Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AS8593

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2005
Datum publicatie
04-03-2005
Zaaknummer
02/01040
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien a. de verweerder een begunstigend beleid voert, b. ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of c. de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. De verweerder heeft verklaard dat er sprake is van een incidentele taxatiefout waaraan belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen. Er is, aldus de verweerder, geen sprake van een door de gemeente gevoerd begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging. Bij toepassing van de meerderheidsregel gaat het erom of in de meerderheid van met het geval feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Ter zitting is vast komen te staan dat tot de groep feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen de objecten Bstraat 1 en 3, Astraat 1, 3, 5 en 7 en de onroerende zaak behoren. De verweerder heeft het hof aangeboden de gegevens van 170, door de verweerder als vergelijkbaar gestelde, recreatiewoningen na te zenden, aangezien de verweerder de gegevens van de 170 recreatiewoningen niet bij zich heeft. Het hof heeft dit aanbod afgewezen, nu belanghebbende voor de huidige waardepeildatum, evenals in de procedure betreffende de vorige waardepeildatum, een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Gelet op de uitspraak op bezwaarschrift, het verweerschrift en de conclusie van dupliek, welke door de verweerder zijn geschreven en tot de stukken van het geding behoren, en het bepaalde in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is het hof van oordeel dat de verweerder voldoende kansen heeft gehad de gegevens van de 170, door de verweerder als vergelijkbaar gestelde, recreatiewoningen aan het hof bekend te maken. Nu in de groep van feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen in vier van de zeven gevallen de grondoppervlakte onjuist is vastgesteld, is sprake van schending van de meerderheidsregel. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/480
FutD 2005-0505
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01040

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Afdeling Middelen van de gemeente Z (hierna: de verweerder), op het bezwaarschrift betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak Astraat 1 te Y (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 1999 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 januari 2005 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van mevrouw A, alsmede, de verweerder en de taxateur.

Na de behandeling van de zaak heeft het hof heden, 3 februari 2005, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de waarde van de onroerende zaak tot een bedrag van ƒ 158.000,- (€ 71.697,-);

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-;

- veroordeelt de verweerder in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 15,86; en

- wijst de gemeente Z aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

De gronden voor de beslissing

1. Bij voormelde beschikking heeft de verweerder de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op ƒ 256.000,- (€ 116.167,-) en bij de bestreden uitspraak verminderd tot een waarde van ƒ 241.000,- (€ 109.361,-). Belanghebbende verdedigt een waarde van ƒ 158.000,- (€ 71.697,-).

2. De verweerder, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op een taxatierapport en ter ondersteuning daarvan op de opbrengst behaald bij verkoop van een aantal met de onroerende zaak vergelijkbare objecten (hierna: referentieobjecten). Het taxatierapport is voorzien van beeldmateriaal van zowel de onderhavige onroerende zaak als van de referentieobjecten. Ter ondersteuning van het taxatierapport heeft de verweerder een matrix betreffende de onroerende zaak en de referentieobjecten overgelegd.

3. Het hof heeft onvoldoende reden aan de betrouwbaarheid van dit taxatierapport te twijfelen.

4. Belanghebbende heeft tegen de waarde op de vorige waardepeildatum, na daartegen gemaakt bezwaar, een beroepschrift ingediend. Tijdens de daarop gevolgde zitting van 20 april 2001 heeft de verweerder erkend dat er fouten zijn gemaakt bij de vaststelling van de waarde van de objecten Bstraat 1 tot en met 5. De objecten Astraat 1 tot en met 7 hebben namelijk een grondoppervlakte van 2.000 m² in plaats van de door de verweerder gehanteerde 200 m². Nadat de verweerder tijdens die zitting aan belanghebbende heeft beloofd deze fout te herstellen, heeft belanghebbende dat beroepschrift ingetrokken.

5. De verweerder heeft de waardebeschikkingen, met waardepeildatum 1 januari 1999, van de objecten Astraat 1 tot en met 7 reeds vóór 20 april 2001, de datum van de in 4 bedoelde zitting, naar de eigenaren en gebruikers van deze onroerende zaken verzonden. Er heeft daarom, aldus de verweerder, geen correctie op de grondoppervlakte van Astraat 1 tot en met 7 kunnen plaatsvinden, waardoor de onjuistheid met betrekking tot de grondoppervlakte in stand is gebleven.

6. Belanghebbende is tegen de bovengenoemde onjuistheid, naar daartegen gemaakt bezwaar, wederom in beroep gekomen en doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

7. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien a. de verweerder een begunstigend beleid voert, b. ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of c. de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. De verweerder heeft verklaard dat er sprake is van een incidentele taxatiefout waaraan belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen. Er is, aldus de verweerder, geen sprake van een door de gemeente gevoerd begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging. Bij toepassing van de meerderheidsregel gaat het erom of in de meerderheid van met het geval feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Ter zitting is vast komen te staan dat tot de groep feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen de objecten Bstraat 1 en 3, Astraat 1, 3, 5 en 7 en de onroerende zaak behoren. De verweerder heeft het hof aangeboden de gegevens van 170, door de verweerder als vergelijkbaar gestelde, recreatiewoningen na te zenden, aangezien de verweerder de gegevens van de 170 recreatiewoningen niet bij zich heeft. Het hof heeft dit aanbod afgewezen, nu belanghebbende voor de huidige waardepeildatum, evenals in de procedure betreffende de vorige waardepeildatum, een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Gelet op de uitspraak op bezwaarschrift, het verweerschrift en de conclusie van dupliek, welke door de verweerder zijn geschreven en tot de stukken van het geding behoren, en het bepaalde in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is het hof van oordeel dat de verweerder voldoende kansen heeft gehad de gegevens van de 170, door de verweerder als vergelijkbaar gestelde, recreatiewoningen aan het hof bekend te maken. Nu in de groep van feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen in vier van de zeven gevallen de grondoppervlakte onjuist is vastgesteld, is sprake van schending van de meerderheidsregel. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve.

8. Uit het vorenstaande volgt, nu het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt, dat het hof de waarde van de onroerende zaak in goede justitie moet vaststellen. Nu het hof evenwel niet buiten de rechtsstrijd van partijen kan treden, stelt het hof de waarde van de onroerende zaak op de door belanghebbende ter zitting verdedigde waarde van ƒ 158.000,- (€ 71.687,-).

9. De overige grieven van de belanghebbende behoeven mitsdien geen behandeling meer.

Het griffierecht en de proceskosten

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan de belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de verweerder te veroordelen in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt de proceskosten op de reiskosten van de belanghebbende, op basis van openbaar vervoer tweede klasse, retour Y-'s-Hertogenbosch, zijnde € 15,86. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door J.W. van der Voort, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van P.J.A.M. van Sleuwen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2005.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 9 februari 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.