Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT1776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2005
Datum publicatie
22-03-2005
Zaaknummer
KG C0400466-HE1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vervolg van Hof Den Bosch 30-11-2004, LJN AT1773. Duits recht is van toepassing op de beoordeling van de gestelde onrechtmatige daad en/of ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KD

rolnr. KG C0400466/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 15 maart 2005,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TURBU.COM MOBILE PHONES BV,

gevestigd te Bergeijk,

appellante,

procureur: mr. R.W.F. Hendriks,

t e g e n :

de vennootschap naar Duits recht

[PERSOONSNAAM] TELECOM GMBH,

gevestigd te [plaatsnaam] (Duitsland),

geïntimeerde,

procureur: mr. J.E. Benner,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 30 november 2004 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen partijen onder zaaknummer 101804/KG ZA 03-715 gewezen vonnis in kort geding van 16 december 2003.

6. Het verdere verloop van het proces

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof Turbu in de gelegenheid gesteld een nadere memorie te nemen als bedoeld in 4.6 van het tussenarrest.

Turbu heeft daarop een memorie na tussenarrest genomen.

Vervolgens hebben partijen opnieuw de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

7. De verdere beoordeling

7.1 De kwestie die [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord aan de orde heeft gesteld betreft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Door het hof is dit opgevat als een incidentele grief. Op hetgeen [geïntimeerde] in dit verband naar voren heeft gebracht, heeft Turbu overeenkomstig rechtsoverweging 4.6 van het tussenarrest bij nadere memorie gereageerd.

7.2 [geïntimeerde] is gevestigd in Duitsland en Turbu in Nederland. Van een forumkeuze voor de Nederlandse rechter is geen sprake nu daaromtrent niets is gesteld of gebleken.

7.3 De basisregel van de hier toepasselijke Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) is neergelegd in artikel 2 EEX-Vo. Deze houdt in dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die staat. In dit geval brengt toepassing van deze basisregel mee dat de rechter in Duitsland bevoegd is en dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd dient te verklaren.

7.4 De vraag is vervolgens of in dit geval sprake is van toepasselijkheid van een bijzondere, alternatieve, bevoegdheidsregel. Hierbij gaat het in dit geval om artikel 5 aanhef en sub 3 EEX-Vo. Krachtens deze bepaling geldt voor verbintenissen uit onrechtmatige daad dat een verweerder ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens Turbu is deze bepaling van toepassing, volgens [geïntimeerde] niet.

7.5 Turbu baseert haar vordering tegen [geïntimeerde] op de stelling dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig handelt door te weigeren de door Campos betaalde koopsom ad € 356.000,= rechtsreeks aan Turbu te voldoen. Daarnaast is er volgens Turbu sprake van ongerechtvaardigde verrijking doordat [geïntimeerde] ten koste van Turbu het bedrag van € 356.000,= onder zich houdt zonder dat [geïntimeerde] daarvoor enige prestatie heeft geleverd.

7.6 Volgens vaste rechtspraak berust genoemde bevoegdheidsregel op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen het geschil en het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zodat de bevoegdheid van dit gerecht wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting. Wanneer de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan leiden en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan niet samenvallen, biedt de uitdrukking in artikel 5 aanhef en sub 3 EEX-Vo 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' aan eiser de keuze verweerder voor het gerecht van de ene dan wel de andere plaats op te roepen. Deze uitdrukking dient evenwel niet extensief uitgelegd te worden in die zin dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. De uitdrukking omvat niet ook de plaats waar eiser woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (HvJ EG 10 juni 2004, zaaknr. C-168/02, Kronhofer/Maier c.s.).

7.7 Hantering van deze uitgangspunten leidt in de onderhavige zaak met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 5 aanhef en sub 3 EEX-Vo tot het volgende resultaat. Zowel het gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] als de gestelde ongerechtvaardigde verrijking heeft erop betrekking dat [geïntimeerde] weigert een vermogensbestanddeel waarop Turbu rechten kan doen gelden weigert aan Turbu af te staan. Dat betekent dat dit vermogensbestanddeel, het bedrag van € 356.000,=, in de feitelijke macht van [geïntimeerde] en dus in Duitsland blijft, terwijl het daar in de visie van Turbu niet thuishoort. Turbu is door de weigering van [geïntimeerde] om dit bedrag aan Turbu te voldoen niet in staat om over dit deel van haar vermogen te beschikken. Deze weigering dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als het feit dat tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] kan leiden; dit feit doet zich in Duitsland voor. In deze situatie is er met betrekking tot de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan geen ander verband met Nederland dan dat Turbu in Nederland gevestigd is en de financiële schade in haar vermogen aldaar voelt. Dat nu is gezien de hiervoor in 7.6 aangehaalde uitspraak onvoldoende om een beroep op de bijzondere bepaling van artikel 5 aanhef en sub 3 EEX-Vo te rechtvaardigen.

7.8 Deze conclusie geldt zowel in het geval onder 'onrechtmatige daad' in genoemde bepaling alleen het door Turbu gestelde onrechtmatig handelen valt (zoals [geïntimeerde] bepleit) als in het geval dat bij de vereiste autonome uitleg van de bepaling daaronder ook de gestelde ongerechtvaardigde verrijking dient te worden begrepen (zoals Turbu bepleit). Voor de beslissing in deze zaak is om die reden niet van belang welk van beide standpunten als juist moet worden aangemerkt (zie in dit verband HvJ EG 27 september 1988, NJ 1990/425 m.n. JCS).

7.9 Een en ander brengt mee dat het beroep van Turbu op artikel 5 aanhef en sub 3 EEX-Vo niet opgaat; enige andere bepaling waarop de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gegrond kan worden is evenmin voorhanden. Dit betekent dat de incidentele grief van [geïntimeerde] slaagt en dat de grieven van Turbu geen behandeling meer behoeven. Het vonnis waarvan beroep zal vernietigd worden en het hof zal zich onbevoegd verklaren. Turbu dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

8. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen;

veroordeelt Turbu in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.669,= aan verschotten en op € 4.894,50 aan salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek, en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 maart 2005 en ondertekend door de griffier en de rolraadsheer.