghebbende in zijn aangifte voor dat jaar ingenomen standpunt dat hij niet is onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen, doch een nader onderzoek had dienen in te stellen naar de vraag of belanghebbende zijn werkzaamheden in België verrichtte voor een vennootschap en, zo ja, of en in welke mate belanghebbende aandelen of zeggenschap in die vennootschap had.

4.9. De omstandigheid dat belanghebbendes belastingadviseur in de onder 2.6 en 2.7 vermelde bezwaarschriften heeft verklaard dat belanghebbende ook salaris in België geniet, zodat hij premieplichtig is in België en niet in Nederland en dat belanghebbende in zijn aangiften heeft verklaard dat hij in België premieplichtig is in verband met salaris aldaar, kan hier niet aan afdoen. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat op belanghebbende, ongeacht of hij in België in loondienst dan wel anders dan in loondienst werkzaam was, altijd de sociale-zekerheidswetgeving van België van toepassing was, hetzij -in het eerste geval- uitsluitend, hetzij - in het tweede geval- mede. Voorts neemt het Hof bij dit oordeel in aanmerking dat er blijkens de door de Hoge Raad bij zijn arrest van 21 december 1994, BNB 1995/128, aan het Hof van Justitie gestelde vragen te dien tijde onzekerheid bestond over de vraag naar welk recht dient te worden beoordeeld of iemand die in omstandigheden als die van belanghebbende verkeert, in België al dan niet in loondienst werkzaam is en dat de Inspecteur, c.q. diens onder 2.5 genoemde ambtgenoot, zich er derhalve van had behoren te vergewissen -hetgeen zij niet hebben gedaan- of de kennelijk aan vorengenoemde verklaringen ten grondslag liggende kwalificatie van belanghebbendes werkzaamheden in België als zijnde verricht in loondienst in de zin van de onder 2.3 genoemde verordening, was geschied naar Belgisch nationaal sociaal zekerheidsrecht, zeker nu die verklaringen afkomstig zijn van een Nederlandse belastingadviseur, onderscheidenlijk van een van origine Nederlandse belastingplichtige.

4.10. Voor zover de Inspecteur er, gelet op diens onder 4.5 vermelde brieven van 20 oktober 1997 en 22 januari 1998, bij het vaststellen van de primitieve aanslag van uit is gegaan dat een directeur-aandeelhouder met een minderheidsbelang voor de toepassing van de sociale-zekerheidswetgeving van België als werkzaam in loondienst wordt aangemerkt, berust zulks kennelijk op een onjuist inzicht in de feiten of in het recht, nu niet in geschil is dat belanghebbende, hoewel hij slechts een belang van 25% in Idrec N.V. heeft, voor de toepassing van evenbedoelde wetgeving als werkzaam anders dan in loondienst wordt aangemerkt. In zoverre is sprake van een gewijzigd inzicht van de Inspecteur dat geen aanleiding kan geven tot navordering.

4.11. Gelet op het vorenstaande dient de onder 4.1 vermelde vraag bevestigend te worden beantwoord.

4.12. Alsdan betreft het geschil vervolgens de vraag of belanghebbende ter zake van het feit dat zijn werkzaamheden voor Z N.V. voor de toepassing van de sociale-zekerheidswetgeving van België als werkzaamheden anders dan in loondienst moeten worden aangemerkt, te kwader trouw is.

4.13. Van kwade trouw in de zin van artikel 16, eerste lid, laatste volzin, van de Algemene wet is sprake indien de belastingplichtige ten aanzien van het aan de navordering ten grondslag liggende feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (Hoge Raad 11 juni 1997, BNB 1997/384).

4.14. Het standpunt van de Inspecteur dat belanghebbende te kwader trouw is, berust op de stelling dat belanghebbende in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1993 niet de juiste informatie heeft verschaft, zulks in combinatie met het feit dat de heer A met ingang van 1 januari 1994 een volledige (ongekorte) uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontving.

4.15. Gelet op de omstandigheden dat vóór het bekend worden van het onder 2.3 vermelde arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 1997 onzekerheid bestond over de vraag naar welk recht -Nederlands of Belgisch- moet worden beoordeeld of iemand die in omstandigheden als die van belanghebbende verkeert, in België al dan niet in loondienst werkzaam is, dat belanghebbende naar nationaal Nederlands recht beoordeeld inderdaad bij Z N.V. in loondienst werkzaam was en dat, gelijk hiervoor onder 4.9 is overwogen, de verklaring dat belanghebbende in België premieplichtig was, op zich niet onjuist is, heeft de Inspecteur, op wie in dezen de bewijslast rust, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende door in zijn aangifte te vermelden dat hij in België premieplichtig is in verband met het genieten van salaris aldaar, de Inspecteur met betrekking tot zijn verzekerings- en premieplicht voor de volksverzekeringen welbewust onjuist heeft geïnformeerd.

4.16. Voorts heeft de Inspecteur, op wie in dezen tegenover de betwisting door belanghebbende de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van diens aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar (1993) wist dat de heer A een volledige (ongekorte) uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontving.

4.17. Gelet op hetgeen onder 4.13 tot en met 4.16 is overwogen, komt het Hof tot de slotsom dat de Inspecteur niet is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat belanghebbende hem opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd. Derhalve moet de onder 4.12 vermelde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.18. Voor het geval moet worden geoordeeld als vermeld onder 4.11 en 4.17 is niet in geschil dat de onderhavige navorderingsaanslag dient te worden vernietigd. Het beroep is mitsdien gegrond.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2,5 (punten voor proceshandelingen) x fl. 710,= (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is fl. 1.775,= ofwel

€ 805,46. Nu de onderhavige zaak in de zin van artikel 3 van evengenoemd besluit samenhangt met de zaken bij het Hof bekend onder de nrs. 99/01047, 99/01048 en 99/01049 en ook in die zaken -gelijk uit de heden in die zaken gedane uitspraken blijkt- aanleiding bestaat de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door de belastingplichtige gemaakte proceskosten, zal het Hof in elk van deze vier zaken een proceskostenvergoeding toekennen van 1/4 x 1,5 (vier samenhangende zaken) x € 805,46 is € 302,05.

5.2. De omstandigheid dat het beroep gegrond is, brengt, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, met zich dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 85,= (€ 38,57) dient te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof

vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de navorderingsaanslag;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 302,05, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad € 38,57 wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 16 februari 2005 door J.A. Meijer, voorzitter, A.J. van Soest en M.W.C. Feteris, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 16 februari 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.