Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2005:AS6719

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-01-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
95/03231
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en sub a, van de Verordening is -onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening- op degene die, zoals de heer S, op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat. Nu niet in geschil is dat de heer S gedurende de onderhavige periode zijn werkzaamheden in loondienst uitsluitend op het grondgebied van Nederland uitoefende, was op hem ingevolge deze bepaling de sociale-zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing, tenzij uit het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening anders volgt. Geen feiten en/of omstandigheden zijn echter gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat dit laatste het geval is.

Wetsverwijzingen
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Wenen, 01-09-1970 5, geldigheid: 2005-01-14
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Wenen, 01-09-1970 8, geldigheid: 2005-01-14
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Wenen, 01-09-1970 9, geldigheid: 2005-01-14
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Wenen, 01-09-1970 10, geldigheid: 2005-01-14
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Wenen, 01-09-1970 41, geldigheid: 2005-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 344
FutD 2005-0426
V-N 2005/21.21

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 95/03231

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, aanslagnummer 00.00.000.A.01.0000

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde naheffingsaanslag is met dagtekening 7 april 1995 opgelegd tot een bedrag van fl. 1.034.629,= aan enkelvoudige belasting en premie, zonder verhoging. Na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze naheffingsaanslag bij uitspraak van 24 oktober 1995 verminderd tot een ten bedrage van fl. 603.118,= aan enkelvoudige belasting en premie.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,= (€ 34,03). De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 27 januari 1999 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer drs. V, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door de heer mr. J, beiden verbonden aan het kantoor te Rotterdam van D Belastingadviseurs, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw mr. drs. V, tot bijstand vergezeld van de heer H, beiden verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota -voor wat belanghebbende betreft met een toevoeging daaraan- voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan hun wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota -en de toevoeging daaraan- van belanghebbende behorende bijlagen. Voorts heeft belanghebbende te dezer zitting, eveneens zonder bezwaar van de Inspecteur, een kopie overgelegd van twee pagina's van een paspoort van de hierna te noemen heer S.

1.4. Naar aanleiding van door het Hof op evenvermelde zitting aan partijen gestelde vragen heeft na deze zitting tussen het Hof en partijen op de voet van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken een briefwisseling plaatsgevonden, met betrekking tot welke briefwisseling het bepaalde in artikel 16 van die wet is nageleefd.

Voorts hebben partijen na deze zitting op 14 juni 1999 een compromis gesloten met betrekking tot de tot dan tussen hen bestaande geschilpunten. Bij dit compromis hebben zij evenwel een nieuw geschilpunt geformuleerd. Naar aanleiding van dit compromis heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag bij beschikking van 21 juni 1999 ambtshalve verminderd tot een ten bedrage van fl. 525.001,= aan enkelvoudige belasting en premie.

Belanghebbende heeft bij brief van 6 juli 1999 medegedeeld dat een verdere mondelinge behandeling achterwege kan blijven, terwijl de Inspecteur bij brief van 29 januari 2001 heeft laten weten van verdere mondelinge behandeling van de zaak af te zien.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is opgericht bij notariële akte van 30 november 1989 en houdt zich bezig met het snijden van geverfd karton en het vervoeren van dat produkt naar (andere) fabrieken voor verdere bewerkingen. De aandelen in belanghebbende worden middellijk gehouden door X A.G. te Q (Oostenrijk) (hierna: de A.G.).

2.2. De heer S (hierna: de heer S) is sedert 1 april 1989 in dienstbetrekking bij de A.G.. Met ingang van 1 januari 1990 (standpunt Inspecteur), dan wel 27 maart 1990 (standpunt belanghebbende) is de heer S door de A.G. tewerkgesteld bij belanghebbende in Nederland. Op 27 maart 1990 is hij benoemd tot directeur van belanghebbende. Het loon van de heer S bij de A.G. wordt sedert diens tewerkstelling bij belanghebbende door de A.G. al dan niet als onderdeel van een zogeheten management fee doorbelast aan belanghebbende. Niet is in geschil dat de heer S sedert evenbedoelde tewerkstelling beschouwd kan worden materieel in dienstbetrekking te staan tot belanghebbende.

2.3. De heer S, die in ieder geval de Duitse nationaliteit bezit, was tot november 1991 woonachtig te S (Oostenrijk). Sedertdien is hij woonachtig te K (Duitsland).

2.4. Met betrekking tot de heffing van premies voor de sociale verzekeringen van de heer S over de periode 27 maart 1992 tot en met 31 december 1994 heeft het bepaalde in artikel 41 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake sociale zekerheid van 7 maart 1974, Trb. 77, geen toepassing gevonden.

Ook is door Oostenrijk met betrekking tot deze periode ten aanzien van de heer S geen detacheringsverklaring afgegeven als bedoeld in artikel 5 van het Akkoord ter uitvoering van evengenoemde Overeenkomst (hierna: de Overeenkomst) of in artikel 11, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Na het onder 1.4 vermelde compromis betreft het geschil uitsluitend de vraag of op de heer S in de periode 27 maart 1992 tot en met 31 december 1994 de sociale-zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing was.

Deze vraag dient naar het oordeel van belanghebbende ontkennend, doch naar de mening van de Inspecteur bevestigend te worden beantwoord.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.3 vermelde pleitnota's, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen, voor zover thans nog van belang en zakelijk weergegeven, nog het volgende aangevoerd:

Belanghebbende

De aandelen in de A.G. worden gehouden door de in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde X Corporation.

Niet is in geschil dat tussen belanghebbende en de heer S een zogeheten materiële dienstbetrekking bestaat.

De Inspecteur

De heer S is met ingang van 1 januari 1990 en niet eerst met ingang van 27 maart 1990 door de A.G. bij belanghebbende tewerkgesteld.

3.3. Belanghebbende concludeert, na wijziging van haar standpunt in de loop van het geding, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en (nadere) vermindering van de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van fl. 494.247,=, terwijl de Inspecteur, naar het Hof verstaat, na het sluiten van het onder 1.4 vermelde compromis eveneens concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch tot handhaving van de naheffingsaanslag zoals deze luidt na de ambtshalve verleende vermindering de dato 21 juni 1999.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Na het onder 1.4 vermelde compromis betreft het geschil uitsluitend de vraag of op de heer S in de periode 27 maart 1992 tot en met 31 december 1994 de sociale-zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing was.

4.2. Partijen zijn kennelijk beiden van oordeel dat de heer S in deze periode enkel beoordeeld naar Nederlands nationaal recht premieplichtig voor de volksverzekeringen was. Het Hof zal zich bij dit oordeel, dat mede van feitelijke aard is en waarvan niet is gebleken dat daaraan een juridisch onjuist uitgangspunt ten grondslag ligt, aansluiten.

Het geschil betreft derhalve uitsluitend de vraag of toepassing van evenbedoeld Nederlands nationaal recht in casu wordt verhinderd door internationaal of supranationaal recht.

4.3. Niet is in geschil dat de werkzaamheden van de heer S voor de toepassing van de Overeenkomst en van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening) zijn aan te merken als arbeid, onderscheidenlijk werkzaamheden, in loondienst. Ook het Hof zal hiervan uitgaan, nu niet is gebleken dat hieraan een onjuist juridisch standpunt ten grondslag ligt.

4.4. Voorts heeft belanghebbende uitdrukkelijk gesteld dat de heer S (ook) gedurende de onder 4.1 vermelde periode zijn volledige arbeidstijd heeft doorgebracht in Nederland (blad 2, bovenste tekstblok, en blad 4, vierde tekstblok, van de volledige motivering van het beroepschrift van 30 mei 1996).

4.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de Overeenkomst is

-onverminderd het bepaalde in de artikelen 9 en 10 van de Overeenkomst- op degenen die, zoals de heer S, beroepsarbeid verrichten, de wetgeving van die Overeenkomstsluitende Staat van toepassing op het grondgebied waarvan deze arbeid wordt verricht en is zulks voor degenen die, zoals de heer S, arbeid in loondienst verrichten ook het geval indien de woonplaats van de werknemer of het domicilie van zijn werkgever op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staat is gelegen. Nu niet in geschil is dat de heer S gedurende de onderhavige periode zijn arbeid in loondienst op het grondgebied van Nederland verrichtte, was op hem ingevolge deze bepaling gedurende deze periode de sociale-zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing, tenzij uit het bepaalde in de artikelen 9 of 10 van de Overeenkomst anders volgt. Belanghebbende heeft in dit verband een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Overeenkomst, doch zij verliest hierbij uit het oog dat deze bepaling hoogstens voor de eerste 24 maanden van een detacheringsperiode van toepassing is, dat -zo al sprake was van detachering- deze periode in ieder geval op 27 maart 1992 was verstreken en dat niet is gesteld of gebleken dat ten aanzien van de heer S het bepaalde in artikel 11 van de Overeenkomst toepassing heeft gevonden. Reeds op grond van het vorenstaande faalt belanghebbendes beroep op de Overeenkomst. De vraag of de Overeenkomst na diens verhuizing in november 1991 van S (Oostenrijk) naar K (Duitsland) nog op de heer S van toepassing was, kan derhalve in het midden blijven.

4.6. Na evenbedoelde verhuizing viel de heer S onder de persoonlijke en materiële werkingssfeer van de Verordening, zodat deze sedertdien -in ieder geval mede- op hem van toepassing was.

4.7. Ingevolge het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en sub a, van de Verordening is -onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening- op degene die, zoals de heer S, op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat. Nu niet in geschil is dat de heer S gedurende de onderhavige periode zijn werkzaamheden in loondienst uitsluitend op het grondgebied van Nederland uitoefende, was op hem ingevolge deze bepaling de sociale-zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing, tenzij uit het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening anders volgt. Geen feiten en/of omstandigheden zijn echter gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat dit laatste het geval is. Met name het bepaalde in artikel 14, aanhef en eerste lid, van de Verordening vermag belanghebbende niet te baten, reeds hierom niet omdat tussen de aanvang van de tewerkstelling van de heer S door de A.G. bij belanghebbende en 27 maart 1992 in ieder geval 24 maanden zijn verstreken.

4.8. Gelet op het vorenstaande was op de heer S in de periode 27 maart 1992 tot en met 31 december 1994 de sociale-zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing. Voor dit geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag dient te worden gehandhaafd zoals deze luidt na de ambtshalve door de Inspecteur verleende vermindering van 21 juni 1999.

5. Proceskosten en griffierecht

Van het onder 1.4 vermelde compromis maakt deel uit dat belanghebbende afziet van haar verzoek om een vergoeding voor de proceskosten, terwijl belanghebbende in haar brief aan het Hof van 6 juli 1999 eveneens heeft afgezien van haar beroep op vergoeding van griffierecht.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof

vernietigt de bestreden uitspraak; en

handhaaft de naheffingsaanslag zoals deze luidt na de ambtshalve verleende vermindering de dato 21 juni 1999.

Aldus vastgesteld op 14 januari 2005 door J.A. Meijer, voorzitter, G.J. van Muijen en M.W.C. Feteris, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 14 januari 2005

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.